Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   SOCIALEVERZEKERINGSPLICHT
x
LJN:
x
BA1862
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 24-11-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Oplegging van correctie- en boetenota's over de jaren in geding. De correcties berusten onder meer op bet standpunt dat betrokkene in een verzekeringsplichtige arbeidsverhouding werkzaam is en het betrokken bedrijf over de aan betrokkene betaalde vergoedingen premie verschuldigd is. Eigen bijdrage in het kader van de PC-privé-regeling.
 
 
 
 
 

 

 
Uitspraak 04/7225 ALGEM en 04/7274 ALGEM




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellante], appellante tevens gedaagde, hierna: belanghebbende,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde tevens appellant, hierna: het bestuursorgaan.




I.  ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Het bestuursorgaan heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Amhem van 12 november 2004, kenmerk 03/2334. Namens de vennootschap is mr. F. Schildmeijer, verbonden aan EDO Accountants & Adviseurs te Arnhem, eveneens van deze uitspraak in hoger beroep gekomen.
Partijen hebben verweerschriften ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 27 oktober 2005, waar voor belanghebbende zijn verschenen mr. R.N. Rommelaars en mr. F. Schildmeijer, beiden belastingadviseur bij EDO, en P. van Swieten, controller, en het bestuursorgaan zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. F. Verhaart, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.




II.  MOTIVERING


Voor een overzicht van de in dit geding relevante feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het vermelden van de volgende, voor de beoordeling van het hoger beroep van belang zijnde gegevens.
Bij belanghebbende is in november 2002 een boekenonderzoek uitgevoerd, waarvan de bevindingen zijn neergelegd in een rapport van 29 november 2002 en - naar aanleiding van de reactie van belanghebbende op dat rapport - een aanvullend rapport van 7 maart 2003. Bij besluiten van 6 mei 2003 heeft het bestuursorgaan aan belanghebbende correctienota's en boetenota's opgelegd over onder meer de jaren 1998 tot en met 2001, alsmede een verzuim geregistreerd. De correcties berusten onder meer op bet standpunt van het bestuursorgaan dat [betrokkene] (hierna: betrokkene) in een verzekeringsplichtige arbeidsverhouding werkzaam is voor belanghebbende en en dat belanghebbende over de aan betrokkene betaalde vergoedingen premie verschuldigd is. Voorts heeft het bestuursorgaan het premieloon gecorrigeerd in verband met de voor een deel van de werknemers bij wijze van eigen bijdrage voor een door belanghebbende verstrekte computerapparatuur doorgevoerde loonsverlaging. De namens belanghebbende tegen deze besluiten gemaakte bezwaren zijn bij besluit van 26 augustus 2003 gegrond verklaard wat betreft de berekening van de premie op grond van de Ziekenfondswet en voor het overige ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met bepalingen betreffende de vergoeding van proceskosten en griffierecht - het beroep van belanghebbende tegen het besluit van 26 augustus 2003 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en het bestuursorgaan opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen. De rechtbank is, voorzover in hoger beroep nog van belang, tot het oordeel gekomen dat geen sprake is geweest van een gezagsverhouding tussen belanghebbende en betrokkene. Met betrekking tot de PC-privé-regeling heeft zij geoordeeld dat het bestuursorgaan aan de eigen bijdrage van de werknemers in de vorm van een brutoloonverlaging de voorwaarde mocht stellen dat deze invloed zou hebben op de vakantietoeslag. Nu de verlaging van het brutoloon geen gevolg heeft gehad voor de vakantiegelduitkering, is het bestuursorgaan naar het oordeel van de rechtbank niet gehouden de eigen bijdrage niet als loon aan te merken.
In hoger beroep heeft belanghebbende de uitspraak van de rechtbank bestreden voorzover daarbij is geoordeeld dat het bestuursorgaan de voorwaarde mocht stellen dat een overeengekomen verlaging van het brutoloon moet doorwerken naar alle uitkeringen waarvan de grondslag op dit loon is gebaseerd. Belanghebbende is van mening dat sprake is van een bruto loonsverlaging met voldoende realiteitsgehalte. Daartoe heeft zij aangevoerd dat het haar vrijstaat het loon van werknemers te verhogen en dat in dit geval haar bijdrage als werkgever aan de computerapparatuur tot uitdrukking is gekomen door een verhoging van het vakantiegeld tot - netto - het oude niveau.
Het bestuursorgaan heeft in hoger beroep het oordeel van de rechtbank over de verzekeringsplicht van betrokkene aangevochten. Het bestuursorgaan heeft vooral bezwaar gemaakt tegen de overweging van de rechtbank dat hetgeen ter zitting bij de rechtbank door Van Swieten is verklaard ten aanzien van de arbeidsverhouding tussen betrokkene en belanghebbende door het bestuursorgaan niet of onvoldoende is weersproken, en in dit verband gewezen op de inhoud van het looncontrolerapport.
De Raad overweegt het volgende.



