Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   SOCIALEVERZEKERINGSPLICHT
x
LJN:
x
AY7713
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 31-08-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Privaatrechtelijke dienstbetrekking van koks. Berekening van het premieloon. Schending van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM.
 
 
 
 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 05/6874 ALGEM en 05/6905 ALGEM




U I T S P R A A K




op de hoger beroepen van:

1. de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv),
2. [belanghebbende], gevestigd te [vestigingsplaats] (hierna: belanghebbende),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 20 oktober 2005, 03/4720 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

belanghebbende

en

Uwv.

Datum uitspraak: 31 augustus 2006.




I. PROCESVERLOOP


Het Uwv en belanghebbende hebben hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.

Vervolgens hebben zij over en weer verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft op 6 juli 2006 plaatsgevonden. Partijen zijn vanwege de Raad opgeroepen aldaar te verschijnen. Het Uwv heeft zich evenwel niet laten vertegenwoordigen. Voor belanghebbende is verschenen mr. J.W.R. de Bas, werkzaam bij KPMG Meijburg & Co Belastingadviseurs te Amsterdam.




II. OVERWEGINGEN


Op basis van door de Opsporingdienst Regio Noord-West uitgevoerd onderzoek, waarvan de resultaten zijn neergelegd in een rapport van 15 september 2000, heeft het Uwv onder meer vastgesteld dat belanghebbende geen dan wel onjuiste loonopgave heeft gedaan van betalingen die zijn gedaan aan [betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1]), [betrokkene 2] (hierna: [betrokkene 2]) en [betrokkene 3] (hierna [betrokkene 3]). Hierin heeft het Uwv aanleiding gezien om correctienota’s over de jaren 1996 tot en met 1998 op te leggen.

De tegen deze correctienota’s gemaakte bezwaren zijn door het Uwv bij besluit van 23 juli 2001 niet-ontvankelijk verklaard. Dit besluit is door de rechtbank bij uitspraak van 17 januari 2002 vernietigd met de bepaling dat Uwv een nieuw besluit dient te nemen.

Ter uitvoering van deze uitspraak heeft het Uwv bij besluit van 5 september 2003 de bezwaren tegen de in geding zijnde correctienota’s over de jaren 1996 tot en met 1998 ongegrond verklaard, behoudens voorzover deze betrekking hebben op de werkzaamheden die [betrokkene 3] in zijn bestuurstaak als secretaris en als administratief medewerker heeft verricht.

De rechtbank is tot het oordeel gekomen dat het Uwv bij het besluit van 5 september 2003 terecht premieplicht heeft aangenomen ten aanzien van [betrokkene 3], en de daaruit voortvloeiende correctienota’s terecht in stand heeft gelaten. Het beroep is in zoverre ongegrond verklaard. De rechtbank kan zich echter niet verenigen met de berekening van het premieloon van [betrokkene 1] en [betrokkene 2], hetgeen haar aanleiding heeft gegeven het beroep op dit punt gegrond te verklaren.

Op basis van verklaringen van [betrokkene 3], [betrokkene 4] (hierna: [betrokkene 4]), [betrokkene 5] (echtgenote van [betrokkene 3]), [betrokkene 6] (hierna: [betrokkene 6]), [betrokkene 2], [betrokkene 6] en [betrokkene 8] heeft de rechtbank vastgesteld dat [betrokkene 3] over de jaren 1996 en 1997 bij belanghebbende werkzaam is geweest als kok. Tevens is de rechtbank van oordeel dat tussen belanghebbende en [betrokkene 3] in de hier relevante periode sprake was van een privaatrechtelijke dienstbetrekking als bedoeld in artikel 3 van de sociale werknemersverzekeringswetten, zodat belanghebbende met betrekking tot de loonbetalingen aan [betrokkene 3] premieplichtig was. De rechtbank heeft voorts op grond van de voorhanden zijnde gegevens geoordeeld dat de schatting van het premieloon van [betrokkene 3] op basis van het geldende CAO niet onredelijk is te achten. De schatting van het premieloon van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] op basis van het geldende CAO heeft de rechtbank daarentegen onvoldoende gemotiveerd geacht. Volgens de rechtbank heeft het Uwv daarbij onvoldoende aannemelijk gemaakt dat het door belanghebbende opgegeven bedrag aan loon niet betrouwbaar is. Tevens is de rechtbank van oordeel dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is overschreden.

