Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   SOCIALEVERZEKERINGSPLICHT
x
LJN:
x
AY5326
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 20-07-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Weigering WW- en ZW-uitkering aangezien betrokkene niet als werknemer in dienstbetrekking wordt aangemerkt en dientengevolge niet verzekerd is voor de WW en de ZW. Terugvordering van ten onrechte betaalde uitkering.
 
 
 
 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 05/3765 ALGEM, 05/3766 ALGEM en 05/3767 ALGEM




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 2 mei 2005, 04/959, 04/960 en 04/1075 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 20 juli 2006.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellante is hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

In navolging van de rechtbank heeft de Raad mr. E.H. de Vries, curator in het faillissement van [BV 2], in de gelegenheid gesteld om als partij aan het geding deel te nemen, van welke gelegenheid hij gebruik heeft gemaakt.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 11 mei 2006, waar appellante in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. O.A. van Oorschot, advocaat te Leeuwarden. Het Uwv - met voorafgaand schriftelijk bericht - en mr. De Vries, voornoemd, zijn niet verschenen.




II. OVERWEGINGEN


De Raad stelt voorop dat het in geding zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Ziektewet (ZW), de Werkloosheidswet (WW) en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde in geding.

Na het faillissement van [naam BV] (hierna [BV 1]), waarvan appellante alle aandelen in het bezit had, is door vijf leden van het managementteam, waaronder appellante, een doorstart gemaakt onder de naam [BV 2] (hierna: [BV 2]). Aandeelhouder van [BV 2] was [BV 3] Deze vennootschap was opgericht door [vennoot 1] en [vennoot 2] die ieder 50% van de aandelen in hun bezit hadden. Appellante is vanaf 1 november 2001 als office manager bij [BV 2] werkzaam geweest. Aanvankelijk heeft appellante deze werkzaamheden verricht via haar eigen vennootschap [BV 3] (hierna: [BV 3]) en heeft zij een managementfee ontvangen. Op aangeven van de boekhouder van [BV 2] is met ingang van 1 januari 2003 met appellante een arbeidsovereenkomst gesloten. Op 3 november 2003 heeft appellante zich arbeidsongeschikt gemeld voor haar werkzaamheden bij [BV 2], terwijl op 19 februari 2004 [BV 2] in staat van faillissement is verklaard. Appellante heeft het Uwv verzocht om de loonbetalingsverplichting ex artikel 61 van de WW over te nemen in welk kader appellante voorschotten verstrekt heeft gekregen.
Bij besluit van 29 april 2004 heeft het Uwv [BV 2] medegedeeld dat terzake van appellante geen premies sociale werknemersverzekeringen verschuldigd zijn aangezien appellante haar werkzaamheden heeft verricht onder omstandigheden en voorwaarden die dusdanig afwijken van de voorwaarden en omstandigheden waaronder de overige personeelsleden werkzaam waren, dat geen sprake is van een dienstbetrekking waarin een gezagsverhouding aanwezig is. In het verlengde hiervan heeft het Uwv bij besluiten van 6 en 26 mei 2004 appellante medegedeeld dat zij niet in aanmerking komt voor een uitkering op grond van artikel 61 van de WW, dan wel een uitkering ingevolge de ZW, aangezien zij niet als werknemer in dienstbetrekking wordt aangemerkt en dientengevolge niet verzekerd is voor de WW en de ZW. Bij besluit van 2 juni 2004 is het aan appellante toegekende voorschot WW van in totaal Ä 13.057,63 (bruto) als zijnde onverschuldigd betaald teruggevorderd.

Bij besluiten van 14 en 16 juli 2004 en 1 september 2004 zijn de bezwaren van appellante ongegrond verklaard. Daartoe heeft het Uwv het volgende overwogen. Appellante heeft haar werkzaamheden voor [BV 2] tot 1 januari 2003 via haar eigen vennootschap [BV 3] verricht, terwijl die werkzaamheden gelijksoortig waren aan de werkzaamheden die appellante voorheen bij [BV 1] verrichtte. Het bedrijfspand waarin eerst [BV 1] en later [BV 2] was gevestigd is middels [BV 3] in eigendom van appellante die het voor Ä 11.000,-- per maand aan [BV 2] verhuurde. Daarnaast heeft appellante zich borg gesteld ten behoeve van [BV 2] voor een bedrag van Ä 45.378,--. Gelet op het vorenstaande heeft het Uwv zich op het standpunt gesteld dat er sprake is geweest van persoonlijke dienstverrichting waarvoor appellante loon heeft ontvangen. Het Uwv acht het echter niet aannemelijk dat sprake is van een reŽle gezagsverhouding tussen appellante en [BV 2] aangezien de door appellante opgedane kennis en ervaring binnen [BV 1] van wezenlijke betekenis is voor [BV 2], terwijl de financiŽle belangen van appellante in [BV 2] in een conflictsituatie hun gelding kunnen hebben. Het ontbreken van een reŽle gezagsverhouding staat er aan in de weg dat er sprake is van een privaatrechtelijke dienstbetrekking welke tot verplichte verzekering ingevolge de ZW, de WW en de WAO leidt.