De eigen bijdrage in het kader van de PC-privé-regeling

Belanghebbende is met een aantal van haar werknemers overeengekomen dat zij als tegenprestatie voor aan hen te verstrekken computerapparatuur een eigen bijdrage betalen welke zal worden verrekend door een verlaging van het overeengekomen bruto maandloon.
De Raad stelt vast dat (de rechtsvoorganger van) het bestuursorgaan met betrekking tot een aantal PC-privé-regelingen die niet onder het toepassingsbereik van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder k (oud), van de Coördinatiewet Sociale Verzekering (CSV) vallen vanaf 1998 beleid heeft ontwikkeld. Aan dit beleid is nadien in onder meer de Mededeling van het Lisv met kenmerk M 00.028 van 15 maart 2000 nadere uitwerking gegeven. Daarbij is aangesloten bij de beleidsregels van het Ministerie van Financiën op dit terrein, waarin is neergelegd onder welke voorwaarden het loonbestanddeel waarvan in het kader van een dergelijke regeling wordt afgezien niet als loon als bedoeld in artikel 4 van de CSV wordt beschouwd. Bij het licht van zijn uitspraken van 28 april 2005, LJN AT5453 en 16 juni 2005, LJN AT8254, ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat het bestuursorgaan met het oog op de realiteitswaarde van de tussen werkgever en werknemer overeengekomen bruto loonsverlaging niet de - aan voormeld beleid ontleende - voorwaarde kon stellen dat die verlaging doorwerkt in die zin dat ook de grondslag voor de berekening van de daarvan afhankelijke looncomponenten zoals de vakantietoeslag wordt verlaagd.
Vaststaat dat in de door belanghebbende met de betrokken werknemers overeengekomen "aanvulling op de arbeidsovereenkomst" is bepaald dat deze verlaging van het bruto maandloon geen effect heeft op het bruto vakantiegeld dat de werknemer ontvangt. De stelling van belanghebbende dat met deze afspraak is beoogd de arbeidsvoorwaarden met de betrokken werknemers in zoverre te herzien dat een hogere grondslag voor de vakantietoeslag is afgesproken, welke de realiteitswaarde van de loonsverlaging niet in gevaar brengt, vindt geen steun in de tekst van de aanvullende arbeidsovereenkomst en de overige voorhanden gegevens. In het bijzonder is niet komen vast te staan dat met de betrokken werknemers nader is overeengekomen dat het vakantiegeld een hoger percentage van het - verlaagde - brutoloon bedraagt.
De Raad ziet evenals de rechtbank geen grond voor de opvatting van belanghebbende dat het bestuursorgaan zijn beleid met de hiervoor vermelde Mededeling van 15 maart 2000 in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel heeft aangescherpt. Gelet op de tekst van deze mededeling behelst deze ook naar het oordeel van de Raad slechts een verduidelijking van de door het bestuursorgaan bij de toepassing van artikel 4 en volgende van de CSV gevolgde gedragslijn.
Het vorenstaande houdt in dat het hoger beroep van belanghebbende niet slaagt.



