Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   SOCIALEVERZEKERINGSPLICHT
x
LJN:
x
AZ8117
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 25-01-2007
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Privaatrechtelijke dienstbetrekking van masseuses. Is er sprake van onvoldoende zorgvuldig en ontoereikend onderzoek?
 
 
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 06/1195 ALGEM




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 10 januari 2006, 05/1747 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[belanghebbende] (hierna: belanghebbende)

en

appellant.

Datum uitspraak: 25 januari 2007.




I. PROCESVERLOOP


Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens belanghebbende heeft mr. H.M.Th. de Pont, advocaat te Tilburg, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft op 14 december 2006 plaatsgevonden. Appellant heeft zich daar doen vertegenwoordigen door mw. mr. R.P. Bourne en mw. mr. R.S. Rabarison, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. Voor belanghebbende zijn verschenen beherend vennoot [J.W.], vergezeld door mr. De Pont als raadsman en P.J.M. Verploeg, financieel adviseur.




II. OVERWEGINGEN


Belanghebbende exploiteert een onderneming waarin in een viertal massageruimten door daar werkzame masseuses diverse erotische massages tegen oplopende prijzen ten gerieve van de cliëntèle worden verricht. Op basis van een in het voorjaar van 2003 gehouden onderzoek is appellant er na onder meer gesprekken met exploitant [J.W.] en administrateur [G.W.] bij primair besluit van 25 juli 2003 van uitgegaan dat er tot 1 juli 2003 door de aangetrokken masseuses in een verzekeringsplichtige privaatrechtelijke dienstbetrekking arbeid is verricht. Bij het na bezwaar genomen besluit van 15 april 2005 heeft appellant deze zienswijze gehandhaafd.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het geschil afgepaald tot de onderzochte situatie zoals die tot 1 juli 2003 in de onderneming van belanghebbende heeft bestaan.
Daarna heeft de rechtbank geconstateerd dat het onderzoek in de onderhavige zaak zich heeft beperkt tot kennisneming van de volgens de overzichtslijst behaalde omzet, de aanvankelijk tussen belanghebbende en masseuses geldende samenwerkingsovereenkomst en de later geldende huisregels Onder vaststelling dat niet is gesproken met de betrokken masseuses noch de betreffende gastvrouw, noch voorlegging van een vragenlijst heeft plaatsgehad, komt de rechtbank vervolgens tot de slotsom dat het besluit in geding niet met de vereiste zorgvuldigheid tot stand is gekomen, lijdt aan een gebrekkig feitenonderzoek en dan ook niet in stand kan blijven.

Appellant heeft het oordeel van de rechtbank in hoger beroep gemotiveerd bestreden.
Van die zijde wordt het voldoende zorgvuldig geacht dat gesproken is met beherend vennoot [J.W.], extern administrateur [G.W.], dat geraadpleegd zijn de aan de controleur overhandigde samenwerkingsovereenkomst, huisregels en takenlijst ten behoeve van receptionistes/gastvrouwen en andere sectorale gegevens, gevoegd bij de vastgelegde feiten en omstandigheden in het controlerapport van 24 april 2003 en de evaluatie van een en ander na een aan het besluit in geding voorafgaande hoorzitting. Tenslotte is gewezen op bekende bevindingen van althans een met name genoemde masseuse alsmede de door de Raad in deze materie inmiddels ontwikkelde vaste jurisprudentie ten bewijze dat hier sprake is geweest van een privaatrechtelijke dienstbetrekking in de zin van de sociale werknemersverzekeringswetten.

