Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   SOCIALEVERZEKERINGSPLICHT
x
LJN:
x
ZB6001
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 04-03-1996
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: In dit geding dient de vraag te worden beantwoord of terecht en op goede gronden is vastgesteld dat voornoemde tennisleraren verplicht verzekerd waren ingevolge de WW, WAO, ZW en Zfw.
 
 
 
 
 

 

 
Uitspraak 95/771 ALGEM




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

het bestuur van de Bedrijfsvereniging voor de Gezondheid, 
Geestelijke en Maatschappelijke Belangen, appellant,

en

[gedaagde], gevestigd te [vestigingsplaats], gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Onder dagtekening 15 juli 1993 heeft appellant aan gedaagde
kennis gegeven van zijn besluit om de voor gedaagde
in 1989 en 1990 werkzame tennisleraar [naam tennisleraar] en
de voor gedaagde in 1989 werkzame tennislerares
[naam tennislerares] aan te merken als werknemers in de zin
van artikel 3 van de Werkloosheidswet (hierna: WW), de
Ziektewet (hierna: ZW), de Ziekenfondswet (hierna: Zfw)
en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (hierna:
WAO), en dat gedaagde ter zake van het door hen
genoten loon over 1989 en 1990 2.903,-- respectievelijk
3.351,-- aan premie verschuldigd is.

De Arrondissementsrechtbank te Alkmaar heeft bij uitspraak
van 2 januari 1995 het door gedaagde tegen voormeld
besluit ingestelde beroep gegrond verklaard, het
bestreden besluit vernietigd, en appellants bedrijfsvereniging
veroordeeld tot betaling van het door gedaagde
betaalde griffierecht en de door gedaagde gemaakte proceskosten.

Appellant is van die uitspraak bij de Raad in hoger
beroep gekomen. In een aanvullend beroepschrift d.d.
16 mei 1995, met als bijlage het zogenaamde Advies hoger
beroep premie waarover door de Kleine Commissie is beslist,
zijn de gronden uiteengezet waarop het hoger
beroep berust.

Bij schrijven van 12 januari 1996 is namens gedaagde een
verweerschrift ingediend.

Desgevraagd heeft appellant bij schrijven van 18 januari
1996 de Raad nog nadere informatie verstrekt.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden
op 22 januari 1996, waar appellant zich heeft doen vertegenwoordigen
door mr. J.A.M. der Weduwen en mr. I. Veltrop,
en gedaagde is verschenen bij gemachtigde B.M. Onstenk,
penningmeester van gedaagde.




II. MOTIVERING


In dit geding dient de vraag te worden beantwoord of
appellant terecht en op goede gronden heeft vastgesteld
dat voornoemde tennisleraren ingevolge de WW, ZW, Zfw en
WAO verplicht verzekerd waren, en dat appellante ter zake
van het door deze tennisleraren genoten loon, premie
ingevolge de WW, ZW, Zfw en WAO verschuldigd is.

Naar het oordeel van de Raad dient bij de beoordeling van
de verzekeringsplicht allereerst een onderscheid worden
gemaakt tussen de twee bij gedaagde werkzame tennisleraren.
Het onderzoek van appellant heeft zich vrijwel geheel
beperkt tot een vaststelling en beoordeling van de positie
van [naam tennisleraar]. Uit de processtukken en de mededelingen
ter zitting van de gemachtigde van appellant
blijkt echter niet van een specifiek onderzoek naar de
positie van [naam tennislerares], terwijl uit het ten behoeve
van appellant opgestelde buitendienstrapport van
5 februari 1992 naar voren komt dat zij voor meerdere
tennisverenigingen werkzaam was, BTW in rekening heeft
gebracht en afgedragen, en voor de inkomstenbelasting
haar inkomsten uit de tennistrainingen heeft aangegeven
als winst uit onderneming, hetgeen door de Belastingdienst
is geaccepteerd. Voor de bepaling van de positie
van [naam tennislerares] heeft appellant zich niettemin
uitsluitend gebaseerd op het contract dat gedaagde heeft
gesloten met [naam tennisleraar]. In zoverre komt het bestreden
besluit in aanmerking voor vernietiging wegens strijd met
het algemeen beginsel van behoorlijk bestuur dat een
zorgvuldig onderzoek vereist.

Inzake de verzekeringsplicht ten aanzien van [naam tennisleraar]
overweegt de Raad als volgt.

In zijn uitspraak van 26 september 1990, RSV 1991/57
achtte de Raad een rele gezagsverhouding aanwezig tussen
de betrokken tennisvereniging en de betrokken tennisleraar.
Weliswaar was de betrokken tennisleraar vrij om de
tennislessen naar eigen deskundigheid en inzicht vorm en
inhoud te geven, hetgeen bij lesgevende activiteiten niet
ongebruikelijk is, maar het bestuur van de tennisvereniging
hield in betekenende mate toezicht op de vorderingen
van de leerlingen en leverde soms commentaar op de trainingsactiviteiten
van de leraar, terwijl de leraar in economisch opzicht afhankelijk was van de vereniging.

