Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   SOCIALEVERZEKERINGSPLICHT
x
LJN:
x
AX1592
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 11-05-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Looncontrole. Correctienota. Is er sprake van een verzekeringsplichtige dienstbetrekking?
 
 
 
 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 05/741 ALGEM




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellante], gevestigd te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 4 januari 2005, 04/842 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen;

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 11 mei 2006.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellante heeft mr. R.W.J. Kerckhoffs, advocaat te Breda, hoger beroep ingesteld. Nadien heeft drs. J. Heerema, belastingadviseur te Rotterdam, het hoger beroep toegelicht.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 maart 2006. Namens appellante zijn daar verschenen drs. Heerema, voornoemd, [directeur appellante], directeur van appellante, H.F. Reinecke, accountant van appellante en [de heer L.]. Namens het Uwv is verschenen mr. W. Zwanink, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.




II. OVERWEGINGEN


De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de wettelijke bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat thans met het volgende.

Tijdens een in 2002 gehouden looncontrole over 1997 tot en met 2001 is de looninspecteur onder meer gebleken dat er ten aanzien van de werknemers [werknemer 1], [werknemer 2] en [werknemer 3] sprake is van vaststellingsverschillen, die volgens de looninspecteur het gevolg zijn van onjuiste dan wel onvolledige opgave van de op deze werknemers betrekking hebbende premielonen. Voorts heeft de looninspecteur geconcludeerd dat [betrokkene 1] verzekeringsplichtige werkzaamheden heeft verricht voor appellante, dat de betalingen die appellante aan [firma K.] heeft verricht aangemerkt moeten worden als betalingen aan anonieme werknemers van appellante en dat werknemer [werknemer 4] ten onrechte niet als verzekerde ingevolge de Ziekenfondswet (Zfw) in de administratie van het Uwv stond geregistreerd, als gevolg waarvan geen premie Zfw is vastgesteld.

Op 16 december 2002 heeft het Uwv in verband met voornoemde bevindingen van de looninspecteur correctienota's verzonden over 1997 tot en met 2001 en op 11 februari 2003 zijn boetenota's over 1998 tot en met 2001 verstuurd. Ten aanzien van de boeten is het Uwv van mening dat er sprake is van opzet of grove schuld en met betrekking tot de jaren 2000 en 2001 van recidive. Ten aanzien van de premie Zfw voor [werknemer 4] heeft het Uwv geen boete opgelegd. Bij besluit van 27 februari 2004 (het bestreden besluit) zijn de bezwaren tegen de correctie- en boetenota's van 16 december 2002 en 11 februari 2003 ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Ten aanzien van [betrokkene 1] is de rechtbank, met het Uwv, van oordeel dat er sprake is van op artikel 4, eerste lid, onder a, van de Ziektewet (ZW), de Werkloosheidswet (WW) en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) berustende verzekeringsplicht. Met betrekking tot de betalingen aan [firma K.] is de rechtbank van oordeel dat het Uwv zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat uit de gevraagde gegevens en inlichtingen blijkt dat er sprake is van premieloon. De correcties ten aanzien van [werknemer 2], [werknemer 3] en [werknemer 1] zijn volgens de rechtbank ook terecht toegepast, evenals de correctie voor de premie Zfw voor [werknemer 4]. Met betrekking tot de boeten heeft de rechtbank overwogen dat het Uwv terecht de aanwezigheid van opzet of grove schuld aan de zijde van appellante heeft aangenomen.

Appellante heeft het oordeel van de rechtbank in hoger beroep uitgebreid gemotiveerd bestreden.

De Raad overweegt als volgt.

Ten aanzien van [betrokkene 1] is, wat de premiecorrecties betreft, uitsluitend nog in geschil of hij in verzekeringsplichtige dienstbetrekking werkzaam is geweest voor appellante. Met het Uwv en de rechtbank beantwoordt de Raad die vraag bevestigend. Zoals het Uwv in het bestreden besluit gemotiveerd heeft weergegeven, voldoet [betrokkene 1] aan de voorwaarden van artikel 4 van de ZW, WW en WAO. De Raad onderschrijft niet de stelling van appellante dat [betrokkene 1] zelfstandige zou zijn. Iedere onderbouwing voor dat standpunt ontbreekt en hetgeen [betrokkene 1] heeft medegedeeld aan de looninspecteur biedt alleen maar steun voor het standpunt van het Uwv. De Raad laat niet na in dit verband te wijzen op het standpunt van de Belastingdienst, zoals dat blijkt uit de vaststellingsovereenkomst van 18 november 2004. De arbeidsverhouding tussen appellante en [betrokkene 1] is daarin ook als dienstbetrekking aangemerkt.