De rechtbank heeft het standpunt van gedaagde onderschreven en de beroepen ongegrond verklaard. Daarbij heeft zij onder meer van belang geacht dat appellante als zelfstandige heeft geopereerd en voor 100% aandeelhouder was van het bedrijf dat in afgeslankte vorm is voortgezet door [BV 2]. Tevens heeft de rechtbank de financiŽle betrokkenheid van appellante in [BV 2] en het feit appellante verantwoordelijk is voor de inkoop en het bedrijfsbureau van belang geacht voor het antwoord op de vraag of er sprake is van een gezagsverhouding.
Partijen zijn in onderhavige gedingen verdeeld over het antwoord op de vraag appellante vanaf 1 november 2001 tot [BV 2] in een privaatrechtelijke dienstbetrekking heeft gestaan als bedoeld in de artikelen 3 van de ZW, de WW en de WAO. In het bijzonder spitsen de gedingen zich toe op de vraag of appellante onder gezag van [BV 2] heeft gestaan.

De Raad komt tot een andere afweging van de feiten en omstandigheden zoals die naar voren komen dan gedaagde en de rechtbank en overweegt daartoe het volgende.

Naar aanleiding van het door appellante gedane verzoek tot overname van de betalingsverplichting heeft het Uwv een onderzoek gestart naar de verzekeringsplicht van appellante. In dat kader heeft de inspecteur buitendienst onder meer gesproken met de curator van de gefailleerde onderneming. Uit de opgemaakte verslagen blijkt dat de curator van mening is dat appellante [BV 2] feitelijk runde en [vennoot 1]/[vennoot 2] Holding BV als geldschieter fungeerde. Hoewel appellante dit direct en met klem heeft ontkend heeft dit naar het oordeel van de Raad een primerende rol gespeeld in de afweging van de feiten en omstandigheden ter zake van de vraag of hier sprake is van een gezagsverhouding. Gelet op het feit dat appellante geen aandelen bezit in de onderneming, appellante op enig moment op basis van een reguliere arbeidsovereenkomst haar werkzaamheden verricht, uit diverse verslagen en memoís van de onderneming niet blijkt dat appellante een leidende rol binnen de onderneming vervulde, de loonstrookjes waaruit blijkt dat premies sociale verzekeringen alsmede pensioenpremie zijn ingehouden en de verklaringen van [vennoot 1], Boogaard en Spannenburg, waaruit duidelijk naar voren komt wie binnen de onderneming de eindverantwoording had, kan naar het oordeel van de Raad niet volgehouden worden dat appellante haar werkzaamheden niet onder gezag heeft verricht. De Raad merkt daarbij op dat hem niet gebleken is van indicaties die wijzen op frontverandering.

Ten aanzien van de financiŽle verwevenheid van appellante met de onderneming merkt de Raad op dat de persoonlijke gemaximeerde, en in tijd gelimiteerde, borgstelling gezien dient te worden als een schuldbekentenis aan de bank die niet eenzijdig door appellante beŽindigd kan worden en als zodanig geen basis kan zijn voor uitoefening van gezag. De huurovereenkomst die liep voor vijf jaar met een optie voor nog vijf jaar kan niet buitengerechtelijk opgezegd worden, zodat ook hieraan geen gezag ontleend kan worden.

Het vorenoverwogen leidt ertoe dat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en hoger beroep. Die kosten worden begroot op Ä 805,-- voor verleende rechtsbijstand in beroep en op Ä 644,-- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, totaal Ä 1.449,--.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart de beroepen gegrond;
Bepaalt dat het Uwv nieuwe besluiten op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;
Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante tot een bedrag groot Ä 1.449,-- te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het betaalde griffierecht van in totaal Ä 214,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door B.J. van der Net als voorzitter en G. van der Wiel en F.J.L. Pennings als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.E. Lysen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 20 juli 2006.

(get.) B.J. van der Net.

(get.) R.E. Lysen.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. sv-plicht | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x