Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   SOCIALEVERZEKERINGSPLICHT
x
LJN:
x
AY6364
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 03-08-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Is er sprake van een privaatrechtelijke dienstbetrekking tussen de exploitant van een massagesalon en de aldaar werkzame masseuses? Selectie, inroostering en tariefstelling door de exploitant.
 
 
 
 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 05/5727 ALGEM




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank van Amsterdam van 4 augustus 2005, 03/5811 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 3 augustus 2006.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellante heeft A.O. [V.], werkzaam bij [V.] Administratiekantoor te Biddinghuizen, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 juni 2006, waar appellante in persoon is verschenen, bijgestaan door E. Offerhaus, wonende te Hilversum, en waar Uwv zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. H.C. Buist en mr. R.P. Bourne.




II. OVERWEGINGEN


De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de sociale werknemersverzekeringswetten, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

Op 30 juli 2002 hebben medewerkers van de Belastingdienst en het Uwv bij de massagesalon van appellante een bedrijfsbezoek in de vorm van een waarneming ter plaatse uitgevoerd, waarbij is gesproken met appellante en haar boekhouder A.O. [V.]. Tevens zijn twee bij appellante werkzame masseuses ge´nterviewd. Op basis van de bevindingen van het bedrijfsbezoek, die zijn neergelegd in het rapport van 26 september 2002, heeft het Uwv bij besluit van 24 april 2003 verplichte verzekering uit hoofde van een privaatrechtelijke dienstbetrekking van de bij appellante werkzame masseuses (hierna: betrokkenen) aangenomen op grond van het bepaalde in de artikelen 3 van de sociale werknemersverzekeringswetten.

Bij besluit van 30 oktober 2003 heeft het Uwv het besluit van 24 april 2003 gehandhaafd.
Het Uwv heeft een gezagsverhouding aanwezig geacht, waarbij onder meer is overwogen dat de verrichte werkzaamheden een essentieel onderdeel van de bedrijfsvoering van appellante vormen en binnen het organisatorische kader van appellante worden verricht. Andere aspecten die het Uwv aanleiding hebben gegeven om een gezagsverhouding aan te nemen zijn de gehoudenheid van betrokkenen om op de afgesproken tijdstippen te komen werken, de bemoeienis van appellante met de door betrokkenen verrichte werkzaamheden in de zin dat van zogenoemd intiem contact tussen betrokkenen en klanten geen sprake mocht zijn en de bij appellante geldende kledingvoorschriften.
De verplichting tot persoonlijke arbeidsverrichting heeft het Uwv afgeleid uit de aard van de werkzaamheden en de wijze waarop deze worden verricht. In dit verband is tevens opgemerkt dat vervanging van personeel bij appellante nog nooit was voorgekomen. De voor de massages ontvangen gelden zijn door het Uwv aangemerkt als loon voor de door de masseuses persoonlijk verrichte werkzaamheden op grond waarvan een verplichting tot loonbetaling ook aanwezig is geacht.
De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het tegen het besluit van 30 oktober 2003 ingestelde beroep ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank het standpunt van het Uwv gevolgd dat ten aanzien van betrokkenen verzekeringsplicht dient te worden aangenomen.

Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

De Raad is allereerst van oordeel dat het Uwv bij de beoordeling van de verzekeringsplicht van betrokkenen heeft kunnen uitgaan van de juistheid van de in het onderzoeksrapport van 26 september 2002 weergegeven feiten en omstandigheden. De in hoger beroep naar voren gebrachte stelling dat deze feiten en omstandigheden niet juist zijn, heeft appellante niet nader gemotiveerd en is bovendien in tegenspraak met hetgeen appellante in de bezwaar- en de beroepsprocedure naar voren heeft gebracht omtrent de bij haar geldende werkwijze. De daarin geschetste werkwijze spoort op veel punten met hetgeen hierover in het rapport van 26 september 2002 is vermeld.

