Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   SOCIALEVERZEKERINGSPLICHT
x
LJN:
x
AX8807
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 25-05-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Is er sprake van een gezagsverhouding tussen de zakelijk leider en (het bestuur van) het muziekgezelschap?
 
 
 
 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 05/1684 ALGEM




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellante], gevestigd te [vestigingsplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 1 februari 2005, 03/983 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante,

J.S.M. Breukel, wonende te Groningen (hierna: belanghebbende)

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 25 mei 2006.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellante heeft mr. T.S. Nicolai, advocaat te Groningen, hoger beroep ingesteld.

Belanghebbende heeft de Raad, gelet op artikel 8:26 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), desgevraagd laten weten gebruik te maken van de gelegenheid als partij aan het geding deel te nemen.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben over en weer op elkaars standpunten gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 april 2006, waar voor appellante zijn verschenen mr. Nicolai en [J.H. K.], en waar het Uwv zich niet heeft laten vertegenwoordigen. Belanghebbende is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. L. Rijpkema, advocaat te Groningen.




II. OVERWEGINGEN


Appellante is een muziekgezelschap. Belanghebbende heeft bij appellante als zakelijk leider werkzaamheden verricht die een organisatorisch en financieel karakter droegen.
Over de periode van 1 januari 2002 tot 1 december 2002 heeft belanghebbende bij appellante tevens een bestuursfunctie (secretaris) bekleed.

Bij besluit van 15 april 2003 heeft het Uwv meegedeeld dat belanghebbende vanwege het ontbreken van een gezagsverhouding niet verzekerd is voor de sociale werknemersverzekeringswetten.

Het door belanghebbende tegen het besluit van 15 april 2003 gemaakte bezwaar is bij besluit van 21 augustus 2003 gegrond verklaard. Daartoe is overwogen dat sprake is van een gezagsverhouding, nu belanghebbende met betrekking tot zijn werkzaamheden van de artistiek leider [K.] (hierna: [K.]) aanwijzingen en opdrachten heeft gekregen en hij ook door hem erop werd aangesproken wanneer zijn werkzaamheden niet op juiste wijze waren uitgevoerd. Het Uwv heeft voorts vastgesteld dat de verrichte werkzaamheden een wezenlijk onderdeel van de bedrijfsvoering van appellante vormen en binnen het organisatorische kader van appellante worden verricht, zodat niet aannemelijk is dat de werkzaamheden geheel zonder toezicht of aanwijzingen van appellante kunnen worden verricht. Het Uwv is tevens van oordeel dat ook aan de overige voorwaarden voor het aannemen van een privaatrechtelijke dienstbetrekking is voldaan, te weten de verplichting tot loonbetaling en de verplichting tot persoonlijke arbeidsverrichting.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het besluit van 21 augustus 2003 ingestelde beroep gegrond verklaard en dat besluit vernietigd op de grond dat het Uwv appellante als belanghebbende in de bezwaarprocedure had moeten betrekken en in verband hiermee betrokken partijen in staat had moeten stellen om op elkaars standpunten te reageren. De rechtbank heeft evenwel de rechtsgevolgen van het besluit van 21 augustus 2003 in stand gelaten onder de overweging dat zij het Uwv kan volgen in zijn standpunt dat belanghebbende in een privaatrechtelijke dienstbetrekking tot appellante werkzaam was. Met betrekking tot de aanwezigheid van een gezagsverhouding heeft de rechtbank betekenis gehecht aan artikel 2 van de statuten waaruit volgens haar kan worden opgemaakt dat [K.] een preponderante positie bij appellante heeft ingenomen. De rechtbank is tevens van oordeel dat sprake was van een verplichting tot loonbetaling en een verplichting tot persoonlijke arbeidsverrichting.

Appellante is tegen de aangevallen uitspraak in hoger beroep gekomen voorzover daarbij de rechtsgevolgen in stand zijn gelaten. Tussen partijen is daarbij nog in geschil het antwoord op de vraag of sprake is van een gezagsverhouding tussen (het bestuur van) appellante en belanghebbende.

Met betrekking tot het hoger beroep van appellante overweegt de Raad dat appellante hem er niet van heeft weten te overtuigen dat een gezagsverhouding tussen haar en belanghebbende ontbreekt. De Raad stelt vast dat het bestuur van appellante (mede) ter verkrijging van subsidies van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen en de gemeente Groningen meerjarige beleidsplannen heeft gemaakt, waarin onder meer de activiteiten van appellante worden beschreven. Het bestuur van appellante zal gelet op de subsidieverstrekking gehouden zijn of zich gehouden voelen om op een goede uitvoering van deze beleidsplannen toe te zien. Nu belanghebbende als zakelijk leider hierin een belangrijke en duidelijke taak had, is het naar het oordeel van de Raad niet aannemelijk dat het bestuur aan belanghebbende geen aanwijzingen kon geven betreffende uitvoering van deze werkzaamheden.

De omstandigheid dat belanghebbende over de periode van 1 januari 2002 tot 1 december 2002 bestuurder was van appellante vormt naar het oordeel van de Raad geen beletsel voor het aannemen van een dienstbetrekking. Daarbij kan de Raad zich met het standpunt van het Uwv verenigen dat belanghebbende als zakelijk leider duidelijk van de bestuurstaak te onderscheiden werkzaamheden heeft verricht. De positie van belanghebbende binnen het bestuur was voorts niet van dien aard dat dit aan het aannemen van een gezagsverhouding in de weg staat.

Het vorenstaande brengt mee dat de aangevallen uitspraak - voorzover aangevochten - voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voorzover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door R.C. Schoemaker als voorzitter en G. van der Wiel en N.J. van Vulpen-Grootjans als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van S.H.W. Peeters als griffier, uitgesproken in het openbaar op 25 mei 2006.

(get.) R.C. Schoemaker.

(get.) S.H.W. Peeters.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. sv-plicht | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x