Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   SOCIALEVERZEKERINGSPLICHT
x
LJN:
x
AZ8600
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 08-02-2007
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: De beantwoording van de vraag of in een geval als het onderhavige sprake is van een verzekeringsplichtige dienstbetrekking in de zin van de sociale werknemersverzekeringswetten tussen de vennootschap ten behoeve waarvan de werkzaamheden worden verricht en de directeur-minderheidsaandeelhouder, in het bijzonder of sprake is van een gezagsverhouding, is afhankelijk van alle relevante feiten en omstandigheden van het bijzondere geval. Familierelatie. Het gezamenlijk drijven van de onderneming.
 
 
 
 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 05/6741 ALGEM




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 21 oktober 2005, nr. 03/3573 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[betrokkene] (hierna: betrokkene)

en

appellant.

Datum uitspraak: 8 februari 2007.




I. PROCESVERLOOP


Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 oktober 2006, waar appellant zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. M. Krikke, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. Voor betrokkene is verschenen H.S. [P.].




II. OVERWEGINGEN


De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Ziektewet (ZW), de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) en de Werkloosheidswet (WW) en de daarop rustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

Betrokkene is opgericht op 8 juli 1971 en houdt zich bezig met het fabriceren van en de groothandel in kleding in de meest ruime zin van het woord. Ten tijde hier in geding waren als statutair directeur en aandeelhouders aan de vennootschap verbonden [B.V. 2] (waarvan H.S. [P.] directeur-enig aandeelhouder is) met 49% van de aandelen en [B.V.] (waarvan R.J. [v. V.]n directeur-enig aandeelhouder is) met 51% van de aandelen. Naar aanleiding van een bij betrokkene uitgevoerde looncontrole heeft appellant bij besluiten van 18 december 2002 over de jaren 1997 tot en met 2001 correctienotaís opgelegd. Aan die besluiten ligt het standpunt van appellant ten grondslag dat H.S. [P.] (hierna: [P.]) verplicht verzekerd is op grond van artikel 3 van de sociale werknemersverzekeringswetten. Bij besluit van 1 juli 2003 (hierna: bestreden besluit) heeft appellant het tegen die besluiten gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met bepalingen betreffende de vergoeding van proceskosten en griffierecht - de door betrokkene tegen het bestreden besluit ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en appellant opdracht gegeven een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van de aangevallen uitspraak. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat in het onderhavige geval voldoende materiŽle indicaties naar voren zijn gekomen om aan te nemen dat sprake is van het gezamenlijk drijven van een onderneming, zodat in verband met ontbreken van een gezagsverhouding er geen sprake is van een dienstbetrekking in de zin van artikel 3 van de sociale werknemersverzekeringswetten. Van verzekeringsplicht ten aanzien van [P.] is daarom geen sprake.

Appellant kan zich niet verenigen met dit oordeel van de rechtbank.

De Raad is tot de volgende beoordeling gekomen.

De beantwoording van de vraag of in een geval als het onderhavige sprake is van een verzekeringsplichtige dienstbetrekking in de zin van de sociale werknemersverzekeringswetten tussen de vennootschap ten behoeve waarvan de werkzaamheden worden verricht en de directeur/minderheidsaandeelhouder, in het bijzonder of sprake is van een gezagsverhouding, is afhankelijk van alle relevante feiten en omstandigheden van het bijzondere geval. Bij die beoordeling komt enerzijds betekenis toe aan de juridische vormgeving, zoals deze naar voren komt uit de statuten van de betrokken vennootschap. Daarbij kan een belangrijke indicatie vůůr het bestaan van een gezagsverhouding vormen het feit dat een bepaalde (rechts)persoon vanwege die eigendomsverhoudingen van de aandelen een overheersende invloed kan uitoefenen, die onder meer tot uitdrukking kan komen in de bevoegdheid om de betrokken natuurlijk persoon te ontslaan dan wel anderszins van zijn taak te ontheffen. Anderzijds kan van belang zijn dat uit alle feiten en omstandigheden overigens voldoende materiŽle indicaties naar voren komen om aan te nemen dat sprake is van het gezamenlijk drijven van een onderneming, ook in de situaties waarin niet alle betrokkenen volledig of nagenoeg volledig gelijk participeren in het aandelenkapitaal.