Het Uwv en belanghebbende hebben zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de uitspraak van de rechtbank gekeerd.

Wat het hoger beroep van het belanghebbende betreft verenigt de Raad zich met het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag liggende overwegingen en maakt deze tot de zijne.

Naar aanleiding van hetgeen in hoger beroep door belanghebbende is aangevoerd voegt de Raad hieraan nog het volgende toe.

Allereerst merkt de Raad op dat de in de uitspraak van de rechtbank van 17 januari 2002 genoemde termijn van zes weken waarbinnen het Uwv een nieuw besluit had moeten nemen een termijn van orde is, aan de overschrijding waarvan de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geen consequenties verbindt, behoudens de mogelijkheid om tegen het uitblijven van een besluit op bezwaar bij de rechtbank beroep aan te tekenen.

Voorts kan het standpunt van belanghebbende dat de werkzaamheden van [betrokkene 3] moeten worden beschouwd als vriendendienst gelet op de omvang van deze werkzaamheden en het feit dat hij hiervoor vergoedingen ontving niet worden gevolgd. De Raad stelt op basis van verklaringen van onder meer [betrokkene 2], [betrokkene 4], [betrokkene 6] en [betrokkene 3] ook vast dat [betrokkene 3] niet alleen in 1996 maar ook in het jaar 1997 voor belanghebbende als kok heeft gewerkt. Dat in de hier relevante perioden sprake zou zijn van zogenoemde meeromvattende werkzaamheden is de Raad voorts uit de verklaringen niet gebleken. Wel is op basis van de verklaringen van [betrokkene 4] en [betrokkene 3] vast te stellen dat [betrokkene 3] over het jaar 1996 meer loon heeft genoten dan de in beroep en in hoger beroep gestelde ƒ 750,--.

Evenals de rechtbank stelt de Raad vast dat belanghebbende heeft verzuimd een betrouwbare administratie te voeren op grond waarvan de verschuldigde premies konden worden vastgesteld. Het Uwv is gelet hierop terecht overgegaan tot een schatting van het premieloon. Omdat [betrokkene 3] en [betrokkene 4] omtrent het genoten loon tegenstrijdige verklaringen hebben afgelegd en de hoogte van het genoten loon ook op basis van de overige gegevens niet (bij benadering) is vast te stellen, heeft het Uwv de schatting in redelijkheid kunnen baseren op de lonen zoals die in de geldende CAO zijn vermeld.

Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep van belanghebbende niet slaagt.

Met betrekking tot het hoger beroep van het Uwv overweegt de Raad het volgende.

Allereerst merkt de Raad op dat het Uwv kan worden gevolgd in zijn standpunt dat de rechtbank buiten de omvang van het geding is getreden door een oordeel te geven over de in bezwaar gehandhaafde correctienota’s die betrekking hebben op [betrokkene 1]. Op grond van de stukken kan worden vastgesteld dat belanghebbende deze correctienota’s in beroep niet langer heeft betwist, hetgeen ook in hoger beroep door belanghebbende is erkend.

De Raad kan zich voorts verenigen met het oordeel van de rechtbank dat de keuze van het UWV om het loon van [betrokkene 2] te schatten aan de hand van de lonen ingevolge de CAO ondeugdelijk is gemotiveerd. Daartoe overweegt de Raad dat uit de verklaring van [betrokkene 2] uitsluitend blijkt dat zij meer dagen heeft gewerkt dan die door belanghebbende aan het Uwv zijn opgegeven. Uit de verklaringen van de overige getuigen is de Raad niet gebleken dat belanghebbende terzake van de hoogte van het loon van [betrokkene 2] onjuiste opgave heeft gedaan. Gelet hierop had het Uwv de door [betrokkene 2] opgegeven gewerkte dagen moeten vermenigvuldigen met het loon dat [betrokkene 2] volgens de onder de gedingstukken bevindende loonspecificatie over die dagen heeft genoten.

