Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   SOCIALEVERZEKERINGSPLICHT
x
LJN:
x
ZB8860
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 29-06-2000
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Oplegging van een boetenota op de grond dat er sprake is van grove schuld in de zin van artikel 5, eerste lid, van het ABW-besluit, omdat betrokkene wist of behoorde te weten dat voor de betreffende loonbetalingen socialeverzekeringspremies behoorden te worden afgedragen. Is er sprake van schending van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM?
 
 
 
 
 

 

 
Uitspraak 98/6707 ALGEM




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

X N.V., gevestigd te Y, appellante,

en

het Landelijk instituut sociale verzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 in werking
getreden. Ingevolge de Invoeringswet Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 treedt het
Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv) in de plaats van de betrokken
bedrijfsvereniging. In het onderhavige geval is het Lisv in de plaats getreden van de
Bedrijfsvereniging voor Bank- en Verzekeringswezen, Groothandel en Vrije Beroepen. In
deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het bestuur van deze bedrijfsvereniging.

Bij besluit van 21 augustus 1996 heeft gedaagde ongegrond verklaard de bezwaren van
appellante tegen het besluit van 12 februari 1996, waarbij aan appellante een boete is
opgelegd ten bedrage van f 5.363,--.

De Arrondissementsrechtbank te Amsterdam heeft bij uitspraak van 30 juli 1998 het namens
appellante tegen dat besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Appellante is bij gemachtigde mr. J. Meeboer, werkzaam bij KPMG Meijburg & Co
Belastingadviseurs te Amsterdam, op bij aanvullend beroepschrift (met bijlagen) van
30 december 1998 van die uitspraak bij de Raad in hoger beroep gekomen.

Gedaagde heeft een verweerschrift, gedateerd 7 april 1999, ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 18 mei 2000, waar voor
appellante is verschenen mr. Meeboer, voornoemd, en waar voor gedaagde is verschenen mr.
T.E.D.M. Zijlmans, werkzaam bij Gak Nederland B.V.




II. MOTIVERING


In 1994 is vanwege gedaagde bij appellante een looncontrole gehouden over de jaren 1990
tot en met 1993. Aan het van deze controle opgemaakte rapport, gedateerd 9 februari 1995,
ontleent de Raad het volgende:
"Tot 1993 werd het voordeel verkregen uit korting op vakantiehuisjes,
verzekeringen, incentives, gratis maaltijden medewerkers restauratieve dienst en
beloningen bedrijfszelfbescherming via een lumpsumopgave aan de
bedrijfsvereniging doorgegeven. In 1993 is voor de eerste maal het voordeel
verkregen uit de korting op vakantiehuisjes, incentives en verzekeringen per
werknemer vastgesteld en verantwoord.
Verzuimd werd echter:
- het voordeel te bruteren;
- het voordeel ter zake de maaltijden van de medewerkers restauratieve dienst en
de beloningen bedrijfszelfbescherming in de opgave te betrekken.
E.e.a. is alsnog herzien."

