Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   SOCIALEVERZEKERINGSPLICHT
x
LJN:
x
AY6374
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 03-08-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Is er sprake van een privaatrechtelijke dienstbetrekking tussen de exploitant van een erotische massagesalon en de aldaar werkzame masseuses? Getuigenonderzoek. Inroostering. Richtprijzen. Vertrouwensbeginsel.
 
 
 
 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 05/4223 ALGEM




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellante], gevestigd te [vestigingsplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ĺs-Hertogenbosch van 27 mei 2005, 03/2457 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 3 augustus 2006.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellante heeft mr. T.G.M. Scheers, advocaat te Roermond, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 1 juni 2006, waar voor appellant is verschenen G.J.W.G. [R.], exploitant van appellante, bijgestaan door mr Scheers, en waar het Uwv zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. S. Staal en mr. R.P. Bourne. Als namens appellante meegebrachte getuigen zijn gehoord I. [A.], M.A. [D.], C.P.M. [v.d. W.], A.I. [N.], J.P.A. [S.], G. [v.d. W.], C.M. [P.] [P.] en M.J.H. [G.]. Tevens is namens appellante als getuige-deskundige meegebracht I. [M.] (hierna: [M.]).




II. OVERWEGINGEN


De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de sociale werknemersverzekeringswetten, zoals die luidden ten tijde hier van belang.

Appellante exploiteert een erotische massagesalon. De Belastingdienst en het Uwv hebben op 13 juni 2002 een bedrijfsbezoek in de vorm van een waarneming ter plaatse bij appellante afgelegd, waarvan de resultaten zijn neergelegd in het rapport van 5 december 2002. Tijdens het bedrijfsbezoek is gesproken met een van de exploitanten van appellante en drie masseuses. Bij dit onderzoek is geconstateerd dat er in de verhuurde kamers van appellante bedrijfsmatige diensten worden verleend door masseuses (hierna: betrokkenen).

Bij besluit van 14 april 2003 heeft het Uwv op grond van de bevindingen van het bedrijfsbezoek met ingang van de datum van indiensttreding verplichte verzekering uit hoofde van een privaatrechtelijke dienstbetrekking van betrokkenen aangenomen op grond van artikel 3 van de sociale werknemersverzekeringswetten. Daarbij heeft het Uwv vastgesteld dat in de arbeidsrelatie tussen appellante en betrokkenen sprake is van een verplichting tot persoonlijke arbeidsverrichting, een loonbetalingsverplichting en een gezagsverhouding.

Het Uwv heeft bij besluit van 1 augustus 2003 dit standpunt gehandhaafd en het tegen het besluit van 14 april 2003 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het besluit van 1 augustus 2003 ingestelde beroep ongegrond verklaard, waarbij het standpunt van het Uwv dat sprake is van een dienstbetrekking als bedoeld in artikel 3 van de sociale werknemersverzekeringswetten is gevolgd.

In hoger beroep heeft appellante de juistheid van het oordeel van de rechtbank bestreden. Ter ondersteuning van haar standpunt dat geen sprake is van een dienstbetrekking heeft appellante een verslag van een door [M.] uitgevoerd onderzoek van 4 mei 2006 overgelegd en haar tevens ter zitting van de Raad als getuige-deskundige een verklaring laten afleggen. Tevens heeft appellante ter zitting van de Raad getuigen meegebracht, welke door de Raad zijn gehoord. Het ging hier om masseuses, een bedrijfsleider en een receptioniste die bij appellante werkzaamheden hadden verricht of nog verrichten, alsook een klant van appellante.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

In de afgelegde (getuigen)verklaringen, het ingebrachte rapport van [M.] en de aangevoerde grieven ziet de Raad onvoldoende grond voor het standpunt van appellante dat het Uwv bij zijn beoordeling van de verzekeringsplicht niet heeft mogen uitgaan van het onderzoeksrapport van 5 december 2002. Daartoe merkt de Raad op dat de door de getuigen en [M.] afgelegde verklaringen weliswaar aanvullende informatie bieden over de werkwijze van appellante, maar niet een dusdanig van het onderzoeksrapport afwijkend beeld schetsen dat afbreuk wordt gedaan aan de essentie van de onderzoeksbevindingen. Daarenboven stelt de Raad vast dat de in het onderzoeksrapport geschetste werkwijze in grote lijnen door appellante in de bezwaarfase is onderschreven.

