Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   SOCIALEVERZEKERINGSPLICHT
x
LJN:
x
AY5199
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 13-07-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Verzekeringsplicht van docenten die werkzaam zijn bij de Vereniging Samenwerkende Leergangen Bedrijfskunde. Is er sprake van een privaatrechtelijke dienstbetrekking?
 
 
 
 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 05/6405 ALGEM




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellante], gevestigd te [woonplaats], (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 13 september 2005, 04/1705 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 13 juli 2006.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellante heeft mr. C.L Koppenol, secretaris/penningmeester van appellante, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met het onderzoek in de gedingen met nummers 05/1853, 05/2432, 05/3347 en 05/3519 ALGEM, plaatsgevonden op 27 april 2006. Daar is voor appellante mr. Koppenol verschenen en heeft het Uwv zich laten vertegenwoordigen door mr. R. Hofland, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. Na de sluiting van het onderzoek ter zitting zijn de gevoegde zaken weer gesplitst. In de hiervoor vermelde zaken wordt afzonderlijk uitspraak gedaan.




II. OVERWEGINGEN


De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de sociale werknemersverzekeringswetten en de daarop rustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

Voor een uitvoeriger overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het vermelden van de volgende, aan de gedingstukken en het verhandelde ter zitting ontleende gegevens

Appellante is op 25 juni 1990 opgericht en is een opleiding voor bedrijfskunde. Blijkens de akte van oprichting stelt zij zich ten doel het bevorderen van na-ervaringsonderwijs op het gebied van de bedrijfskunde en op andere gebieden in de regio Amsterdam. Het bestuur van appellante heeft onder meer tot taak het vaststellen van regels en voorwaarden betreffende het te geven onderwijs en het vaststellen van het studieprogramma van de te geven cursussen. Appellante was aangesloten bij de op 27 september 2001 opgerichte en op 4 oktober 2004 opgeheven Vereniging Samenwerkende Leergangen Bedrijfskunde (VSLB). Op grond van de statuten van de VSLB komen aan het college van rectoren en de algemene vergadering bevoegdheden toe op het gebied van de vaststelling van het gemeenschappelijk studiecurriculum en het studie- en examenreglement van de leergangen. Het college van rectoren kwam enkele malen per jaar bijeen om onder meer de leerdoelen en eindtermen vast te stellen. Appellante heeft een parttime rector in dienst die coŲrdinerende werkzaamheden verricht op organisatorisch gebied, alsmede een parttime secretaresse. Het secretariaat wordt verzorgd door de Kamer van Koophandel.

De leergang bedrijfskunde duurt ruim 2,5 jaar en omvat ťťn lesavond per week. Appellante draagt zorg voor de werving van zowel cursisten als docenten. Als docenten worden ervaren en gekwalificeerde docenten benaderd, die vrijwel zonder uitzondering een hoofdbetrekking hebben bij hogeschool of universiteit of werkzaam zijn in het bedrijfsleven. De docenten geven gemiddeld zes avonden per jaar les. Met inachtneming van de door appellante vastgesteld eindtermen bepalen de docenten zelfstandig de inhoud van het vak, de lesmethode en het studiemateriaal. Het rectoraat stelt het lesrooster vast in overleg met de docenten, waarbij zoveel mogelijk rekening wordt gehouden met de wensen van de docenten. De cursus biedt aansluiting op vervolgonderwijs aan universiteit of hogeschool. Met het oog op de werving van cursisten De leergang heeft erkenning verkregen van de Vereniging van Kamers van Koophandel en Fabrieken (VVK) en van het CEDEO. Voor de evaluatie van de inhoud van de cursus en de wijze van lesgeven maakt appellante gebruik van evaluatieformulieren.

Naar aanleiding van de uitspraak van de Raad van 24 december 1996, LJN ZB6585, in het geding tussen de Stichting Leergang Bedrijfskunde Zuid-Limburg en de rechtsvoorganger van het Uwv is een onderzoek ingesteld naar de verzekeringsplicht van docenten die werkzaam zijn bij de Leergangen Bedrijfskunde, waaronder appellante. In het kader van dit onderzoek heeft het Uwv appellante bij brief van 6 mei 1997 verzocht aan te geven of de feitelijke omstandigheden waaronder de voor appellante werkzame docenten hun werkzaamheden verrichten overeenkomen met de situatie bij de stichting leergang bedrijfskunde Zuid-Limburg en eventuele afwijkende omstandigheden gemotiveerd kenbaar maken. In reactie hierop heeft appellante informatie verstrekt. Vervolgens hebben zowel appellante als een drietal voor appellante werkzame docenten medio 2003 op verzoek van het Uwv aan de hand van door het Uwv verstrekte vragenlijsten gegevens verschaft met betrekking tot de arbeidsverhouding van docenten tot appellante. Verder heeft appellante onder meer de studiebrochure van de Leergang Amsterdam overgelegd en de ďLandelijke eindtermen Bedrijfskunde". Bij besluit van 21 juli 2003 heeft het Uwv aan appellante meegedeeld dat de bij haar werkzame docenten vanaf de aanvang van hun werkzaamheden verzekeringsplichtig zijn voor de werknemersverzekeringen. Dat besluit is na bezwaar gehandhaafd.

De rechtbank heeft het door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard. Zij is van oordeel dat appellante kan worden beschouwd als een professionele onderwijsorganisatie, zodat het Uwv heeft kunnen aannemen dat een gezagsrelatie tussen appellanten de docenten aanwezig was, en dat de verplichting tot loonbetaling en persoonlijke arbeidsverrichting niet worden weersproken. Het beroep van appellante op het vertrouwensbeginsel slaagt naar het oordeel van de rechtbank niet omdat verzekeringsplicht van rechtswege ontstaat en een eventuele schending van algemene beginselen van behoorlijk bestuur daarop geen invloed heeft. Voorts is naar het oordeel van de rechtbank niet gebleken dat een van de docenten van appellante als gastdocent als bedoeld in het beleid van het Uwv is aan te merken.

