Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   SOCIALEVERZEKERINGSPLICHT
x
LJN:
x
AY6136
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 03-08-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Is er sprake van een privaatrechtelijke dienstbetrekking ten aanzien van de bij betrokkene werkzame prostituees? Is het onderzoek zorgvuldig uitgevoerd? Werkplanning. Prijslijst. Vergunning.
 
 
 
 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 06/252 ALGEM




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ís-Hertogenbosch van 2 december 2005, 05/1083 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[belanghebbende] h.o.d.n. [bedrijfsnaam], wonende te [woonplaats] (hierna: belanghebbende),

en

appellant.

Datum uitspraak: 3 augustus 2006.




I. PROCESVERLOOP


Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.

Namens belanghebbende heeft mr. M. Hendriks, advocaat te Nijmegen, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 juli 2006, waar belanghebbende in persoon is verschenen, bijgestaan door M. Hendriks, en waar Uwv zich heeft laten vertegenwoordigen door E.I. van Dompselaar en mr. R.P. Bourne.




II. OVERWEGINGEN


De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de sociale werknemersverzekeringswetten, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

Op 21 juni 2002 hebben medewerkers van de Belastingdienst en het Uwv bij belanghebbende gezamenlijk een bedrijfsbezoek in de vorm van een waarneming ter plaatse uitgevoerd, waarvan de bevindingen zijn neergelegd in een rapport van 5 december 2002. Op basis van de bevindingen van het bedrijfsbezoek heeft het Uwv bij besluit van 26 augustus 2003 verplichte verzekering uit hoofde van een privaatrechtelijke dienstbetrekking van de bij belanghebbende werkzame prostituees (hierna: betrokkenen) aangenomen op grond van het bepaalde in de artikelen 3 van de sociale werknemersverzekeringswetten.

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 26 augustus 2003. Vervolgens heeft belanghebbende beroep ingesteld bij de rechtbank tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn bezwaarschrift. Hangende het beroep bij de rechtbank, te weten op 25 januari 2005, heeft het Uwv alsnog het tegen het besluit van 26 augustus 2003 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit - vanwege het ontbreken van een procesbelang - niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep gericht tegen het besluit van 25 januari 2005 heeft de rechtbank - met bepalingen omtrent proceskosten en griffierecht - gegrond verklaard. De rechtbank is van oordeel dat sprake is van een onzorgvuldig onderzoek en dat de beschikbare gegevens onvoldoende basis bieden voor het standpunt dat sprake is van verzekeringsplicht. Daartoe is overwogen dat het onderzoeksrapport van 5 december 2002 uiterst summier is en voorts dat belanghebbende in het kader van het onderzoek niet is gehoord.

Appellant heeft deze uitspraak gemotiveerd bestreden voorzover daarbij het beroep tegen het besluit van 25 januari 2005 gegrond is verklaard.
De Raad kan de rechtbank niet volgen in haar standpunt dat het besluit berust op een onzorgvuldig onderzoek. Daartoe merkt de Raad op dat uit het onderzoeksrapport van 5 december 2002 blijkt dat het Uwv en de Belastingdienst een bedrijfsbezoek bij belanghebbende hebben afgelegd, waarbij is gesproken met drie prostituees en belanghebbende. De ter zitting van de rechtbank naar vorengebrachte stelling van belanghebbende dat niet met haar zou zijn gesproken, acht de Raad niet aannemelijk. Uit de tekst van het onderzoeksrapport kan worden opgemaakt dat belanghebbende antwoorden heeft gegeven op vragen van een medewerker van de Belastingdienst en/of het Uwv. Ook bevat het rapport informatie die uitsluitend door belanghebbende kan zijn verstrekt, waarbij bijvoorbeeld kan worden verwezen naar de informatie die is opgenomen onder de kopjes dagelijkse administratie en verdeling van de omzet. Naar het oordeel van de Raad is voorts sprake van een voldoende zorgvuldig onderzoek, waarop ook in het licht van zijn eerdere vaste jurisprudentie zorgvuldige conclusies ten aanzien van het al dan niet aanwezig zijn van een privaatrechtelijke dienstbetrekking tussen belanghebbende en betrokkenen zijn te grondvesten. Daartoe merkt de Raad op dat uit het onderzoeksrapport blijkt dat de werkwijze en de organisatie van belanghebbende op voor de vaststelling van de verzekeringsplicht relevante onderdelen met belanghebbende en betrokkenen zijn doorgenomen.

De Raad gaat voor de vaststelling van de verzekeringsplicht voorts uit van de juistheid van de onderzoeksbevindingen. De Raad ziet in de in beroep en in hoger beroep overgelegde verklaringen van prostituees, die deels in notariŽle aktes zijn vastgelegd, geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen. De Raad merkt hierover op dat de afgelegde verklaringen weliswaar aanvullende informatie bieden over de werkwijze van belanghebbende, maar niet een dusdanig ander beeld schetsen dat afbreuk wordt gedaan aan de essentie van de onderzoeksbevindingen.

