Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   SOCIALEVERZEKERINGSPLICHT
x
LJN:
x
AX6803
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 01-06-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Weigering WAO-uitkering. Was betrokkene verzekerd voor de WAO? Privaatrechtelijke dienstbetrekking? Regeling aanwijzing directeur-grootaandeelhouder.
 
 
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 05/1828 ALGEM




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellant] te [woonplaats] (BelgiŽ), (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 17 februari 2005, 04/2344 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 1 juni 2006.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft drs. M.Th.A. Donners, accountant te Nuth, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Desgevraagd zijn namens appellant overgelegd de statuten van [naam Hotel].

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 april 2006. Appellant is in persoon verschenen bijgestaan door drs. Donners, voornoemd, en vergezeld door J.T.M. Kerkhoff, voorheen werkzaam bij het CWI te Maastricht. Voor het Uwv is verschenen F.P.L. Smeets, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.




II. OVERWEGINGEN


De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) en de daarop rustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

Appellant is laatstelijk werkzaam geweest als bestuurder van [naam Hotel] en wel tot 28 december 2001, op welke dag hij zich arbeidsongeschikt meldde in verband met psychische klachten. Enig aandeelhouder van deze vennootschap was [naam enig aandeelhouder] Bestuurder van deze vennootschap was [naam bestuurder]. Tot 4 december 2000 was de vader van appellant [naam vader] enig aandeelhouder en bestuurder van laatstgenoemde vennootschap. Hij was ook bestuurder van [naam Hotel]. Op 4 december 2000 is de vader van appellant overleden. In december 2000 hebben de vier kinderen van [naam vader], waaronder appellant, [naam bestuurder] bij notariŽle akten volmacht verleend om de nalatenschap af te wikkelen. Hij werd gemachtigd de nalatenschap onder voorrecht van boedelbeschrijving te aanvaarden en de daartoe bij de rechtbank vereiste verklaring af te leggen. Voorts werd hij gemachtigd alle daden van beheer te verrichten, waaronder het uitoefenen van alle rechten verbonden aan het aandeelhouderschap van de besloten vennootschappen van [naam vader], zoals het benoemen van directeuren en andere functionarissen, echter uitdrukkelijk met uitzondering van het recht om de aandelen op enige manier te vervreemden. [Naam bestuurder] heeft appellant tot bestuurder benoemd van [naam Hotel]. Eind december 2001 was de nalatenschap van [naam vader] nog niet afgewikkeld.

Bij besluit van 13 december 2002 heeft het Uwv geweigerd appellant ingaande 26 december 2002 een uitkering krachtens de WAO toe te kennen op de grond dat hij niet verzekerd is voor deze wet omdat niet wordt voldaan aan de voorwaarden voor het aannemen van een privaatrechtelijke dienstbetrekking. Dit besluit heeft het Uwv gehandhaafd bij besluit van 28 april 2003. Daarbij is gewezen op de Regeling aanwijzing directeur-grootaandeelhouder, gebaseerd op artikel 6, vierde lid, van de WAO.
In artikel 6, eerste lid, aanhef en onder d, van de WAO is bepaald dat als dienstbetrekking niet wordt beschouwd de arbeidsverhouding van de directeur-grootaandeelhouder.
Ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onder d, van voormelde regeling wordt onder een directeur-grootaandeelhouder verstaan de bestuurder van een vennootschap waarvan ten minste tweederde van de aandelen worden gehouden door zijn bloed- of aanverwanten tot en met de derde graad.
Op grond van artikel 3 van de regeling is het Uwv bevoegd, in afwijking van artikel 2, een bestuurder niet als directeur-grootaandeelhouder aan te merken, indien deze door feiten en omstandigheden aantoont daadwerkelijk ondergeschikt te zijn aan de algemene vergaderring van aandeelhouders.