Het Uwv heeft het standpunt van de rechtbank dat de afhandeling van het bezwaarschrift onredelijk lang heeft geduurd, waardoor artikel 6 van het EVRM is geschonden, betwist. De Raad stelt vast dat belanghebbende op 5 april 2001 bezwaar heeft gemaakt tegen de besluiten van 26 maart 2001 en dat de Raad in hoger beroep thans op 31 augustus 2006 uitspraak doet. Daarmee is gegeven dat de totale procedure ruim vijf jaar heeft geduurd. De Raad is van oordeel dat daardoor de in artikel 6 van het EVRM bedoelde redelijke termijn is overschreden, waarbij in aanmerking is genomen dat deze zaak niet als complex is aan te merken en in de opstelling van belanghebbende geen rechtvaardiging is aangetroffen voor de lange duur van de procedure.

Voorts stelt de Raad vast dat de door belanghebbende ingediende bezwaarschriften van 5 april 2001 hebben geresulteerd in het besluit van 23 juli 2001 en dat vervolgens na vernietiging door de rechtbank van dat besluit, door het Uwv opnieuw op de bezwaren is beslist op 5 september 2003. De Raad is van oordeel dat het Uwv door de lange termijn die hij heeft genomen om zijn besluitvorming af te ronden, belanghebbende ervan afgehouden heeft om het in artikel 6 van het EVRM neergelegde recht op berechting binnen een redelijke termijn te effectueren. Ook daarbij heeft de Raad in aanmerking genomen dat noch in de zaak zelf, die niet als complex is aan te merken, noch in de opstelling van belanghebbende een rechtvaardiging is aangetroffen voor de procedurele handelwijze van het Uwv die ertoe heeft geleid dat tussen het indienen van het bezwaar tegen de besluiten van 26 maart 2001 en het nemen van het besluit van 23 juli 2001 een periode van ruim drie en een halve maand heeft gelegen en tussen de datum van de uitspraak van de rechtbank van 17 januari 2002 en het uiteindelijke besluit van 5 september 2003 een periode van bijna één jaar en acht maanden heeft gelegen, waarmee ruimschoots een termijn van twee jaar is overschreden.

Zoals door het Uwv in hoger beroep reeds is aangegeven, wordt de aantasting van de belangen van belanghebbende bij berechting van haar geschil binnen een redelijke termijn blijkens vaste jurisprudentie voldoende gecompenseerd indien, bij de afweging of er grond is om rente vast te stellen over hetgeen belanghebbende nog aan het Uwv verschuldigd is, gedurende de periode waarin het Uwv onrechtmatig heeft getalmd met de besluitvorming het heffen van rente over de achterstallige premies achterwege wordt gelaten. Gedaagde zal bij de invordering van de premies het voorgaande dienen te betrekken.

Het vorenstaande heeft tot gevolg dat het hoger beroep van het Uwv slaagt voorzover dat betrekking heeft op de nageheven premies over de betalingen aan [betrokkene 1]. Dit betekent ook dat de aangevallen uitspraak in zoverre voor vernietiging in aanmerking komt. De aangevallen uitspraak komt voor het overige voor bevestiging in aanmerking.

De Raad acht het aangewezen om op te merken dat het Uwv het premieloon van [betrokkene 2] niet ten nadele van belanghebbende op een hoger dan in het besluit van 5 september 2003 neergelegde bedrag mag vaststellen. Dit in verband met het in artikel 7:11 eerste lid, van de Awb besloten liggende verbod van reformatio in peius.

De Raad acht termen aanwezig om het Uwv te veroordelen in de proceskosten welke belanghebbende in hoger beroep heeft gemaakt met betrekking tot het hoger beroep van het Uwv. Deze worden begroot op € 644,-- wegens verleende rechtsbijstand.

Hetgeen door belanghebbende naar voren is gebracht geeft de Raad geen aanleiding voor een integrale vergoeding van de proceskosten in afwijking van het Besluit proceskosten bestuursrecht.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voorzover deze ziet op de correctienota over het jaar 1998;
Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;
Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van belanghebbende in hoger beroep tot een bedrag van € 644,--, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

Deze uitspraak is gedaan door R.C. Schoemaker als voorzitter en B.J. van der Net en N.J. van Vulpen-Grootjans als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.E. Lysen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 31 augustus 2006.

(get.) R.C. Schoemaker.

(get.) R.E. Lysen.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. sv-plicht | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x