Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   SOCIALEVERZEKERINGSPLICHT
x
LJN:
x
AZ8110
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 25-01-2007
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Heeft de vroegere eigenaar van het eetcafé van betrokkene over de periode in geding loon uit een verzekeringsplichtige privaatrechtelijke dienstbetrekking in de zin van artikel 3 van de sociale werknemersverzekeringswetten ontvangen?
 
 
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 06/5287 ALGEM




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 27 juli 2006, 05/2170 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 25 januari 2007.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellant is hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 4 januari 2007. Appellant is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn fiscaal-juridisch adviseur mr. H. Kompagnie.
Het Uwv heeft zich met bericht niet doen vertegenwoordigen.




II. OVERWEGINGEN


In geding is de vraag of [M. Y.], de vroegere eigenaar van het betreffende eetcafé van appellant, over de jaren 1999 tot en met 2003 loon uit een verzekeringsplichtige privaatrechtelijke dienstbetrekking in de zin van artikel 3 van de sociale werknemersverzekeringswetten heeft ontvangen.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, overeenkomstig de strekking van het bestreden besluit van het Uwv van 24 oktober 2005, op grond van de uit een uitgevoerde looncontrole en uitvoerig fraudeonderzoek naar voren gekomen aanwijzingen met gebruikmaking van verschillende getuigenverklaringen alsmede observaties volledig normaal werken door [M. Y.] tegen loon zonder administratieve verantwoording in de periode aan de orde voldoende aannemelijk geacht. Daarbij heeft de rechtbank de categorische ontkenning van appellant zonder schriftelijke tegenbewijs bij een overigens gebleken niet kloppende loonadministratie als ongeloofwaardig beschouwd en het Uwv te dien aanzien gevolgd in zijn tot premiecorrecties leidende berekeningen.

Namens appellant is dit standpunt in hoger beroep gemotiveerd bestreden onder vermelding dat [M. Y.] op bepaalde momenten nog als een soort vervanger bij wege van een vriendendienst persoonlijke arbeid onder supervisie van appellant heeft verricht zonder dat dit in een schriftelijke overeenkomst is neergelegd, maar ook zonder dat in de betreffende jaren hiertegenover loonbetalingen stonden.

De Raad overweegt als volgt.

Hij heeft uit de in ruime mate in het dossier aanwezige (loonfraude)onderzoeksgegevens benevens een consistent en betrouwbaar beeld verschaffende getuigenverklaringen van onder meer vele toenmalige werknemers en observaties, in onderling verband bezien, niets anders kunnen afleiden dan dat [M. Y.] in de periode in geding ten behoeve van appellant stelselmatig en regelmatig als een soort nevenbaas, bakker en bedrijfsleider doorlopend het café heeft gerund naar de overige werknemers toe, daardoor duidelijk op geld waardeerbare arbeid heeft verricht en daarvoor naar aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid loon in enigerlei vorm heeft ontvangen zoals die werknemers dat verkregen uit moeilijk traceerbare kasbetalingen, een en ander zonder inzichtelijke controleerbare en verifieerbare administratieve verantwoording. Het gebrek aan adequaat tegenbewijs aan de hand van vereiste administratieve gegevens, met name een niet bijgehouden urenadministratie en onbewaarde werkbriefjes, dan wel het gemis van enig schriftelijk contract kan de appellant in zijn andersluidende standpunt geen concreet houvast voor het tegendeel bieden. De stellingname van appellant zonder elementaire bewijsvoering faalt te meer nu vervanger [M. Y.] als vroeger eigenaar kennelijk metterdaad op gelijke wijze bedrijvig bleef in het café, een vriendendienst zonder betaling daardoor allerminst voetstoots in de rede ligt, en trouwens in bepaalde - latere - jaren weer wel tussen partijen een gedeeltelijk dan wel volledig dienstverband bij analoog opereren is toegegeven.
Onder de gegeven omstandigheden komen de door het Uwv berekende premiecorrecties op basis van een privaatrechtelijke dienstbetrekking met een reguliere beloning op voet van de arbeidsprestatie van [M. Y.], aan de hand van een peilbare, weloverwogen representatieve onderzoeksperiode, over de jaren in geding aan de Raad voldoende zorgvuldig en verantwoord voor.

Het vorenstaande voert tot de slotsom dat het hoger beroep van appellant niet slaagt. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad ziet voor een proceskostenveroordeling geen aanleiding.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door B.J. van der Net. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.E. Lysen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 25 januari 2007.

(get.) B.J. van der Net.

(get.) R.E. Lysen.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. sv-plicht | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x