In een reactie hierop blijft belanghebbende zich aansluiten bij de zienswijze van de rechtbank dat er van een onvolledig onderzoek zonder bevraging van betrokkenen als masseuses sprake is geweest. Deze bestrijdt de persoonlijke interpretaties van de controleur bij het controlerapport van 24 april 2003 en ontkent dat er met de betrokken masseuses een privaatrechtelijke dienstbetrekking heeft bestaan en benadrukt dat er hier sprake is van zelfstandige ondernemers welke arbeiden in bij uitstek een kamerverhuurbedrijf van belanghebbende.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Ook hij bepaalt zich met de rechtbank tot de onderzochte fase van de arbeid van de betrokken masseuses voor klanten ten gerieve van belanghebbende tot aan 1 juli 2003.
De Raad is van oordeel dat niet enkel omdat het onderzoek zo beperkt is gehouden zoals hierboven is aangegeven dat onvoldoende zorgvuldig en ontoereikend dient te worden geacht. Daarentegen meent hij dat de gebezigde onderzoeksgegevens als zodanig een gerede afweging in dit geding in toereikende mate kunnen dragen. Met name heeft de Raad uit de naar voren gekomen feiten en omstandigheden, zowel op zichzelf als in onderling verband bezien - waarbij de verklaringen van beherend vennoot [J.W.] en extern administrateur [G.W.] ook genoeg bevestiging blijken te vinden in de verklaring van masseuse mw. [M.N.] van 9 oktober 2002 -, kunnen afleiden dat aan de vereisten van een privaatrechtelijke dienstbetrekking in de zin van artikel 3 van de sociale werknemersverzekeringswetten, bestaande in de aanwezigheid van een verplichte persoonlijke arbeidsverrichting voor de betrokken om hun kwaliteiten aangetrokken masseuses, het betalen van een afgestelde beloning als reguliere contraprestatie voor gedifferentieerde arbeidsverrichtingen, alsmede het bestaan van een omlijnde gezagsverhouding tussen belanghebbende en de masseuses, is voldaan. De Raad tekent in dit verband met name aan dat hij hier blijkens de stukken, in essentie analoog aan andere gevallen uit zijn vaste jurisprudentie, een geordende organisatie tussen belanghebbende en de betrokken masseuses ziet om enerzijds belanghebbende in staat te stellen diens vestiging met kamerverhuur optimaal op basis van werkplanning en inroostering toegespitst op specifiek effectief gebruik te exploiteren maar ook anderzijds de vestiging de masseuses de gelegenheid ziet bieden hun gevarieerde diensten tegen onderscheidene betaling voor de cliëntèle zo adequaat mogelijk, niet vrij van de nodige sturing en onder zeker toezicht met onder omstandigheden klachtbehandeling door de exploitant zelf, te verlenen.
De Raad merkt hierbij volledigheidshalve op dat naar zijn waarneming niet valt in te zien dat de bevindingen en de conclusies van de controleur bij het controlerapport van 24 april 2003 niet gestaafd zijn door onderbouwde zakelijke waarnemingen en weloverwogen verantwoorde conclusies in plaats van aanvechtbare subjectieve interpretaties. Deze conclusies doen volgens de Raad - het voldoen aan de vereisten voor - de aanwezigheid van een privaatrechtelijke dienstbetrekking voor de betrokken masseuses alleszins aannemelijk zijn. De blote stelling van belanghebbende als zou er sprake zijn een zelfstandig ondernemerschap bij de betrokken masseuses doet aan deze laatste slotsom geen enkele inhoudelijke afbreuk. De opvatting van belanghebbende in dit kader als zou deze uitsluitend een kamerverhuurbedrijf exploiteren ten gerieve van autonoom opererende masseuses en hun cliëntèle komt de Raad daarenboven gezien de totale organisatorische aard en reglementering van het huis, het bepalen alsmede het algemeen prijzen van de verrichtingen en inrichting van het bedrijf benevens de daarmede bereikte en geworven doelgroep zowel praktisch ondenkbaar als feitelijk onaannemelijk voor.

Het hoger beroep van appellant slaagt dan ook gezien het vorenstaande en de aangevallen uitspraak komt voor vernietiging in aanmerking.

Tenslotte ziet de Raad voor een proceskostenveroordeling geen aanleiding.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door B.J. van der Net. De beslissing is, in tegenwoordigheid van D. Olthof als griffier, uitgesproken in het openbaar op 25 januari 2007.

(get.) B.J. van der Net.

(get.) D. Olthof.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. sv-plicht | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x