Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   SOCIALEVERZEKERINGSPLICHT
x
LJN:
x
AZ8313
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 01-02-2007
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Gelet op de familieverhouding en de aandelenverhouding zoals die bestond tot de datum in geding kan de arbeidsverhouding van de schoonzoon tot betrokkene niet als een dienstbetrekking worden beschouwd die leidt tot verzekeringsplicht.
 
 
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 06/2926 ALGEM




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 26 april 2006, 04/1979 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[betrokkene] (hierna: betrokkene)

en

appellant.

Datum uitspraak: 1 februari 2007.




I. PROCESVERLOOP


Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 januari 2007. Appellant heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. W. Zwanink, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. Betrokkene heeft zich doen vertegenwoordigen door J.C. van Brenk, werkzaam bij Abraxas Finance & Accounting B.V. te Utrecht.




II. OVERWEGINGEN


De Raad stelt voorop dat het in geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de wettelijke bepalingen zoals die luidden ten tijde in geding

Betrokkene is op 22 februari 1974 opgericht door [naam vader], geboren [in] 1913 (hierna: de vader), [naam zoon] (hierna: de zoon) en [naam schoonzoon] (hierna: de schoonzoon). De aandelen zijn bij de oprichting verdeeld in de verhouding 83,3% voor de vader, 8,3% voor de zoon en 8,3% voor de schoonzoon. In verband met het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd heeft de vader in 1978 zijn aandelen bij onderhandse overeenkomst verkocht aan zijn zoon en schoonzoon, die blijkens het Uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel en Fabrieken voor Amsterdam beiden sedert 1 november 1978 directeur zijn van de vennootschap. In 1983 heeft de vader zich geheel uit de onderneming teruggetrokken. Op 26 mei 1999 is een akte van levering opgemaakt en zijn de aandelen voor 55% in het bezit gekomen van de zoon en voor 45% in handen van de schoonzoon.

Naar aanleiding van een in januari 2002 bij betrokkene uitgevoerde looncontrole heeft appellant voor de schoonzoon over de periode 1997 tot en met 26 mei 1999 verzekeringsplicht op grond van artikel 3 van de sociale werknemersverzekeringswetten aangenomen. Bij besluiten van 20 mei 2002 heeft appellant over de jaren 1997 tot en met 1999 correctienota’s aan betrokkene opgelegd en bij besluiten van 29 mei 2002 boetenota’s aan betrokkene opgelegd over voornoemde jaren. Bij besluit van 26 maart 2004 heeft appellant de door betrokkene gemaakte bezwaren gericht tegen de nota’s van 20 mei 2002 en 29 mei 2002 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard. De rechtbank is van oordeel dat het onderzoek van appellant onvolledig is geweest, omdat door appellant in het geheel geen onderzoek is verricht naar de materiële indicaties die wijzen op het gezamenlijk drijven van de onderneming. Naar het oordeel van de rechtbank ontbeert het bestreden besluit een deugdelijke motivering.

In hoger beroep heeft appellant zich gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd en zich op het standpunt gesteld dat indien een directeur aandeelhouder van een vennootschap in verband met de statutaire bepalingen en de eigendomsverhouding met betrekking tot de aandelen, in de algemene vergadering van aandeelhouders geen doorslaggevende stem heeft bij de benoeming, de schorsing en het ontslag van directeuren, in beginsel moet worden aangenomen dat de directeur werkzaam is in een gezagsrelatie tot de vennootschap. Een uitzondering op deze regel kan slechts aanvaard worden indien er sprake is van bijzondere feiten en omstandigheden op grond waarvan in weerwil van de juridische verhoudingen het redelijkerwijs niet aannemelijk is dat de gezagsuitoefening ten aanzien van de minderheidsaandeelhouder zal plaatsvinden. Daarbij is het primair de verantwoordelijkheid van de werkgever om vast te stellen of er sprake is van een dienstbetrekking welke leidt tot verzekeringsplicht. In bezwaar heeft betrokkene daartoe aangevoerd dat er een vaststellingsovereenkomst is gesloten waaruit nevengeschiktheid blijkt en dat er sprake is van een familieband. Deze grieven zijn in bezwaar beoordeeld maar in samenhang bezien ontoereikend geacht om geen gezagsrelatie aanwezig te achten. Voorts heeft appellant opgemerkt dat de schoonzoon voor het jaar 1997 niet onder de werkingsfeer van de zogenaamde Richtlijnen van de Federatie van Bedrijfsverenigingen (hierna: de Richtlijn), dan wel voor de jaren 1998 en 1999 niet onder de nagenoeg gelijkluidende Regeling aanwijzing directeur-grootaandeelhouder (hierna: de Regeling) te brengen is.

De Raad overweegt het volgende op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting.

In artikel 6, eerste lid, aanhef en onder d, van de sociale werknemersverzekeringswetten is bepaald dat als dienstbetrekking niet wordt beschouwd de arbeidsverhouding van de directeur-grootaandeelhouder. Ingevolge de vierde richtlijn van de Richtlijn en artikel 2, eerste lid, aanhef en onder d, van de Regeling wordt onder een directeur-grootaandeelhouder verstaan de bestuurder van een vennootschap waarvan tenminste twee derde van de aandelen worden gehouden door zijn bloed- of aanverwanten tot en met de derde graad. Gelet op de familieverhouding en de aandelenverhouding zoals die bestond tot 26 mei 1999 is de Raad van oordeel dat de arbeidsverhouding van de schoonzoon tot betrokkene op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder d, van de sociale werknemersverzekeringen in verbinding met de vierde richtlijn van de Richtlijn (voor het jaar 1997) dan wel in verbinding met artikel 2, eerste lid, aanhef en onder d van de Regeling (voor de jaren 1998 en 1999), niet als een dienstbetrekking kan worden beschouwd, die leidt tot verzekeringsplicht.

Het vorenstaande brengt mee dat het hoger beroep niet kan slagen en dat de aangevallen uitspraak, zij het op andere gronden, voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad acht ten slotte termen aanwezig om appellant onder toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht en het Besluit proceskosten bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep, zoals in rubriek III nader is aangegeven.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;
Veroordeelt appellant in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag van € 322,-- te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een griffierecht van € 428,-- wordt geheven.

Deze uitspraak is gedaan door B.J. van der Net. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.E. Lysen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 1 februari 2007.

(get.) B.J. van der Net.

(get.) R.E. Lysen.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. sv-plicht | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x