De verzekeringsplicht van betrokkene

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat betrokkene niet in een gezagsverhouding tot belanghebbende staat, zodat reeds op die grand geen sprake is van een privaatrechtelijke dienstbetrekking. Daartoe overwoog zij onder meer dat bij een arbeidsverhouding die kenmerken heeft van een arbeidsovereenkomst, maar door de contractpartijen wordt gezien als een overeenkomst van opdracht als uitgangspunt heeft te gelden dat een gezagsverhouding wordt aangenomen als de verrichte werkzaamheden een wezenlijk onderdeel vormen van de bedrijfsvoering van de opdrachtgever en binnen het organisatorisch kader van de opdrachtgever worden verricht. Op grond van de ter zitting van de zijde van belanghebbende afgelegde verklaring, welke naar het oordeel van de rechtbank niet of onvoldoende door het bestuursorgaan is weersproken, is zij van oordeel dat hiervan in het onderhavige geval geen sprake is, nu de werkzaamheden van betrokkene een vrijblijvend karakter droegen, hij vrij was om te komen en te gaan en hij een grote vrijheid genoot met betrekking tot de door hem te verrichten werkzaamheden.
De Raad is tot een ander oordeel dan de rechtbank gekomen. Daartoe overweegt hij in de eerste plaats dat bij de beoordeling van de vraag of sprake is van een privaatrechtelijke dienstbetrekking acht dient te worden geslagen op de feitelijke omstandigheden waaronder in de betreffende arbeidsverhouding de werkzaamheden worden verricht. In het onderhavige geval kent de Raad zwaarwegend gewicht toe aan de bevindingen van de looninspecteur tijdens controle, welke zijn neergelegd in de rapporten van 29 november 2002 en 7 maart 2003. De daarin onder het kopje 'Verzekeringsplicht' vermelde feitelijke gegevens over de arbeidsverhouding met betrokkene zijn gebaseerd op gesprekken met de administrateur en de controller van belanghebbende, Van Roekel en Van Swieten, waarna de verstrekte informatie is bevestigd door de bedrijfsleider [naaam]. Blijkens deze rapporten werkte betrokkene vooral in de winter mee in de productie onder leiding van een productieleider, op in het bedrijf gebruikelijke tijden en samen met de overige werknemers, werden hierover vooraf afspraken met betrokkene gemaakt in die zin dat met hem werd afgesproken op welke dagen hij beschikbaar was en werd hij vervolgens ingepland. Betrokkene werkte evenals de overige werknemers in de werkplaats van belanghebbende met het gereedschap van belanghebbende, en verrichtte zijn werkzaamheden, welke bestonden uit inlijstwerk en alle andere voorkomende werkzaamheden, steeds persoonlijk.
De Raad stelt vast dat belanghebbende in de reactie op het looncontrolerapport, tijdens de bezwaarschriftprocedure en in het beroepschrift zijn bezwaren tegen het feit dat voor betrokkene verzekeringsplicht is aangenomen vooral heeft geconcentreerd op de stelling dat met hem een op resultaat gerichte overeenkomst van opdracht is gesloten. In die fase van de procedure is niet gesteld dat de feitelijke situatie afweek van de weergave daarvan in het looncontrolerapport. Tijdens de hoorzitting is onder meer verklaard dat betrokkene zich onderscheidt van de andere werknemers door zijn jarenlange ervaring en dat in het geval dat hij zijn werkzaamheden niet kon voltooien dit door de werknemers van belanghebbende kon worden overgenomen. Op grond van de over de feitelijke situatie beschikbare gegevens is naar het oordeel van de Raad genoegzaam komen vast te staan dat de werkzaamheden van betrokkene een wezenlijk onderdeel vormen van de bedrijfsvoering van belanghebbende, dat betrokkene zich bij de uitvoering van die werkzaamheden diende te voegen in het organisatorische kader van die bedrijfsvoering en dat, ofschoon betrokkene gelet op zijn ruime ervaring uit hoofde van zijn vroegere dienstverband bij belanghebbende een grote mate van vrijheid en zelfstandigheid zal hebben gehad bij de uitvoering van het werk, de mogelijkheid bestond dat hij aanwijzingen van de productieleider kreeg welke hij diende op te volgen.
Ter zitting van de rechtbank en in hoger beroep heeft Van Swieten verklaringen afgelegd over de arbeidsverhouding met betrokkene ter illustratie van de vrijheid en zelfstandigheid welke betrokkene bij zijn werkzaamheden genoot. Deze verklaringen verschaffen deels aanvullende informatie over de onderhavige arbeidsverhouding, welke naar het oordeel van de Raad echter in essentie geen afbreuk doet aan de conclusie dat betrokkene werkzaam was onder gezag van belanghebbende. In het bijzonder kan hieruit niet worden afgeleid dat betrokkene op dagen waarop hij volgens afspraak bij belanghebbende zou werken zijn werkzaamheden op elk door hem gewenst moment kon afbreken. Voorzover de in (hoger) beroep afgelegde verklaringen niet stroken met de in de looncontrolerapporten vermelde feiten, en niet met concrete en verifieerbare gegevens zijn onderbouwd, kent de Raad daaraan in het licht van de eerder van belanghebbende verkregen informatie geen doorslaggevende betekenis toe.
De Raad is voorts van oordeel dat gelet op de voor de werkzaamheden van betrokkene afgesproken uurvergoeding sprake was van een verplichting tot loonbetaling. Daaraan doet niet af dat hij niet alle door hem gewerkte uren bij belanghebbende zou declareren. Nu van feitelijke vervanging van betrokkene niet is gebleken en de aard van de werkzaamheden vervanging door een willekeurige derde niet toeliet, is tevens sprake van een verplichting tot persoonlijke arbeidsverrichting. Dit brengt mee dat het bestuursorgaan ten aanzien van betrokkene terecht verzekeringsplicht heeft aangenomen op grond van artikel 3 van de sociale werknemersverzekeringswetten, en in verband daarmee over de jaren in geding terecht correcties heeft opgelegd.



