Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   SOCIALEVERZEKERINGSPLICHT
x
LJN:
x
AY3788
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 29-06-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Boeteoplegging in verband met het niet nakomen van de verplichting vervat in artikel 13, derde lid, van het Loonadministratiebesluit (de zogeheten 5%-regeling).
 
 
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 05/6221 ALGEM




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 13 oktober 2005, 05/2520 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 29 juni 2006.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellante is hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad van 18 mei 2006 waar partijen - met voorafgaand schriftelijk bericht - niet zijn verschenen.




II. OVERWEGINGEN


De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Coördinatiewet Sociale Verzekering en de daarop rustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

Bij besluit van 2 maart 2005 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv ongegrond verklaard de bezwaren van appellante tegen het besluit van 1 oktober 2004, waarbij aan appellante een boete ten bedrage € 5.866,13 is opgelegd over het jaar 2002 in verband met het niet nakomen van de verplichting vervat in artikel 13, derde lid, van het Loonadministratiebesluit (de zogeheten 5% regeling).

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven en bepaald dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen het griffierecht aan appellante vergoedt. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen onzorgvuldig heeft gehandeld door het besluit op bezwaar uit te reiken zonder eerst de door appellante op 13 januari 2005 gestelde onjuistheden te beoordelen, maar dat nader onderzoek niet had kunnen leiden tot de vaststelling dat over het premiejaar 2002 de 5%-regeling niet is overtreden.

In hoger beroep heeft appellante, onder verwijzing naar eerder opgelegde, maar vervallen verklaarde boeten, betoogd dat de boete over het jaar 2002 te hoog is vastgesteld.

De Raad kan zich verenigen met het oordeel van de rechtbank en de overwegingen die haar tot dat oordeel hebben geleid. Naar aanleiding van het hoger beroep overweegt de Raad nog het volgende.

Het gaat in onderhavig geding om de uit artikel 10, tweede lid, van de CSV voortvloeiende loonopgaveverplichting van de werkgever, nader geregeld in onder meer artikel 13, derde lid, van het Loonadministratiebesluit. In dit artikellid is bepaald dat de werkgever verplicht is uit eigen beweging het Uwv mededeling te doen van elke verandering in de loonsom gedurende het premiebetalingstijdvak, welke ertoe leidt dat het feitelijke verloonde bedrag met 5%, doch ten minste een bedrag van € 2.269,-- hoger is dan het loonbedrag waarop de voorschotnota is gebaseerd. Bij het opleggen van de boete heeft het Uwv in aanmerking genomen dat appellante voor de derde maal de zogeheten 5%-regeling heeft overtreden, terwijl voorts in de visie van het Uwv de boete in overeenstemming is met het Boetebesluit werkgevers Coördinatiewet Sociale Verzekering en zijn Besluit toepassing bestuurlijke boeten Coördinatiewet Sociale Verzekering 2002.

Uit de gedingstukken blijkt dat aan appellante in het verleden meerdere malen een boete is opgelegd in verband met het overtreden van de 5%-regeling. Over het premiejaar 1999 is aan appellante een boete opgelegd waarbij het uitgangspunt dat het een tweede overtreding betrof in bezwaar is komen te vervallen, zodat ten aanzien van deze boeteoplegging uitgegaan diende te worden van een eerste overtreding en een boeteoplegging niet meer aan de orde was. Over het premiejaar 2000 is aan appellante een boete opgelegd die, anders dan appellante in hoger beroep heeft doen betogen, niet is komen te vervallen bij besluit van 8 november 2002. Gelet hierop is de Raad van oordeel dat het Uwv thans terecht is uitgegaan van een derde overtreding alsmede dat er sprake is van opzet of grove schuld. Ten aanzien van de in hoger beroep geuite grief dat door de handelwijze van het Uwv van gemaakte fouten niet meer geleerd kan worden, merkt de Raad in algemene zin op dat appellante als werkgever geacht moet worden op de hoogte te zijn van de op haar rustende verplichtingen met betrekking tot de loonopgave en meer in het bijzonder dat appellante vanaf het premiejaar 1998 geconfronteerd is met de overtreding van de 5%-regeling, zodat zij reeds geruime tijd van de gevolgen van het niet naleven van deze regeling op de hoogte is.

Gezien het vorenstaande komt de aangevallen uitspraak voorzover aangevochten voor bevestiging in aanmerking.

De Raad ziet geen aanleiding toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.





III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voorzover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.E. Lysen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 29 juni 2006.

(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.

(get.) R.E. Lysen.

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. sv-plicht | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x