Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   SOCIALEVERZEKERINGSPLICHT
x
LJN:
x
AW7294
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 27-04-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Verzekeringsplicht. Er is geen sprake van een privaatrechtelijke dienstbetrekking omdat onvoldoende is gebleken van met name een gezagsverhouding.
 
 
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 05/5424 ALGEM




U I T S P R A A K



  
op het hoger beroep van:

[appellante], gevestigd te [vestigingsplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 25 juli 2005, 04/1438 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 27 april 2006.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellante is hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 30 maart 2006, waar appellante zich heeft doen vertegenwoordigen door haar directeur [directeur], haar administrateur [administrateur] en bijgestaan door J.H.C. van Dongen, werkzaam bij de Koninklijke Metaalunie te Nieuwegein. Het Uwv heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. N.M.D. van Beek.




II. OVERWEGINGEN


De Raad stelt voorop dat het in geding zijn geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Ziektewet, de Werkloosheidswet, de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering en de Ziekenfondswet en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde in geding.

De activiteiten van appellante bestaan uit het ter beschikking stellen van arbeidskrachten, het verrichten van arbeidsbemiddeling, op het gebied van werktuigbouwkundige activiteiten, alsmede het verrichten van diensten terzake. Uit een bij appellante op 5 december 2003 gehouden looncontrole zijn blijkens het looncontrolerapport ten aanzien van de verzekeringsplicht geen bijzonderheden geconstateerd. In het kader van een zelfstandigheidsonderzoek heeft het Uwv gesproken met [betrokkene] (hierna: [betrokkene]) die in de periode februari 2002 tot en met oktober 2003 werkzaamheden voor appellante heeft verricht. De inspecteur buitendienst heeft hieruit de conclusie getrokken dat er sprake was van loon, het persoonlijk verrichten van arbeid en een gezagsverhouding.

Bij besluit van 23 maart 2004 heeft het Uwv appellante bericht [betrokkene] met ingang van 1 februari 2002 verzekeringsplichtig voor de werknemersverzekeringen te beschouwen, omdat voldaan wordt aan de voorwaarden voor het aannemen van een privaatrechtelijke dienstbetrekking. Bij besluit op bezwaar van 23 juni 2004 heeft het Uwv dit besluit na bezwaar gehandhaafd.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante gegrond verklaard en de rechtsgevolgen in stand gelaten. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het Uwv appellante ten onrechte niet heeft betrokken bij het onderzoek dat ten grondslag ligt aan het primaire en het bestreden besluit, terwijl daar voldoende aanleiding toe bestond. Naar het oordeel van de rechtbank is het bestreden besluit niet met de nodige zorgvuldigheid voorbereid om welke reden zij het beroep gegrond heeft verklaard en het bestreden besluit wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft vernietigd. Voorts heeft de rechtbank, na weging van de voorhanden zijnde gegevens en het onderzoek ter harer zitting, de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand gelaten en de conclusie uitgesproken dat het Uwv de in het geding zijnde rechtsverhouding tussen appellante en [betrokkene] terecht als een dienstbetrekking in de zin van artikel 3 van de sociale werknemersverzekeringswetten heeft aangemerkt.

In hoger beroep heeft appellante zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellante betwist dat de werkzaamheden van [betrokkene] dienen te worden aangemerkt als werkzaamheden die zijn verricht in het kader van een privaatrechtelijke dienstbetrekking.

De Raad dient de vraag te beantwoorden of sprake is geweest van een privaatrechtelijke dienstbetrekking tussen appellante en [betrokkene]. De Raad komt evenwel tot een andere afweging van de feiten en omstandigheden zoals die naar voren komen dan de rechtbank en overweegt daartoe het volgende.

Ingevolge vaste jurisprudentie van de Raad is het aan het Uwv om op basis van de feiten en omstandigheden voldoende aannemelijk te maken dat sprake is van de aanwezigheid van het persoonlijk verrichten van arbeid, een loonbetalingsverplichting en een gezagsverhouding. De Raad is anders dan de rechtbank van oordeel dat het Uwv hierin niet is geslaagd. De Raad overweegt gelet op de gedingstukken en het verhandelde ter zijner zitting, dat onvoldoende is gebleken van met name een gezagsverhouding van appellante ten opzichte van [betrokkene]. Gelet op de diversiteit van de werkzaamheden van [betrokkene] bij een groot aantal klanten van appellante heeft het Uwv zich onvoldoende inzicht verschaft in de feitelijke situatie waarin [betrokkene] werkzaam was en heeft onvoldoende blijk gegeven van een gewogen beoordeling van de verzekeringsplicht aan de hand van de feitelijke situatie. Hier wreekt zich het gebrek aan onderzoek in de bezwaarfase alsmede aan de daar voorafgaande fase, zoals reeds geconstateerd is door de rechtbank en voor haar reden was het bestreden besluit te vernietigen wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb.

Ter zitting van de Raad heeft het Uwv de rechtsgrond van het bestreden besluit uitgebreid in die zin dat gelet op de bedrijfsvoering van appellante gesteld kan worden dat voldaan is aan de vereisten van artikel 7:610 van het Burgerlijk Wetboek (BW) en er tevens sprake is van een uitzendovereenkomst als bedoeld in artikel 7:690 van het BW. Met betrekking tot deze rechtsgrond is de Raad van oordeel dat deze tardief is en niet ondersteund wordt door onderzoeksbevindingen bij eventuele inleners ten aanzien van het aspect leiding en toezicht. Dit nader door het Uwv ingenomen standpunt sterkt de Raad slechts in haar oordeel dat het Uwv bij de voorbereiding van het bestreden besluit niet de daarbij te betrachten zorgvuldigheid in acht heeft genomen.

Het vorenoverwogene leidt ertoe dat de aangevallen uitspraak voor zover die is aangevochten voor vernietiging in aanmerking komt.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in hoger beroep. Die kosten worden begroot op 644,-- voor verleende rechtsbijstand.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voorzover aangevochten en behoudens voorzover daarin over de vergoeding van het griffierecht en de proceskosten in eerste aanleg is beslist;
Veroordeelt het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag groot 644,--;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het betaalde recht van 409,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door B.J. van der Net. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.E. Lysen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 27 april 2006.

(get.) B.J. van der Net.

(get.) R.E. Lysen.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. sv-plicht | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x