Op basis van het rapport van 5 december 2002 is de Raad tot de overtuiging gekomen dat er ten tijde in geding bij appellante sprake is geweest van een min of meer geordende ge´ntegreerde organisatie tussen belanghebbende en betrokkenen om enerzijds eerstgenoemde in staat te stellen haar vestigingen met kamerverhuur optimaal op basis van werkplanning en toegespitst op snel specifiek gebruik te exploiteren en anderzijds betrokkenen de gelegenheid te bieden hun diensten tegen betaling voor klanten zo adequaat mogelijk met de nodige sturing en onder toezicht te verlenen. Die sturing en dat toezicht concretiseerden zich hierin dat er bij appellante naar soort massage uitgesplitste richtprijzen golden die vooraf aan de klanten en betrokkenen kenbaar waren gemaakt en dat er regulering bestond door inhoudelijke inroostering met verschillende diensten die een aanvang namen op verschillende specifiek aangeduide tijden, waarvan alleen dan kon worden afgeweken na betaling van een boete. Daarnaast gold ten aanzien van appellante een vergunningstelsel met toezicht op naleving van de eisen van de algemene politieverordening en het voorkomen van strafbare feiten. Appellante was op basis hiervan verplicht om betrokkenen te screenen op aspecten als nationaliteit en meerderjarigheid van betrokkenen. Daarin vervulde appellante onmiskenbaar een betekenende en overheersende rol naar de betrokkenen toe en de condities waaronder zij werkzaam waren en bezat zij als zodanig de mogelijkheid tot bijsturing, controle en toezicht van een reguliere werkgever. Appellante heeft zich voorts zowel voor werving van klanten als masseuses naar buiten toe gepresenteerd als (erotische) massagesalon en bovendien is aan haar een vergunning verleend voor exploitatie van een gelegaliseerde seksinrichting als kern van de bedrijfsvoering. Ook worden de kamers uitsluitend verhuurd op het moment dat deze worden gebruikt voor een massage, waarbij de hoogte van de huur ook nog afhankelijk is van de aard van de massage. De zienswijze van appellante als zou haar belang en bemoeienis bij uitstek gelegen zijn in een naastgelegen positie als kamerverhuurder zonder verder ge´ntegreerd belang bij de activiteiten welke door betrokkenen ontplooid werden, mist gelet op het vorenstaande reŰle grondslag. Dat de prostituees vrij waren in hun taakvervulling en het bedingen van hun zelf begunstigde bijkomende condities (zoals bijvoorbeeld de hoogte van de prijs) laat onverlet dat zij toch telkens wanneer zij ingeschakeld werden zich onderhevig stelden aan de algemene regulering en wijze van uitvoering onder toezicht welke voor een ieder van betrokkenen gold. De Raad acht in het vorenstaande voldoende grond aanwezig om tot een gezagsrelatie tussen appellante en betrokkenen in de zin van de artikelen 3 van de sociale werknemersverzekeringswetten te concluderen.

Tevens acht de Raad een verplichte persoonlijke arbeidsverrichting door betrokkenen genoegzaam vaststaan. Gelet zowel op de specifieke arbeid en het - mede gelet op de vergunningseisen - moeten putten uit een beperkte groep welke hiervoor in aanmerking kwam, is willekeurige vervanging van een betrokkenen zonder enige invloed van de beheerder van appellante ondenkbaar.

Daarenboven kunnen de betalingen op basis van algemene richtprijzen welke betrokkenen voor hun diensten ontvingen na aftrek van kamerhuur aan appellante niet anders worden beschouwd dan als een directe beloning in contraprestatie voor verrichte arbeid, welke niet zonder het organisatorisch kader en de beschikbaar gestelde voorzieningen vanwege appellante als werkgever gerealiseerd hadden kunnen worden. De aparte weg waarlangs het betalingsverkeer tussen participanten verliep doet aan het karakter van die betalingen volgens de Raad geen afbreuk. Dit laatste geldt evenzeer voor binnenskamers overeengekomen aanvullende betalingen voor bijkomende verrichtingen.

Het beroep van appellante op de uitspraak van de Raad van 18 februari 1999, gepubliceerd in RSV 1999/152 slaagt reeds niet omdat die zaak betrekking heeft op in een sauna werkzame masseurs. Appellantes situatie is daarmee niet vergelijkbaar.

Naar aanleiding van het namens appellante ingenomen standpunt dat betrokkenen als zelfstandigen dienen te worden aangemerkt, wijst de Raad er op dat een eventuele zelfstandigheid van betrokkenen niet aan het bestaan van een privaatrechtelijke dienstbetrekking met appellante in de weg staat, nu alle vereiste elementen van een privaatrechtelijke dienstbetrekking in de arbeidsverhouding tussen appellante en betrokkenen aanwezig zijn.

Appellante heeft een beroep gedaan op het vertrouwensbeginsel. Zij is van mening dat zij aan de resultaten van in 1997 en 1999 door het Uwv en de Belastingdienst verrichte onderzoeken de gerechtvaardigde verwachting kon ontlenen dat geen privaatrechtelijke dienstbetrekking zou worden aangenomen indien en zolang de bedrijfsvoering geen wijziging zou ondergaan. De Raad merkt hierover allereerst op dat verzekeringsplicht van rechtswege bestaat zodat een eventuele schending van het vertrouwensbeginsel daarop geen invloed heeft. Eerst bij een besluit over de vaststelling en/of heffing van de premie kan aan dat beginsel worden getoetst. De Raad merkt volledigheidhalve hierover op dat de door appellante genoemde onderzoeken zijn uitgevoerd vˇˇr de opheffing van het bordeelverbod per 1 oktober 2000, zodat reeds hierom geen sprake is van een ongewijzigde situatie.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.C. Schoemaker als voorzitter en B.J. van der Net en N.J. van Vulpen-Grootjans als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.E. Broekman als griffier, uitgesproken in het openbaar op 3 augustus 2006.

(get.) R.C. Schoemaker.

(get.) P.E. Broekman.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. sv-plicht | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

ę Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x