Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   SOCIALEVERZEKERINGSPLICHT
x
LJN:
x
AY6095
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 02-08-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: De echtgenote van een directeur-grootaandeelhouder is niet langer als verplicht verzekerd aangemerkt ingevolge de sociale werknemersverzekeringswetten. Weigering de voor de echtgenote betaalde premies te restitueren.
 
 
 
 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 05/4745 ALGEM




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 21 juni 2005, 04/3644 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

[betrokkene], gevestigd te [vestigingsplaats] (hierna: betrokkene).

Datum uitspraak: 2 augustus 2006.




I. PROCESVERLOOP


Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. P.O.M. van Boven-de Groot, advocaat te Rotterdam, een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 24 mei 2006, waar appellant zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. H.J. Gansekoele, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, en waar namens betrokkene niemand is verschenen.




II. OVERWEGINGEN


Bij besluit van 3 september 2004 heeft appellant de echtgenote van de directeur-grootaandeelhouder van betrokkene (hierna: de echtgenote) met ingang van 1 augustus 2004 niet langer als verplicht verzekerd aangemerkt ingevolge de sociale verzekeringswetten. Voorts heeft appellant geweigerd de voor de echtgenote betaalde premies ingevolge de genoemde wetten over de jaren 1999 tot en met 2003 te restitueren. Bij het bestreden besluit van 29 oktober 2004 heeft appellant voornoemd besluit gehandhaafd.

Betrokkene stelt dat de echtgenote vanaf het moment van aanvang van haar werkzaamheden voor betrokkene op 1 januari 1992 niet verplicht verzekerd was ingevolge de sociale verzekeringswetten, zodat ten onrechte over het aan haar betaalde loon premies ingevolge die wetten is afgedragen.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat appellant zijn standpunt, dat hij niet gehouden is om de premies die eiseres onverschuldigd heeft betaald te restitueren, onvoldoende heeft gemotiveerd en het bestreden besluit vernietigd, met bepalingen omtrent de vergoeding van proceskosten en griffierecht.

De Raad overweegt naar aanleiding van het in hoger beroep door appellant gestelde als volgt.

Appellant heeft met verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 10 december 1998, LJN ZB8322, gesteld dat hij overeenkomstig zijn beleid in beginsel verzekeringsplicht slechts met ingang van een toekomende datum beŽindigt, tenzij sprake is van nalatigheid of onzorgvuldigheid van de kant van appellant. Daarvan is volgens appellant geen sprake, nu de echtgenote in 1992 als verplicht verzekerd is aangemerkt op grond van door betrokkene zelf verstrekte informatie en geen aanleiding bestond te twijfelen aan de juistheid van die informatie. Appellant wijst er voorts op dat betrokkene niet heeft geageerd tegen zijn standpunt dat sprake is van verzekeringsplicht van de echtgenote. Voorts wijst appellant erop het verzekerde risico te hebben gedragen.

De Raad onderschrijft het hiervoor weergegeven standpunt van appellant, dat steun vindt in zijn vaste jurisprudentie. De Raad ziet geen aanleiding voor het oordeel dat sprake is van nalatigheid of onzorgvuldigheid van de zijde van appellant. Daarbij wijst de Raad er nog op dat het primair tot de verantwoordelijkheid van betrokkene als werkgever behoort te beoordelen of sprake is van een premieplichtige arbeidsverhouding. Voorts wijst appellant er terecht op het verzekerde risico te hebben gedragen, nu niet ondenkbaar is dat appellant, in geval van een daartoe strekkende claim, tot uitkering aan de bij hem als verzekerd geregistreerde echtgenote zou zijn overgegaan.

Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep slaagt, zodat als volgt moet worden beslist.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door B.J. van der Net als voorzitter en G. van der Wiel en N.J. van Vulpen-Grootjans als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van C.M.T. Kruls als griffier, uitgesproken in het openbaar op 2 augustus 2006.

(get.) B.J. van der Net.

(get.) C.M.T. Kruls.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. sv-plicht | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x