Gelet op het dwingende karakter van een aantal bedingen
opgenomen in de overeenkomst tussen Reinhard en gedaagde
is de Raad van oordeel dat de indicaties die wijzen op
het ontbreken van een gezagsverhouding in verhouding
minder sterk zijn dan de indicaties die op het tegendeel
wijzen.
Te noemen valt dat Reinhard de voorschriften met betrekking
tot het gebruik van de baan nauwgezet in acht moet
nemen, zich moet houden aan het in overleg vastgestelde
rooster, alle voorkomende problemen met een bestuurslid
van gedaagde moet bespreken, en de vakantieperiodes in
overleg met gedaagde moet regelen. Voorts verbindt
Reinhard zich mede tegenover gedaagde de afspraken met
leden nauwgezet na te komen, en aan het bestuur, de
jeugdcommissie en de technische commissie van gedaagde
alle inlichtingen, die zij ter vervulling van hun taken
menen te moeten vragen, naar beste weten prompt te ver-
strekken. Reinhard zal verder naar vermogen de trainersvergaderingen
bijwonen en zich tegenover gedaagde en haar
organen loyaal opstellen.
Daarnaast is bepaald dat Reinhard als hoofdtrainer van
gedaagde functioneert. Verder geeft gedaagde een garantie
aan Reinhard voor een aantal lessen van door haar gesubsidieerde
jeugdleden, en staat gedaagde in voor de betaling
door deze leden. Gedaagde staat weliswaar niet in
voor de betaling van het verschuldigde lesgeld door niet
gesubsidieerde gewone leden, maar zal ter zake wel bemiddelend
optreden en indien nodig tegen een wanbetaler
gepaste maatregelen nemen. Verder staat gedaagde er voor
in dat Reinhard bij stipte naleving van de overeenkomst
in het zomerseizoen aan de leden van gedaagde 18 weken en
in het winterseizoen aan de gesubsidieerde leden 20 weken
les zal kunnen geven. Daarnaast garandeert gedaagde dat
Reinhard gedurende het winterseizoen minimaal 20 lesuren
aan gesubsidieerde leden en gedurende het zomerseizoen
minimaal 35 lesuren aan leden en gesubsidieerde leden les
zal kunnen geven. Ten slotte betaalt gedaagde aan Reinhard
gedurende het zomerseizoen twee taakuren per week
uit voor taken in de sfeer van begeleiding en coaching.
Deze garanties en andere verplichtingen van gedaagde
vervallen indien Reinhard zijn verplichtingen niet nakomt.

Het geheel overziende concludeert de Raad dat Reinhard de
hoofdtrainer van gedaagde was die zoveel als mogelijk de
hele week voor gedaagde werkzaam was n beschikbaar
diende te zijn. In die situatie was gezien de geschetste
indicaties sprake van een rele gezagsverhouding. Appellant
heeft derhalve terecht en op goede gronden vastgesteld
dat Reinhard ten tijde hier van belang ingevolge de
WW, ZW, Zfw en WAO verplicht verzekerd was, en dat gedaagde
ter zake van het door Reinhard vanaf 1 juli 1989,
en in 1990 genoten loon, premie ingevolge de WW, ZW, Zfw
en WAO verschuldigd is.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen ten aanzien van
[naam tennislerares] kunnen de aangevallen uitspraak en het
bestreden besluit evenwel niet in stand blijven.

Nu appellant slechts gedeeltelijk in het gelijk is gesteld,
dient echter de in de aangevallen uitspraak uitgesproken
veroordeling tot vergoeding van het griffierecht
ad f 25,-- en van de proceskosten ten bedrage van
f 1.420,-- in stand te worden gelaten.

Daarom moet als volgt worden beslist.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak, behoudens voorzover
daarbij de bestreden beslissing met betrekking tot
[naam tennisleraar] is vernietigd en behoudens voor zover daarin
over de vergoeding van het griffierecht en de proceskosten
in eerste aanleg is beslist;
Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;
Vernietigt het bestreden besluit, behoudens voor zover
daarin over de verzekeringsplicht ten aanzien van
[naam tennisleraar] is beslist;
Bepaalt dat van appellant een recht van f 600,-- wordt
geheven;

Aldus gegeven door mr. A.F.M. Brenninkmeijer als voorzitter
en mr. G.P.A.M. Garvelink-Jonkers en mr. L.J.A. Damen
als leden, in tegenwoordigheid van mr. H.D. Wolthuis als
griffier en uitgesproken in het openbaar op 4 maart 1996.

(get.) A.F.M. Brenninkmeijer.

(get.) H.D. Wolthuis.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. sv-plicht | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x