Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   SOCIALEVERZEKERINGSPLICHT
x
LJN:
x
AZ7174
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 11-01-2007
Soort procedure: verzet
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Terechte niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep wegens niet-verschoonbare niet-tijdige indiening van het hogerberoepschrift.
 
 
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 06/3322 ALGEM




U I T S P R A A K




als bedoeld in artikel 8:55, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet in verband met het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 25 april 2006, 04/722 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 11 januari 2007.




I. PROCESVERLOOP


Bij uitspraak als bedoeld in artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet van 13 juli 2006 heeft de Raad het door appellante ingestelde hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk verklaard.

Tegen de uitspraak van de Raad van 13 juli 2006 heeft appellante verzet gedaan.

Het verzet is behandeld ter zitting van 14 november 2006, waar appellante bij gemachtigde is verschenen en waar het Uwv, zoals tevoren bericht, zich niet heeft laten vertegenwoordigen.




II. OVERWEGINGEN


De uitspraak van de Raad van 13 juli 2006 berust hierop, dat het hoger beroepschrift niet binnen de termijn van zes weken na bekendmaking van de uitspraak van de rechtbank is ingediend.

In dit geding is de vraag of het hoger beroep van appellante terecht niet-ontvankelijk is verklaard.

De Raad ziet geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen dan in zijn genoemde uitspraak gegeven.

In aansluiting op hetgeen in die uitspraak is overwogen, merkt de Raad op dat hij ook in hetgeen in het verzetschrift en ter terechtzitting is aangevoerd geen aanknopingspunten heeft gevonden, die kunnen leiden tot de conclusie dat appellante het verzuim niet kan worden tegengeworpen. Ter terechtzitting heeft de gemachtigde van appellante aangegeven dat hem is verzekerd dat het niet-aangetekende beroepschrift op 6 juni 2006 zou worden verzonden, en de aangetekende post op 7 juni 2006. Op beide enveloppen staat echter een stempel van 7 juni 2006 van zijn eigen kantoor.
Naar aanleiding van de gestelde onjuiste voorlichting met betrekking tot het einde van de beroepstermijn geeft de Raad aan dat zes weken na de bekendmaking een wettelijk termijn is.

Gelet op het voorgaande dient het verzet ongegrond te worden verklaard.

Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de Raad geen aanleiding.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het verzet ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door G. van der Wiel. De beslissing is, in tegenwoordigheid van D. Olthof als griffier, uitgesproken in het openbaar op 11 januari 2007.

(get.) G. van der Wiel.

(get.) D. Olthof.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. sv-plicht | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x