Nadien is nog een aanvullend rapport uitgebracht, waarna gedaagde appellante bij brief
van 21 juni 1995 het volgende heeft medegedeeld:
"In vervolg op de brief van 1 juni 1995 met als kenmerk looninspectie
025-111.636.56-01-01 berichten wij u voornemens te zijn aan u op grond van de
Co÷rdinatiewet Sociale Verzekering (CSV) administratieve boetes op te leggen en
een verzuim te registreren.
In de rapportage naar aanleiding van het onderzoek van onze looninspecteur wordt
geadviseerd navorderingen op te leggen tot a) lumpsum 1993 en tot b) betreffende
diverse geconstateerde debetverschillen over genoemde jaren. Voor een
specificatie verwijzen wij u naar het reeds in uw bezit zijnde rapport.
Tijdens het onderzoek is namelijk geconstateerd dat het met het voorgaande
verband houdende loon niet/niet juist als zodanig in de loonadministratie is
verantwoord. U heeft dit loon dientengevolge niet/niet juist aan de
bedrijfsvereniging via de jaaropgavekaarten opgegeven.
In geval onjuiste en/of onvolledige of geen jaaropgavegegevens worden ingezonden,
dienen wij op grond van artikel 12, lid 2, van de CSV, de ambtshalve vastgestelde
premie te verhogen met een boete.
Deze boete bedraagt in beginsel 100% van de ambtshalve vastgestelde premie dan
wel 10% voor zover er geen sprake is van opzet/grove schuld.
Wij zijn van mening dat genoemd onder a) er sprake is van opzet/grove schuld
omdat U wist of behoorde te weten dat voor deze loonbetalingen sociale
verzekeringspremies afgedragen dienen te worden. Voor de constateringen onder b)
zijn wij van mening dat er geen sprake is van opzet/grove schuld.
In beginsel kunnen wij de op te leggen boetes geheel of gedeeltelijk
kwijtschelden aan de hand van de criteria genoemd in artikel 3 e.v. van het op
artikel 12, lid 3 van de CSV gebaseerde Besluit Administratieve Boeten
Co÷rdinatiewet.
Wanneer men, zoals u, sinds 1988 voor de eerste keer in verzuim is, en men het
verzuim niet binnen redelijke termijn vrijwillig heeft hersteld, worden de op te
leggen boetes met betrekking tot de navorderingen genoemd onder b) geheel
kwijtgescholden de op te leggen boetes met betrekking tot de navordering genoemd
onder a) kwijtgescholden tot op 25%. Vooralsnog zijn wij van mening dat er in uw
geval geen sprake is van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 7 van
het genoemde besluit.
In verband met het voorgaande hebben wij het voornemen de over eerdergenoemde
jaren ambtshalve vastgestelde premies te verhogen met een administratieve boete
van 25%. Tevens hebben wij het voornemen dit eerste verzuim als zodanig te
registreren. Dit is van invloed op eventuele volgende op te leggen boetes.
Mocht de inhoud van deze brief u aanleiding geven te reageren, dan verzoeken wij
u uw reactie op schrift te stellen en binnen vier weken na dagtekening van deze
brief te zenden aan:
(...)
Ontvangen wij geen reactie binnen de gestelde termijn, dan zullen wij u een
besluit toezenden overeenkomstig deze aankondiging en het verzuim registreren."

Appellante heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid te reageren op het gestelde in
de brief van 21 juni 1995. Op 12 februari 1996 heeft gedaagde de in deze brief
aangekondigde boetenota appellante doen toekomen.

Bij het bestreden besluit heeft gedaagde de opgelegde boete gehandhaafd.

De in dit geding aan de orde zijnde vraag of dit besluit in rechte stand kan houden heeft
de rechtbank bij de aangevallen uitspraak bevestigend beantwoord. Daarbij is de rechtbank
tot het oordeel gekomen dat in het geval van appellante sprake is van grove schuld in de
zin van artikel 5, eerste lid, van het Besluit Administratieve Boeten Co÷rdinatiewet
(ABC-besluit), omdat appellante wist of behoorde te weten dat voor bedoelde
loonbetalingen sociale verzekeringspremies behoorden te worden afgedragen. Voorts heeft
de rechtbank geoordeeld dat de opgelegde boete niet onevenredig is. Het eerst ter zitting
van de zijde van appellante gedane beroep op artikel 6 van het Europees Verdrag tot
bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) heeft de
rechtbank als zijnde tardief niet bij haar oordeelsvorming betrokken.

In hoger beroep is van de zijde van appellante gesteld dat in haar geval
- geen boete meer had mogen worden opgelegd, dan wel de boete alsnog dient te vervallen
in verband met het bepaalde in artikel 6, eerste lid, EVRM, omdat na de brief van 21
juni 1995 bijna 8 maanden is gewacht met het opleggen van de boete, onderscheidenlijk
omdat inmiddels al meer dan vier jaren zijn verstreken;
- er sprake is van schending van artikel 6, derde lid, aanhef en onder a, EVRM, omdat
niet uiterlijk bij de boetenota de gronden waarop deze berust, in bijzonderheden aan
haar zijn medegedeeld, althans de bij de brief van 21 juni 1995 gegeven motivering onvolledig is;
- er slechts sprake is van een uiterst geringe omissie in verhouding tot de totale
loonsom en deswege niet gesproken kan worden van opzet en/of grove schuld.

De Raad overweegt dienaangaande het volgende.