De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het besluit van 28 april 2003 ongegrond verklaard. Daartoe heeft zij het volgende overwogen:
ďDe rechtbank is van oordeel dat verweerder terecht heeft geoordeeld dat eiser niet als werknemer in de zin van de WAO is aan te merken. Daarvoor is het volgende redengevend. De aandelen van [naam Hotel] maken sedert het overlijden van eisers vader in december 2000 deel uit van een onverdeelde boedel. Eiser, [M.G.F. J.], [P.T.M.H. J.] en [N.M.C. J.] zijn ieder gerechtigd tot 25% van elk aandeel. Nu de aandelen echter volledig in handen zijn van eiser en zijn familieleden in de tweede graad, verzet artikel 2, eerste lid, aanhef en sub d, van de Regeling aanwijzing directeur-grootaandeelhouder zich tegen de verzekeringsplicht van eiser. De stelling van eiser dat de vier kinderen het aandelenbezit via een volmacht om de nalatenschap te aanvaarden aan de heer Hoet hebben overgedragen, doet aan het bovenstaande niet af. Ook het betoog dat de vier kinderen daarmee hun stemrecht in de aandeelhoudersvergadering en het aandelenbezit in handen van de heer Hoet hebben gegeven, leidt niet tot een ander oordeel. In dat kader is mede van belang dat de nalatenschap nog niet was aanvaard en dat geen andere verhouding bestaat dan tussen gelijkgerechtigde mede-eigenaren van een onderneming.
Voor de conclusie dat eiser tot [naam Hotel] in een verhouding van ondergeschiktheid werkzaam is, ziet de rechtbank evenmin aanleiding. Eiser heeft weliswaar gedurende de procedure meerdere malen gesteld dat de vier kinderen met elkaar in conflict zijn, maar daarmee heeft hij niet aannemelijk gemaakt dat de familieverhouding geen rol speelt. De rechtbank verenigt zich daarom met de stelling van verweerder dat eiser niet verzekerd is op grond van de WAO.Ē

De Raad volgt de rechtbank hierin niet en overweegt daartoe het volgende.

Voorzover artikel 2, eerste lid, onder d, van de Regeling aanwijzing directeur-grootaandeelhouder al van toepassing is in situaties waarin een nalatenschap onder voorrecht van boedelbeschrijving is aanvaard, vermag de Raad niet in te zien waarom, gelet op de afgegeven volmachten door appellant en zijn broer en zusters aan [naam bestuurder], appellant niet daadwerkelijk ondergeschikt zou zijn geweest aan de algemene vergadering van aandeelhouders in de persoon van [naam bestuurder], die appellant ook tot statutair directeur heeft benoemd van [naam Hotel] [naam bestuurder] was gemachtigd alle daden van beheer te verrichten, in het bijzonder om alle rechten uit te oefenen die aan het aandeelhouderschap in de besloten vennootschapen waren verbonden. Naar het oordeel van de Raad wordt dit niet anders door de door het Uwv gestelde omstandigheid dat appellant de door hem afgegeven volmacht op elk moment kon intrekken. De Raad wijst er hierbij op dat de volmachten bij notariŽle akten zijn afgegeven met het oog op de afwikkeling van de nalatenschap. [naam bestuurder] trad op als vereffenaar van de nalatenschap.

De Raad komt dan ook tot de conclusie dat het Uwv bij zijn besluit van 28 april 2003 onvoldoende heeft gemotiveerd waarom, gelet op de door appellant gestelde feiten en omstandigheden, artikel 3 van de Regeling directeur-grootaandeelhouder niet van toepassing is.

Het vorenstaande brengt met zich dat onder vernietiging van de aangevallen uitspraak het inleidend beroep alsnog gegrond dient te worden verklaard en het besluit van het Uwv van 28 april 2003 dient te worden vernietigd.

De Raad acht tot slot termen aanwezig om het Uwv te veroordelen in de door appellant in eerste aanleg en in hoger beroep gemaakte proceskosten, welke kosten worden begroot op Ä 1.288,- voor verleende rechtsbijstand.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het besluit van 28 april 2003 gegrond en vernietigt dit besluit;
Bepaalt dat het Uwv een nieuw besluit neemt op het bezwaarschrift van appellant met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;
Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant ten bedrage van Ä 1.288,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen het door appellant gestorte griffierecht ten bedrage van Ä 134,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door G. Van der Wiel. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.E. Lysen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 1 juni 2006.

(get.) G. van der Wiel.

(get.) R.E. Lysen.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. sv-plicht | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x