Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   SOCIALEVERZEKERINGSPLICHT
x
LJN:
x
AY7710
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 31-08-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Inleners. Het UWV heeft het bestaan van een privaatrechtelijke dienstbetrekking aangenomen omdat is voldaan aan de voorwaarden van artikel 7:610 van het BW en er sprake is van een uitzendovereenkomst als bedoeld in artikel 7:690 van het BW. Oplegging van correctie- en boetenota's.
 
 
 
 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 05/6954 ALGEM




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 7 november 2005, 05/451 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[belanghebbende], gevestigd te [vestigingsplaats] (hierna: belanghebbende),

en

appellant.

Datum uitspraak: 31 augustus 2006.




I. PROCESVERLOOP


Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.

Namens belanghebbende heeft, drs. J.C.M. Smits, werkzaam bij Ernst & Young Belastingadviseurs te Eindhoven, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft op 6 juli 2006 plaatsgevonden. Appellant heeft zich, hoewel daartoe vanwege de Raad opgeroepen, niet laten vertegenwoordigen. Voor belanghebbende is verschenen N. van Erven, werkzaam als interim manager detacheringen bij belanghebbende, bijgestaan door drs. Smits.




II. OVERWEGINGEN


Blijkens het zich onder de gedingstukken bevindende uittreksel uit het handelsregister luidt de bedrijfsomschrijving van appellant: het leveren van diensten en adviezen op het gebied van administraties en administratieve organisatie, het detacheren van administrateurs, het uitvoeren van interim-managementopdrachten, het leveren van diensten op alle met het voorgaande samenhangende gebieden, het oprichten van en deelnemen in andere vennootschappen.

Tijdens een bij belanghebbende uitgevoerde looncontrole heeft appellant geconstateerd dat aan derden (hierna betrokkenen) betalingen zijn verricht inzake door betrokkenen bij opdrachtgevers van belanghebbende uitgevoerde werkzaamheden. Ten aanzien van betrokkenen heeft appellant verzekeringsplicht aangenomen op grond van artikel 3 van de sociale werknemersverzekeringswetten. Omdat belanghebbende over de betalingen aan betrokkenen geen premies had afgedragen, heeft appellant correctienota’s over de jaren 1998 tot en met 2001 en boetenota’s over de jaren 2000 en 2001 opgelegd.

Belanghebbende heeft tegen de correctienota’s en boetenota’s bezwaar gemaakt. Naar aanleiding daarvan is een aanvullend onderzoek ingesteld bij één van de betrokkenen, [betrokkene 1], en één van de opdrachtgevers, [opdrachtgever 1]. De resultaten van deze onderzoeken zijn neergelegd in de rapporten van 4 februari 2004 en 5 maart 2004.

Bij brief van 18 februari 2004 heeft belanghebbende beroep ingesteld bij de rechtbank tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn bezwaarschrift. Hangende het beroep bij de rechtbank, te weten op 23 maart 2004, heeft het Uwv alsnog een besluit genomen en de tegen de correctie- en boetenota’s gemaakte bezwaren ongegrond verklaard. Daartoe is overwogen dat voldaan is aan de voorwaarden van artikel 7:610 van het Burgerlijk Wetboek (BW), zodat sprake is van een privaatrechtelijke dienstbetrekking. Tevens is volgens appellant sprake van een uitzendovereenkomst als bedoeld in artikel 7:690 van het BW.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit - vanwege het ontbreken van een procesbelang - niet-ontvankelijk verklaard en appellant veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende. Het beroep gericht tegen het besluit van 23 maart 2004 heeft de rechtbank - met bepalingen omtrent griffierecht en proceskosten - gegrond verklaard. De rechtbank heeft het onderzoek van appellant naar de werkzaamheden van betrokkenen onzorgvuldig geacht, nu uitsluitend de werkzaamheden van [betrokkene 1] door appellant zijn onderzocht. Voorts is op grond van de beschikbare stukken voor de rechtbank niet komen vast te staan dat sprake is van een gezagsverhouding tussen belanghebbende en betrokkenen.

Appellant heeft deze uitspraak in hoger beroep gemotiveerd bestreden voorzover daarbij in het kader van het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit een proceskostenveroordeling is uitgesproken en het beroep tegen het besluit van 23 maart 2004 gegrond is verklaard. Met betrekking tot de gegrondverklaring van het beroep heeft appellante aangevoerd dat de resultaten van de onderzoeken bij [betrokkene 1] en [opdrachtgever 1] representatief zijn voor wijze waarop betrokkenen bij belanghebbende hebben gewerkt, zodat nadere onderzoeken bij andere betrokkenen en opdrachtgevers, volgens appellant, niet opportuun is. Appellant stelt zich voorts op het standpunt dat in het onderhavige geval sprake is van een gezagsrelatie zoals bedoeld in artikel 7:690 van het BW. Daarbij stelt appellant vast dat de rechtbank de arbeidsverhouding tussen belanghebbende en betrokkenen ten onrechte niet aan dit artikel heeft getoetst. Met betrekking tot de veroordeling van appellant in de proceskosten is aangevoerd dat het uitblijven van een besluit op bezwaar appellant niet is te verwijten, zodat de rechtbank ten onrechte is overgegaan tot een vergoeding van deze kosten.

