Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   SOCIALEVERZEKERINGSPLICHT
x
LJN:
x
AX8889
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 24-05-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Verzoek om herziening. Geen nieuwe feiten of omstandigheden.
 
 
 
 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 05/2991 ALGEM




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 6 april 2005, 03/1678 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 24 mei 2006.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. A. Bijlsma, werkzaam bij Stichting Rechtsbijstand te Zwolle, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 april 2006, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door A. Bekooy, oud-collega van appellant, en het Uwv zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. M.J. Lustenhouwer, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.




II. OVERWEGINGEN


Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

Bij besluit van 17 oktober 2003 heeft het Uwv gehandhaafd het besluit van 16 januari 2002, waarbij onder toepassing van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het verzoek van appellant om terug te komen van het besluit van 24 december 1998 is afgewezen. Daarbij is onder meer overwogen dat niet gebleken is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden die aanleiding hadden kunnen geven om van het eerdere besluit terug te komen. Het Uwv heeft in het aangevoerde evenmin aanleiding gezien om het besluit van 24 december 1998 voor evident onjuist te houden.

De rechtbank heeft het tegen het besluit van 17 oktober 2003 ingestelde beroep bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank allereerst overwogen dat naar vaste jurisprudentie van de Raad de (evidente) onjuistheid van het oorspronkelijke besluit op zichzelf geen rol meer speelt bij de beantwoording van de vraag of het bestuursorgaan gebruik mag maken van zijn in artikel 4:6 van de Awb neergelegde bevoegdheid.
Voorts heeft de rechtbank overwogen dat zij zich kan verenigen met het oordeel van het Uwv dat niet gebleken is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb. De in beroep naar vorengebrachte stellingen had appellant naar het oordeel van de rechtbank reeds in de bezwaarprocedure tegen het besluit van 24 december 1998 naar voren kunnen brengen. Het beroep van appellant op de uitspraken van de Raad van 2 maart 2005, LJN AT0203 en AT0238, kan volgens de rechtbank niet slagen, omdat de gevallen waarop deze uitspraken zien niet met het onderhavige geval vergelijkbaar zijn.

Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de uitspraak van de rechtbank gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Van degene die een bestuursorgaan verzoekt van een eerder ambthalve genomen besluit terug te komen mag, overeenkomstig is bepaald in artikel 4:6 van de Awb, worden verlangd dat bij dit verzoek nieuw gebleken feiten en veranderde omstandigheden worden vermeld die zulk een terugkomen kunnen rechtvaardigen. Wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, kan het bestuursorgaan het verzoek zonder nader onderzoek afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere besluit. Evenals de rechtbank merkt de Raad op dat de (evidente) onjuistheid van het oorspronkelijke besluit op zichzelf geen beslissende rol meer speelt bij de vraag of toepassing gegeven mag worden aan artikel 4:6 van de Awb.

De Raad kan zich voorts verenigen met het standpunt van het Uwv en de rechtbank dat appellant ter ondersteuning van zijn verzoek om terug te komen van het besluit van 24 december 1998 geen nieuwe of veranderde omstandigheden heeft aangedragen. De omstandigheid dat de brief van appellant van 10 november 1998 bij de rechtsvoorganger van het Uwv is zoekgeraakt, waardoor de bezwaren van appellant omtrent de wijze waarop de stemming op de Algemene Vergadering VFM heeft plaatsgevonden, bij de totstandkoming van het besluit van 24 december 1998 niet zijn meegenomen, is niet aan te merken als nieuw feit. Daarbij merkt de Raad op dat appellant uit de inhoud van het besluit van 24 december 1998 had kunnen opmaken dat bij de oordeelsvorming met zijn bezwaren geen dan wel onvoldoende rekening is gehouden. De vraag of de brief van 10 november 1998 door het Uwv had moeten worden aangemerkt als bezwaarschrift, valt buiten de omvang van dit geschil. Bovendien heeft appellant hierover eerder een procedure gevoerd die met de uitspraak van de rechtbank van 11 juni 2002 is afgerond.

Appellant heeft in hoger beroep nogmaals een beroep gedaan op de uitspraken van de Raad van 2 maart 2005. De Raad is met de rechtbank en op grond van dezelfde overwegingen van oordeel dat het geval van appellant niet vergelijkbaar is met de gevallen waarin de Raad uitspraak heeft gedaan. De Raad merkt daarover nog het volgende op. In de uitspraak van de Raad, LJN AT0238, had de rechtsvoorganger van het Uwv in het besluit op bezwaar ten aanzien van de rechtsgevolgen een expliciet voorbehoud gemaakt. In het besluit van 24 december 1998 is niet een dergelijk voorbehoud gemaakt. De zinsnede dat de thans genomen beslissing geldig blijft zolang er geen wijzingen komen, kan naar het oordeel van de Raad niet als zodanig worden aangemerkt. Aan de in hoger beroep overgelegde resultaten van de onderzoeken die zijn verricht ter uitvoering van de eerdergenoemde uitspraken van de Raad, kan de Raad derhalve niet die betekenis toekennen die appellant daaraan toegekend wenst te zien.

Het vorenstaande heeft tot gevolg dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.C. Schoemaker als voorzitter en G. van der Wiel en N.J. van Vulpen-Grootjans als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van S.W.H. Peeters als griffier, uitgesproken in het openbaar op 24 mei 2006.

(get.) R.C. Schoemaker.

(get.) S.W.H. Peeters.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. sv-plicht | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x