Op grond van de onderzoeksbevindingen is de Raad tot de overtuiging gekomen dat er ten tijde in geding sprake is geweest van een min of meer geordende geÔntegreerde organisatie tussen belanghebbende en betrokkenen om enerzijds eerstgenoemde in staat te stellen haar vestigingen met kamerverhuur optimaal op basis van werkplanning en toegespitst op snel specifiek gebruik te exploiteren en anderzijds betrokkenen de gelegenheid te bieden hun diensten tegen betaling voor klanten zo adequaat mogelijk met de nodige sturing en onder toezicht te verlenen. Die sturing en dat toezicht concretiseerden zich hierin dat er algemene omgangsregels bestonden en dat voor de diensten algemene (minimum) tarieven golden die in de vorm van een prijslijst vooraf aan klanten en betrokkenen kenbaar werden gemaakt. De hoogte van de tarieven was afhankelijk van de duur van het gebruik van de kamer en voor de zogenoemde extraatjes golden er bij belanghebbende bovendien nog speciale tarieven. Daarnaast bestond er regulering om door middel van een planlijst tot inroostering te komen en was belanghebbende op basis van de haar verleende vergunning voor de exploitatie van een seksinrichting verplicht om toezicht te houden op naleving van de eisen van de algemene politieverordening en het voorkomen van strafbare feiten. Betrokkenen werden op basis van deze vergunningseisen gescreend op aspecten als nationaliteit en meerderjarigheid. Daarin vervulde belanghebbende onmiskenbaar een betekenende en overheersende rol naar de betrokkenen toe en de condities waaronder zij werkzaam waren en bezat zij als zodanig de mogelijkheid tot bijsturing, controle en toezicht van een reguliere werkgever. Belanghebbende heeft zich voorts zowel voor werving van klanten als masseuses naar buiten toe gepresenteerd als prostitutiebedrijf en bovendien is aan belanghebbende voor dat doel een vergunning verleend. Ook was bij belanghebbende sprake van een complete huisservice, waarbij gebruik werd gemaakt van een woonkamer, keuken-, bad- en toiletvoorzieningen. Voorts werden de kamers uitsluitend verhuurd aan prostituees voor de duur van hun werkzaamheden. De zienswijze van belanghebbende als zou haar belang en bemoeienis bij uitstek gelegen zijn in een naastgelegen positie als kamerverhuurder zonder verder geÔntegreerd belang bij de activiteiten welke door betrokkenen ontplooid werden, mist gelet op het vorenstaande reŽle grondslag. Dat de prostituees vrij waren in hun taakvervulling en het bedingen van hun zelf begunstigende bijkomende condities binnenskamers laat onverlet dat zij toch telkens wanneer zij ingeschakeld werden zich onderhevig stelden aan de algemene regulering en wijze van uitvoering onder toezicht welke voor ieder van betrokkenen gold. De Raad acht gelet op het vorenstaande het bestaan van een gezagsrelatie tussen belanghebbende enerzijds en betrokkenen anderzijds in de zin van artikel 3 van de sociale werknemersverzekeringswetten voldoende gegeven.

Tevens acht de Raad een verplichte persoonlijke arbeidsverrichting door betrokkenen genoegzaam vaststaan. Reeds gelet zowel op de specifieke arbeid en het mede gelet op de vergunningseisen moeten putten uit een beperkte groep welke hiervoor in aanmerking kwam, is willekeurige vervanging van een van betrokkenen zonder enige invloed van appellante ondenkbaar.

Daarenboven kunnen de betalingen welke de betrokkenen voor hun diensten ontvingen niet anders worden beschouwd dan als een directe beloning in contraprestatie voor verrichte arbeid, welke niet zonder het organisatorisch kader en de beschikbaar gestelde voorzieningen vanwege belanghebbende als werkgever gerealiseerd hadden kunnen worden. De aparte weg waarlangs het betalingsverkeer tussen participanten verliep doet aan het karakter van die betalingen volgens de Raad geen afbreuk. Dit laatste geldt evenzeer voor binnenskamers overeengekomen aanvullende betalingen voor bijkomende verrichtingen.

Uit het vorenstaande volgt dat aan alle elementen van een privaatrechtelijke dienstbetrekking in het geval van betrokkenen is voldaan. De omstandigheid dat de Belastingdienst inzake de aangifte omzetbelasting over het derde kwartaal van 2001 de prostituees (nog) heeft aangemerkt als zelfstandige ondernemer doet hier niet aan af.

Belanghebbende heeft voorts een beroep gedaan op het gelijkheidsbeginsel. Zij ziet grote gelijkenis van haar situatie met die van andere in Den Haag en Venlo gevestigde ondernemingen waarnaar het Uwv en de Belastingdienst onderzoek hebben gedaan, en ten aanzien van welke ondernemingen niet tot verzekeringsplicht is besloten. Dit beroep slaagt reeds niet omdat verzekeringsplicht van rechtswege bestaat, zodat een eventuele schending van algemene beginselen van behoorlijk bestuur daarop geen invloed kan hebben.

In de overigens namens belanghebbende naar voren gebrachte grieven ziet de Raad geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen.

Het vorenstaande heeft tot gevolg dat de aangevallen uitspraak - voorzover aangevochten - voor vernietiging in aanmerking komt en dat het beroep ongegrond dient te worden verklaard.

De Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door R.C. Schoemaker als voorzitter en B.J. van der Net en N.J. Vulpen-Grootjans als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.E. Lysen als griffier, uitgesproken in het openbaar 3 augustus 2006.

(get.) R.C. Schoemaker.

(get.) R.E. Lysen.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. sv-plicht | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x