Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   SOCIALEVERZEKERINGSPLICHT
x
LJN:
x
AY6080
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 03-08-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Zijn betrokkenen verplicht verzekerd op grond van artikel 3 van de sociale werknemersverzekeringswetten? Privaatrechtelijke dienstbetrekking tussen de exploitant van een seksinrichting en prostituees.
 
 
 
 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 06/60 ALGEM




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellante], handelend onder de naam [bedrijfsnaam], gevestigd te [vestigingsplaats], (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 24 november 2005, 05/1082, (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 3 augustus 2006.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellante heeft mr. P.J. Hundscheidt te Breda, als gemachtigde van appellante hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 juli 2006. Appellante is in persoon verschenen met bijstand van mr. Hundscheidt, voornoemd. Het Uwv heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. R.P. Bourne, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.




II. OVERWEGINGEN


De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de sociale werknemersverzekeringswetten, zoals die ten tijde hier van belang luidden.

Appellante heeft een zogenoemd privé-huis waarin een seksinrichting wordt geëxploiteerd in de vorm van een prostitutiebedrijf. Voor de exploitatie van dit bedrijf is ook een vergunning verleend door de Burgemeester van ’s-Hertogenbosch.

Bij appellante heeft op 24 juni 2002 een gezamenlijk bedrijfsbezoek plaatsgevonden door de Belastingdienst en het Uwv. Daarbij is blijkens het van dit bezoek opgemaakte rapport van 16 december 2002 gesproken met de bedrijfsleidster en de vier aanwezige prostituees, terwijl later een gesprek met appellante heeft plaatsgevonden.

Bij besluit van 4 april 2003 heeft het Uwv op grond van de bevindingen van het bedrijfsbezoek de prostituees (hierna: betrokkenen) verplicht verzekerd geacht op grond van artikel 3 van de respectieve sociale werknemersverzekeringswetten.

Dit standpunt is door het Uwv na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 25 oktober 2004 met dien verstande dat de verzekeringsplicht niet eerder ingaat dan op 1 oktober 2000. Blijkens dit besluit stelt het Uwv zich op het standpunt dat aan alle vereisten voor het bestaan van een privaatrechtelijke dienstbetrekking is voldaan.

De rechtbank heeft het beroep van appellante ongegrond verklaard.

Appellante heeft in hoger beroep de aangevallen uitspraak gemotiveerd bestreden, in de zin dat niet aan de vereisten voor de aanwezigheid van een privaatrechtelijke dienstbetrekking is voldaan, waarbij is opgemerkt dat het voormelde rapport van 16 december 2002 rijkelijk is voorzien van onjuiste waarnemingen en conclusies.

Het Uwv heeft zich in verweer aangesloten bij de overwegingen van de rechtbank en meent zijn oordeelsvorming terecht te hebben gebaseerd op het rapport van 16 december 2002.

De Raad overweegt als volgt.

De Raad kan de grief dat het Uwv zijn besluit niet heeft kunnen baseren op voormeld rapport niet honoreren. Het rapport vormt de neerslag van gesprekken die op de werkplek hebben plaatsgevonden met een aantal aanwezige relevante betrokkenen, de bedrijfsleidster, alsmede appellante zelf. Het op deze wijze vergaren van de relevante feiten en omstandigheden ontmoet in de regel geen bezwaar uit bestuursrechtelijk oogpunt. Hier komt nog bij dat het verhandelde ter zitting van de Raad geen enkel aanknopingspunt biedt voor de stelling dat de feiten en omstandigheden anders zijn dan in het rapport vermeld.