Terzake van de verzekeringsplicht van betrokkenen stelt de Raad allereerst vast dat betrokkenen op basis van daartoe tussen inleners en belanghebbende gesloten overeenkomsten door belanghebbende ter beschikking zijn gesteld teneinde krachtens opdracht van de inleners in hun ondernemingen arbeid te verrichten, zodat sprake is van arbeidsverhoudingen waarbij drie partijen zijn betrokken. Op grond van de stukken is tevens voldoende komen vast te staan dat de ter beschikking stelling van arbeidskrachten aan derden is geschied in het kader van de bedrijfsuitoefening van belanghebbende, zodat in zoverre is voldaan aan de voorwaarden voor het bestaan van een uitzendovereenkomst als bedoeld in artikel 7:690 van het BW. Volgens vaste jurisprudentie brengt dit mee dat voor de beantwoording van de vraag of binnen deze driepartijen relaties sprake is van een privaatrechtelijke dienstbetrekking moet worden gelet op de artikelen 7:610 en 7:690 van het BW, welke in hun onderlinge samenhang in aanmerking moet worden genomen.

Een privaatrechtelijke dienstbetrekking wordt naar vaste rechtspraak aanwezig geacht, indien is voldaan aan drie vereisten, te weten: een verplichting tot persoonlijke arbeidsverrichting, een verplichting tot loonbetaling en het bestaan van een gezagsverhouding. De vraag of is voldaan aan deze vereisten moet worden beantwoord aan de hand van de feitelijke omstandigheden waaronder de werkzaamheden worden verricht. In geval van een uitzendsituatie moeten genoemde kenmerkende elementen van een arbeidsovereenkomst worden gevonden binnen de driepartijen relatie welke kenmerkend is voor een uitzendovereenkomst.

De Raad merkt hierover allereerst op dat het oordeel van de rechtbank dat een gezagsverhouding tussen belanghebbende en betrokkenen als bedoeld in artikel 7:610 van het BW op grond van de beschikbare stukken niet kan worden vastgesteld in hoger beroep niet door appellant is betwist. Deze omstandigheid en het feit dat artikel 7:690 van het BW met ingang van 1 januari 1999 in werking is getreden, brengen reeds mee dat het besluit van 23 maart 2004 voorzover daarbij de correctienota’s over het jaar 1998 in stand zijn gelaten, terecht is vernietigd.

Op grond van artikel 7:690 van het BW is van beslissende betekenis de vraag of betrokkenen hun werkzaamheden hebben verrichten onder toezicht en leiding van de inleners. Het standpunt dat betrokkenen onder leiding en toezicht van de inleners werkzaam zijn geweest heeft appellant gebaseerd op de resultaten van de onderzoeken bij [betrokkene 1] en [opdrachtgever 1]. Verdergaand onderzoek acht appellant niet nodig omdat uit de stukken kan worden opgemaakt dat alle betrokkenen onder dezelfde omstandigheden werkzaam waren. De Raad kan appellant hierin niet volgen. Op basis van de stukken kan naar het oordeel van de Raad niet worden vastgesteld of betrokkenen onder leiding en toezicht van de inleners hebben gewerkt. De stukken bieden de Raad geen informatie over de aard van de ondernemingen waar betrokkenen zijn geplaatst, de aard en inhoud van de door betrokkenen verrichte werkzaamheden en de afspraken die met de inleners over de te verrichte werkzaamheden zijn gemaakt. Op grond van het looncontrolerapport van 4 april 2003 stelt de Raad voorts vast dat niet alleen administratief personeel, maar ook personeel dat gespecialiseerd is op het gebied van automatisering en Human Resources Management, bij inleners zijn te werk gesteld. Het is gelet op deze specialismen zonder nadere informatie niet als vanzelfsprekend aan te nemen dat de werkzaamheden onder leiding en toezicht van de inlener zijn uitgevoerd. Dit geldt overigens ook voor de administratieve werkzaamheden, waarbij afhankelijk van de feitelijke situatie al of niet leiding en toezicht kan worden vastgesteld. Voor de Raad is gelet op het vorenstaande derhalve niet komen vast te staan dat tussen betrokkenen en de inleners sprake is van een gezagsverhouding als bedoeld in artikel 7:690 van het BW. Het besluit van 23 maart 2004 berust op dit punt op een onvoldoende feitelijke grondslag.

Met betrekking tot de omstandigheid dat de rechtbank in het kader van het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit een proceskostenveroordeling heeft uitgesproken, stelt de Raad allereerst vast dat appellant de wettelijke beslistermijn heeft overschreden. De rechtbank is in dat geval op grond van de in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht bevoegd om appellant te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van haar beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit redelijkerwijs heeft moeten maken. Dit zou anders zijn indien het niet tijdig nemen van een besluit appellant niet kan worden verweten. Hiervan is naar het oordeel van de Raad geen sprake, reeds nu appellant na de hoorzitting op 16 september 2003 - zonder een verontschuldigbare reden - een periode van bijna drie maanden heeft laten verstrijken alvorens over te gaan tot het instellen van een nader onderzoek.

Het vorenstaande betekent dat het hoger beroep van appellant niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak - met verbetering van gronden - voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad ziet aanleiding om appellant te veroordelen in de proceskosten van belanghebbende. Deze kosten worden begroot op € 644,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;
Veroordeelt appellant in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 644,--, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

Deze uitspraak is gedaan door R.C. Schoemaker als voorzitter en B.J. van der Net en N.J. van Vulpen-Grootjans als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.E. Lysen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 31 augustus 2006.

(get.) R.C. Schoemaker.

(get.) R.E. Lysen.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. sv-plicht | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x