Ten aanzien van de betalingen van appellante aan [firma K.] is allereerst van belang of het Uwv zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat er sprake is van premieloon. Anders dan het Uwv en de rechtbank beantwoordt de Raad die vraag ontkennend. Ten tijde hier van belang was [firma K.] een in het handelsregister ingeschreven onderneming, die werd gedreven voor rekening van [de heer L.]. De betalingen van appellante aan [firma K.] zijn opgenomen in de administratie van appellante. Namens appellante is aangevoerd dat de betalingen betrekking hebben op door [firma K.] voor appellante verrichte sloop-, schilder- en constructiewerkzaamheden. Dit gegeven is door [de heer L.] nimmer ontkend. [de heer L.] heeft tegenover de looninspecteur verklaard geen administratie bij te houden en dat geen nadere informatie kan worden verstrekt. In een op 3 september 2004 gedateerde verklaring heeft [de heer L.] de lezing van appellante bevestigd.

Naar het oordeel van de Raad ligt het in de gegeven omstandigheden niet primair voor de hand om aan te nemen dat de door appellante in haar administratie opgenomen betalingen aan [firma K.] betrekking hebben op door haar betaalde premielonen, maar ligt het veeleer in de rede om [firma K.] als werkgever aan te merken en premienota's op te leggen. Mocht [firma K.] deze nota's niet binnen de daarvoor gestelde termijn voldoen, dan staat het Uwv de in artikel 16b van de Coördinatiewet Sociale Verzekering (CSV) opgenomen aansprakelijkstellingsregeling ter beschikking. De Raad is dan ook van oordeel dat niet gezegd kan worden dat het Uwv zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat er sprake was van door appellante betaalde premielonen.

Met betrekking tot de ten aanzien van [werknemer 1], [werknemer 2] en Jurczik door de looninspecteur geconstateerde vaststellingsverschillen constateert de Raad aan de hand van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting dat niet meer is vast te stellen of appellante in gebreke is gebleven bij de indiening van de jaarloonopgaven, dan wel dat er bij het Uwv een fout is opgetreden bij de verwerking van de door appellante aangeleverde gegevens. Dit laat echter onverlet dat het het Uwv, met inachtneming van het bepaalde in artikel 13, eerste lid, CSV, vrij staat alsnog de door appellante verschuldigde premie correct vast te stellen, nu appellante de verschillen had kunnen onderkennen.
Dit geldt evenzeer ten aanzien van de voor [werknemer 4] verschuldigde premie Zfw, waarbij de Raad opmerkt dat de door appellante overgelegde gegevens vooral steun bieden voor de veronderstelling dat door het Uwv een fout is gemaakt bij de verwerking van de aangeleverde gegevens, maar ook deze fout had door appellante onderkend kunnen worden.

Ten aanzien van de boetenota's stelt de Raad vast dat de grondslag voor het opleggen van een boete in verband met de betalingen aan [firma K.] komt te vervallen. Ten aanzien van [betrokkene 1] onderschrijft de Raad het oordeel van de rechtbank, inhoudende dat een werkgever zich er in het algemeen bewust van moet zijn welke loonopgaven hij moet doen en dat in geval van twijfel de verantwoordelijkheid bij de werkgever ligt ter zake informatie in te winnen bij het Uwv. Nu appellante dit heeft nagelaten heeft het Uwv terecht de aanwezigheid van grove schuld aangenomen.
Met betrekking tot de opgelegde boeten in verband met de ten aanzien van [werknemer 1], [werknemer 2] en Jurczik geconstateerde vaststellingverschillen is de Raad van oordeel dat de voorhanden zijnde gegevens niet zonder meer steun bieden voor het aannemen van opzet of grove schuld aan de zijde van appellante. Niet valt immers uit te sluiten dat appellante alle benodigde gegevens heeft aangeleverd, maar dat er aan de zijde van het Uwv een fout is gemaakt bij de verwerking van die gegevens.

Al het voorgaande leidt de Raad tot de conclusie dat het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd evenals - onder gegrondverklaring van het beroep - het bestreden besluit. Het Uwv dient met inachtneming van hetgeen de Raad in deze uitspraak heeft overwogen een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van appellante. Daarbij dient het Uwv tevens aandacht te besteden aan de door appellante gevorderde schadevergoeding.

De Raad ziet in het voorgaande aanleiding het Uwv te veroordelen in de kosten die appellante in verband met het bezwaar, beroep en hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn begroot op € 1.932,-- ter zake van verleende rechtsbijstand. Voor afwijking van het bepaalde in artikel 2, eerste lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht, zoals door appellante is verzocht, acht de Raad geen termen aanwezig.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;
Bepaalt dat het Uwv met inachtneming van hetgeen de Raad in deze uitspraak heeft
overwogen een nieuw besluit neemt op het bezwaar van appellante;
Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante, begroot op € 1.932,--, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uwv het door appellante betaalde griffierecht ad € 682,-- aan haar vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door R.C. Schoemaker als voorzitter en G. van der Wiel en N.J. van Vulpen-Grootjans als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.H. Polderman-Eelderink als griffier, uitgesproken in het openbaar op 11 mei 2006.

(get.) R.C. Schoemaker.

(get.) A.H. Polderman-Eelderink.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. sv-plicht | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x