Op grond van de onderzoeksgegevens is de Raad tot de overtuiging gekomen dat er ten tijde in geding vanaf 1 oktober 2000 sprake is geweest van een min of meer geordende geïntegreerde organisatie tussen appellante en betrokkenen om enerzijds appellante in staat te stellen haar privé-huis middels kamerverhuur optimaal op basis van werkplanning en toegespitst op snel specifiek gebruik te exploiteren en anderzijds betrokkenen de gelegenheid te bieden hun diensten tegen betaling voor de klanten zo adequaat mogelijk met de nodige sturing en onder toezicht te verlenen.
Die sturing en dat toezicht concretiseerden zich hierin dat uitgesplitste algemene tariefstellingen voor de betrokkenen bestonden die onder meer vooraf aan de klanten kenbaar werden gemaakt voor de verschillende soorten diensten, dat er regulering bestond door inhoudelijke inroostering met werktijden en een gelegaliseerd vergunningsstelsel met toezicht op naleving van de eisen van de algemene politieverordening en het voorkomen van strafbare feiten. Daarnaast bestond er screening op aspecten als nationaliteit en leeftijd van betrokkenen. Daarin vervulde appellante als exploitant onmiskenbaar een betekenende en overheersende rol naar de betrokkenen toe en de condities waaronder zij werkzaam waren en bezat zij als zodanig door middel van de bedrijfsleiding (beheerder) de mogelijkheid tot bijsturing, controle en toezicht van een reguliere werkgever. De zienswijze van appellante als zou haar belang en bemoeienis bij uitstek gelegen zijn in een naastgelegen positie als kamerverhuurder zonder verder geïntegreerd belang bij de activiteiten welke door betrokkenen ontplooid werden, mist zowel gezien de aard van de verrichtingen in haar privé-huis als de totale huisservice inclusief het gebruik van de huiskamer/verzamelruimte alsmede een keuken en badkamer met toiletvoorziening en het aanbieden van gebruikshulpmiddelen benevens gelet op onderscheidene tariefstellingen naar aard van de verrichting volgens de Raad reële grondslag. Zulks ook in het licht van de aard van de verleende vergunning voor exploitatie van een gelegaliseerde seksinrichting als kern van de bedrijfsvoering en de op de werving van zowel klanten als betrokkenen gerichte reclame-uitingen van appellante. Dat betrokkenen vrij waren in hun taakvervulling en het bedingen van hun zelf begunstigende bijkomende condities binnenskamers laat onverlet dat zij toch telkens wanneer zij ingeschakeld werden zich onderhevig stelden aan de algemene regulering en wijze van uitvoering onder toezicht welke voor ieder der betrokkenen gold. De Raad acht daarbij aannemelijk dat ernstige klachten omtrent niet nakoming van gemaakte afspraken tussen betrokkenen en klanten e.a. uiteindelijk bij (de bedrijfsleiding van) appellante terechtkwamen als eindverantwoordelijke voor de goede gang van zaken in haar privé-huis. De Raad acht door een en ander het bestaan van een gezagsrelatie tussen appellante enerzijds en de betrokkenen anderzijds in de zin van artikel 3 van sociale werknemersverzekeringswetten voldoende gegeven. Het standpunt van de Belastingdienst dat sommige betrokkenen als zelfstandige moeten worden beschouwd kan aan deze conclusie geen afbreuk doen.

Tevens acht de Raad een verplichte persoonlijke arbeidsverrichting door betrokkenen genoegzaam vaststaan. Gelet op de specifieke arbeid, het moeten putten uit een beperkte groep welke hiervoor in aanmerking kwam, is willekeurige vervanging van een betrokkene zonder enige invloed van appellante en/of een van haar beheerders ondenkbaar.

Daarenboven kunnen de betalingen op basis van algemene tariefstellingen welke de betrokkenen voor hun diensten ontvingen na aftrek van kamerhuur e.a. aan appellante niet anders worden beschouwd dan als een directe beloning als contraprestatie voor verrichte arbeid, welke niet zonder het organisatorisch kader en de beschikbaar gestelde voorzieningen vanwege appellante als beheerder en werkgever gerealiseerd hadden kunnen worden. De aparte weg waarlangs het betalingsverkeer tussen participanten verliep doet aan het karakter van die betalingen volgens de Raad geen afbreuk. Dit laatste geldt evenzeer voor binnenskamers overeengekomen aanvullende betalingen voor bijkomende verrichtingen.

Nu hierdoor aan alle elementen van een privaatrechtelijke dienstbetrekking in het geval van betrokkenen is voldaan, is het bestaan van verzekeringsplicht van rechtswege te dien aanzien vanaf 1 oktober 2000 een gegeven. Het beroep van appellante op enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur - zoals het gelijkheidsbeginsel - strandt reeds hierop.

Gelet op het vorenstaande slaagt het hoger beroep van appellante niet.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.C. Schoemaker als voorzitter en B.J. van der Net en N.J. van Vulpen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.E. Lysen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 3 augustus 2006.

(get.) R.C. Schoemaker.

(get.) R.E. Lysen.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. sv-plicht | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x