In de in hoger beroep aangevoerde beroepsgronden heeft de Raad geen grond gevonden voor een andersluidend oordeel dan waartoe de rechtbank is gekomen. De Raad overweegt het volgende.

Appellante heeft zich met een beroep op de hiervoor vermelde uitspraak van de Raad en op een arrest van de Hoge Raad van 14 november 1997, NJ 1998, 149, op het standpunt gesteld dat ook bij commerciŽle instellingen denkbaar is dat er geen gezagsverhouding aanwezig is en dat van belang is wat partijen bij het sluiten van de overeenkomst voor ogen stond. In dat verband heeft appellante opgemerkt dat voor alle docenten de werkzaamheden welke zij voor appellante verrichten nevenactiviteiten betreffen en zij vrijwel allen elders een fulltime aan vervullen dan wel ondernemer zijn.
De Raad merkt hierover op dat de bedoeling van partijen en de wens om geen privaatrechtelijke dienstbetrekking aan te gaan niet doorslaggevend is voor het antwoord op de vraag of sprake is van verzekeringsplicht. Het gaat om de vraag of de arbeidsverhouding gelet op het geheel van feiten en omstandigheden waaronder de werkzaamheden worden verricht voldoet aan de kenmerken van een privaatrechtelijke dienstbetrekking.

Ten aanzien van de in dit verband door appellante nog betwiste aanwezigheid van een gezagsrelatie tussen (het bestuur van) appellante en de docenten overweegt de Raad onder verwijzing naar zijn vaste rechtspraak met betrekking tot de verzekeringsplicht van in het onderwijs werkzame docenten dat appellante een professionele onderwijsinstelling is die opereert op een commerciŽle markt en binnen een gestructureerde organisatie een opleiding bedrijfskunde verzorgt. Hiermee is tevens gegeven dat appellante er belang bij heeft de kwaliteit van de leergang te waarborgen teneinde op de commerciŽle opleidingsmarkt een concurrerend product te kunnen aanbieden. De in de studiegids vermelde erkenning door de VVK en van het CEDEO, welke kennelijk van belang zijn voor potentiŽle cursisten en/of hun werkgevers, illustreert dit. Gezien haar doelstelling is de kerntaak van appellante het bieden van onderwijs, zodat de werkzaamheden van de docenten een essentieel onderdeel vormen van haar bedrijfsvoering. De beschikbare gegevens laten zien dat appellante de docenten gelet op hun expertise een grote mate van vrijheid geeft bij de inrichting van het onderwijs op hun vakgebied, maar wel het organisatorische kader schept waarbinnen dit onderwijs wordt gegeven. Appellante geeft voorts gestalte aan haar verantwoordelijkheid voor het realiseren van haar doelstelling door, al dan niet in samenwerking met de andere leergangen, ook in inhoudelijk opzicht de kaders van de opleiding aan te geven, hetgeen onder meer tot uitdrukking komt in het gemeenschappelijk studie- en examenreglement. De evaluatieformulieren bieden appellante voorts de mogelijkheid om inzicht in het functioneren van de docenten te verkrijgen en om met het oog op de kwaliteit van het onderwijs indien daartoe aanleiding bestaat een docent niet meer te benaderen voor het volgende cursusjaar.

Naar het oordeel van de Raad bieden de hiervoor vermelde en de overige beschikbare gegevens, in onderlinge samenhang bezien, voldoende grondslag voor de vaststelling dat appellante de bevoegdheid heeft om door middel van haar bestuur en het rectoraat daadwerkelijk sturing te geven aan zowel de inrichting als de inhoud van de opleiding, en dat haar daartoe ook instrumenten ter beschikking staan. Hierin ligt tevens besloten dat gezagsuitoefening ten aanzien van de docenten mogelijk is.

Gegeven het oordeel dat sprake is van een privaatrechtelijke dienstbetrekking, kan de grief van appellante, inhoudende dat de rechtbank ten onrechte in haar oordeel niet heeft betrokken dat in haar geval geen grond aanwezig is voor het in artikel 7:610a van het Burgerlijk Wetboek neergelegde rechtsvermoeden van het bestaan van een arbeidsovereenkomst, niet tot een ander oordeel leiden.

Voorzover appellante met haar grief dat het Uwv na de uitspraak van de Raad van 24 december 1996 en de aanvang van het onderzoek heeft stilgezeten tot het vervolgonderzoek in 2003 een beroep beoogt te doen op het vertrouwensbeginsel, slaagt dit niet, reeds omdat verzekeringsplicht van rechtswege ontstaat en algemene beginselen van behoorlijk bestuur hierop niet van invloed zijn. De Raad voegt hieraan nog toe dat het tot de verantwoordelijkheid van een werkgever behoort om te beoordelen of met betrekking tot de voor haar verrichte werkzaamheden sprake is van verzekeringsplichtige arbeid, en dat aan het enkele stilzitten van het bestuursorgaan niet een gerechtvaardigde verwachting kan worden ontleend met betrekking tot de vraag of van verzekeringsplicht sprake is.

Het voorgaande leidt de Raad tot de slotsom dat het hoger beroep niet kan slagen en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door B.J. van der Net als voorzitter en N.J. van Vulpen-Grootjans en H.C. Cusell als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.E. Lysen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 13 juli 2006.

(get.) B.J. van der Net.

(get.) R.E. Lysen.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. sv-plicht | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x