Op grond van de onderzoeksgegevens is de Raad tot de overtuiging gekomen dat er ten tijde in geding sprake is geweest van een min of meer geordende ge´ntegreerde organisatie tussen belanghebbende en betrokkenen om enerzijds eerstgenoemde in staat te stellen haar vestigingen met kamerverhuur optimaal op basis van werkplanning en toegespitst op snel specifiek gebruik te exploiteren en anderzijds betrokkenen de gelegenheid te bieden hun diensten tegen betaling voor klanten zo adequaat mogelijk met de nodige sturing en onder toezicht te verlenen. Die sturing en dat toezicht concretiseerden zich hierin dat er algemene huisregels en werkafspraken bestonden en dat voor onderscheidene diensten algemene tarieven golden die in een prijzenboek waren opgenomen en die vooraf aan klanten en betrokkenen kenbaar werden gemaakt. Bovendien bestond er regulering door inhoudelijke inroostering met werktijden en was appellante op basis van de vergunning verplicht om toezicht te houden op naleving van de eisen van de algemene politieverordening en het voorkomen van strafbare feiten. Appellante was op basis hiervan verplicht om betrokkenen te screenen op aspecten als nationaliteit en meerderjarigheid van betrokkenen. Daarin vervulde appellante onmiskenbaar een betekenende en overheersende rol naar de betrokkenen toe en de condities waaronder zij werkzaam waren, en bezat zij als zodanig de mogelijkheid tot bijsturing, controle en toezicht van een reguliere werkgever. Uit de gehanteerde regel dat geen sprake mocht zijn van zogenoemd intiem contact kan tevens worden opgemaakt dat appellante bemoeienis had met de inhoud van de werkzaamheden van betrokkenen. Appellante heeft zich voorts zowel voor werving van klanten als masseuses naar buiten toe gepresenteerd als massagesalon en bovendien is aan appellante een vergunning verleend voor exploitatie van een seksinrichting als kern van de bedrijfsvoering. Ook worden bij appellante de kamers uitsluitend verhuurd op het moment dat deze worden gebruikt voor een massage, waarbij de hoogte van de huur ook nog afhankelijk is van de aard van de massage. De zienswijze van appellante als zou haar belang en bemoeienis bij uitstek gelegen zijn in een naastgelegen positie als kamerverhuurder zonder verder ge´ntegreerd belang bij de activiteiten welke door betrokkenen ontplooid werden, mist gelet op het vorenstaande reŰle grondslag. Dat de prostituees - behoudens de afspraak om geen intiem contact met klanten te hebben - vrij waren in hun taakvervulling en het bedingen van hun zelf begunstigende bijkomende condities binnenskamers laat onverlet dat zij toch telkens wanneer zij ingeschakeld werden zich onderhevig stelden aan de algemene regulering en wijze van uitvoering onder toezicht welke voor ieder van betrokkenen gold. De Raad acht voorts aannemelijk dat ernstige klachten omtrent de niet nakoming van gemaakte afspraken tussen betrokkenen en klanten uiteindelijk bij appellante terechtkwamen als eindverantwoordelijke voor de goede gang van zaken in haar massagesalon. De Raad acht gelet op het vorenstaande het bestaan van een gezagsrelatie tussen belanghebbende enerzijds en betrokkenen anderzijds in de zin van artikel 3 van de sociale werknemersverzekeringswetten voldoende gegeven.

Tevens acht de Raad een verplichte persoonlijke arbeidsverrichting door betrokkenen genoegzaam vaststaan. Reeds gelet zowel op de specifieke arbeid, het screenen of een betrokkene voor zulk een arbeid geschikt was aan de hand van een intakegesprek, het moeten putten uit een beperkte groep welke hiervoor in aanmerking kwam, is willekeurige vervanging van een van betrokkenen zonder enige invloed van appellante ondenkbaar.

Daarenboven kunnen de betalingen op basis van algemene tariefstellingen welke de betrokkenen voor hun diensten ontvingen na aftrek van kamerhuur aan belanghebbende niet anders worden beschouwd dan als een directe beloning in contraprestatie voor verrichte arbeid, welke niet zonder het organisatorisch kader en de beschikbaar gestelde voorzieningen vanwege appellante als werkgever gerealiseerd hadden kunnen worden. De aparte weg waarlangs het betalingsverkeer tussen participanten verliep doet aan het karakter van die betalingen volgens de Raad geen afbreuk. Dit laatste geldt evenzeer voor binnenskamers overeengekomen aanvullende betalingen voor bijkomende verrichtingen.

Nu hierdoor aan alle elementen van een privaatrechtelijke dienstbetrekking in het geval van betrokkenen is voldaan, is het bestaan van verzekeringsplicht van rechtswege te dien aanzien vanaf 1 oktober 2000 een gegeven. Het beroep van belanghebbende op enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur - zoals het zorgvuldigheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel - strandt reeds hierop.

Het vorenstaande heeft tot gevolg dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.C. Schoemaker als voorzitter en B.J. van der Net en N.J. Vulpen-Grootjans als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.E. Broekman als griffier, uitgesproken in het openbaar op 3 augustus 2006.

(get.) R.C. Schoemaker.

(get.) P.E. Broekman.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. sv-plicht | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

ę Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x