De Raad is evenals de rechtbank tot het oordeel gekomen dat in het onderhavige geval sprake was van zodanige materiŽle indicaties en heeft aan dit oordeel de volgende overwegingen ten grondslag gelegd.

De oprichter van betrokkene was de vader van [P.], de heer A. [P.], die na het overlijden van zijn eerste vrouw in 1975 is hertrouwd met de moeder van de heer [v. V.]. [P.] en [v. V.] zijn vanaf hun vijftiende jaar zijn samen in ťťn huishouding onder ouderlijk gezag opgegroeid en zijn stiefbroers van elkaar, zodat het bestaan van een zekere familierelatie niet kan worden ontkend. Na het overlijden van de vader A. [P.] heeft [v. V.] de aandelen van betrokkene uit de nalatenschap opgekocht. Hij heeft hiertoe op 28 december 1987 [B.V.] opgericht, waarvan hij statutair directeur en enig aandeelhouder is, welke B.V. alle 60 aandelen heeft overgenomen. Met ingang van 1 januari 1989 heeft [P.] op verzoek van [v. V.] 29 aandelen overgenomen middels het door hem opgerichte [B.V. 2], waarvan hij statutair directeur en enig aandeelhouder is. Bij het voortzetten van het bedrijf heeft bij [v. V.] en [P.], ondanks dat sprake was van niet geheel gelijkgerechtigde aandeelhouders, het streven voorop gestaan om als volkomen gelijkwaardige partijen te functioneren. Dit komt onder meer tot uiting op grond van de volgende gegevens, te weten:
- beiden werden directeur van betrokkene en ontvangen gelijke salarissen, vakantiedagen en andere emolumenten;
- [P.] houdt zich bezig met het managen van de organisatie, fungeert als financieel directeur, is verantwoordelijk voor personeelszaken en heeft de leiding over het productieproces. [v. V.] houdt zich met name bezig met in- en verkoop van de textielproducten van betrokkene. In deze situatie kan de ene directeur niet zonder de andere directeur functioneren en vullen zij elkaar aan;
- Beiden participeren in andere activiteiten altijd op fifty/fifty basis.
Daarnaast is [P.] blijkens de gedingstukken evenals [v. V.] financiŽle verbintenissen aangegaan met kredietverstrekkers tot zekerheid van kredietfaciliteiten aan betrokkene, onder meer een persoonlijk borgstelling van Ä 30.000,--, een tweede hypotheek op zijn huis van f 150.000,--, een privť borgstelling tot een bedrag van f 200.000,-- en daarnaast het storten van f 375.000,-- in 2001 ter verbetering van de liquidatiepositie van betrokkene. Hiermee is betrokkene financieel erg afhankelijk geworden van [P.].

Hoewel de zojuist genoemde omstandigheden elk op zichzelf beschouwd onvoldoende aanknopingspunten opleveren om aan te nemen dat een gezagsverhouding ontbreekt, is de Raad van oordeel dat in casu gelet op het geheel van de zich in dit geval voordoende omstandigheden, in onderling verband bezien, sprake is van voldoende materiŽle indicaties in de hiervoor vermelde zin.

Derhalve heeft appellant ten onrechte betrokkene als werkgever aangemerkt en ten onrechte de over de hier in geding zijnde periodes correcties opgelegd.

De aangevallen uitspraak komt dan ook voor bevestiging in aanmerking.
De Raad ziet aanleiding appellant te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep, welke wordt begroot op Ä 644,-- in verband met verleende rechtsbijstand en reiskosten.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;
Veroordeelt appellant in de proceskosten van betrokkene, begroot op Ä 644,- te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat van appellant het recht van Ä 422,- wordt geheven.

Deze uitspraak is gedaan door B.J. van der Net als voorzitter en R.C. Schoemaker en N.J. van Vulpen-Grootjans als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van D. Olthof als griffier, uitgesproken in het openbaar op 8 februari 2007.

(get.) B.J. van der Net.

(get.) D. Olthof.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. sv-plicht | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x