Boeten

Naar vaste rechtspraak van de Raad over artikel 12 van de CSV kan bij het doen van onvolledige loonopgaven in beginsel opzet dan wel grove schuld worden aangenomen. De werkgever zal zich er in het algemeen van bewust moeten zijn welke loonopgave hij moet doen. In geval van onzekerheid behoort het tot diens verantwoordelijkheid om informatie in te winnen bij het bestuursorgaan. Overtreding van de loonopgaveverplichting is daarom ten minste als een ernstige nalatigheid te kwalificeren en derhalve te wijten aan grove schuld van de werkgever. Dit is slechts anders indien de werkgever omstandigheden aanvoert en zonodig aannemelijk maakt, waaruit volgt dat de overtreding niet aan zijn grove schuld is te wijten. Hiervan is in dit geval niet gebleken.

De Raad komt tot de slotsom dat het hoger beroep van het bestuursorgaan slaagt. Aangezien de rechtbank het beroep gegrond heeft verklaard en het besluit op bezwaar in zijn geheel heeft vernietigd, zal de Raad - met vernietiging van de aangevallen uitspraak - het beroep van belanghebbende ongegrond verklaren.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. BJ. van der Net als voorzitter en mr. drs. NJ. van Vulpen-Grootjans en mr. A.Q.C. Tak als leden, in tegenwoordigheid van M. Renden als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 24 november 2005.

(get.) B.J. van der Net.

(get.) M. Renden.




Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (postbus 20303, 2500 EH 's-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van het begrip loon in de artikelen 4 tot en met 8 van de Coördinatiewet Sociale Verzekering.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. sv-plicht | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x