Aan appellante moet worden toegegeven dat na het verstrijken van de in de brief van 21
juni 1995 gestelde termijn van vier weken voor het geven van een reactie, gedaagde niet
voortvarend heeft gehandeld. Echter, de duur van de periode waarin gedaagde kennelijk
enige tijd heeft stilgezeten acht de Raad in dit geval niet van zodanig gewicht, dat
daaraan de van de zijde van appellante bepleite, vergaande consequentie dient te worden
verbonden. Ook de duur van de gehele procedure acht de Raad niet zodanig, dat daaraan in
het licht van artikel 6, eerste lid, EVRM consequenties moeten worden verbonden.

Op grond van artikel 6, derde lid, aanhef en onder a, EVRM heeft een ieder, die wegens
een strafbaar feit wordt vervolgd, het recht om onverwijld, in een taal welke hij
verstaat, en in bijzonderheden, op de hoogte te worden gesteld van de aard en de reden
van de tegen hem ingebrachte beschuldiging. Gelijk de Hoge Raad heeft overwogen bij zijn
arrest van 20 december 1989, BNB 1990/102, brengt het bepaalde in deze verdragsbepaling
mee dat de gronden waarop het opleggen van een boete berust, in bijzonderheden en
uiterlijk op het tijdstip van oplegging van de boete, aan de premieplichtige moeten
worden medegedeeld, hetzij door deze mededeling op te nemen in de boetenota, dan wel op
andere wijze.

Te dezen is van betekenis de hiervoor aangehaalde brief van 21 juni 1995. Naar de mening
van appellante is deze brief te algemeen gesteld en niet/althans in onvoldoende mate op
haar situatie toegespitst. Daarbij heeft zij erop gewezen dat in zijn rapport de
looninspecteur niet heeft geadviseerd een boete op te leggen en zij dan ook mocht
verwachten dat een boete achterwege zou blijven. Voorts is niet aangegeven op welke
gronden gedaagde meent dat appellante wist dan wel behoorde te weten dat zij over de door
de inspecteur gesignaleerde loonbetalingen premies verschuldigd is.

Anders dan appellante is de Raad van mening dat de in de brief van 21 juni 1995 vervatte
mededeling inzake het voornemen om een boete op te leggen in alle opzichten voldoet aan
de daaraan in het licht van artikel 6, derde lid, aanhef en onder a, EVRM te stellen
eisen. Het gaat er om dat in bijzonderheden is aangegeven van welk handelen en/of nalaten
de premieplichtige wordt beticht, waarop dit is gebaseerd, hoe het handelen/nalaten door
het bestuursorgaan wordt gekwalificeerd en op grond van welk wettelijk kader het
bestuursorgaan een boete overweegt, dan wel een boete oplegt, zulks ten einde de
premieplichtige in staat te stellen daartegen gemotiveerd verweer te kunnen voeren.

De Raad overweegt voorts dat de uit artikel 6, derde lid, aanhef en onder a, EVRM
voortvloeiende motiveringseis omtrent de aard en de reden van (het voornemen tot) het
opleggen van de boete, moet worden onderscheiden van de motiveringseis, vervat in artikel
3:46 van de Algemene wet bestuursrecht. Het namens appellante gestelde heeft veeleer
hierop betrekking. Voorzover een besluit niet voldoet aan de in deze wetsbepaling
gestelde motiveringseis, kan dat gebrek bij een beslissing op een daartegen ingediend
bezwaarschrift worden hersteld, gelijk in dit geval ook is geschied.

Met betrekking tot de stelling van appellante, dat er geen sprake is van opzet en/of
grove schuld in de zin van artikel 12, tweede lid, van de CSV en artikel 5, eerste lid,
van het ABC-besluit, sluit de Raad zich mede gelet op de toelichting bij laatstvermelde
bepaling aan bij hetgeen de rechtbank daaromtrent heeft overwogen. Voor het bij een
verzuim, zoals bij appellante geconstateerd, betrekken van de totale loonsom, acht de
Raad geen grond aanwezig.

Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en deswege de aangevallen
uitspraak dient te worden bevestigd.

De Raad acht tot slot geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in
artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. B.J. van der Net als voorzitter en mr. R.C. Schoemaker en mr. G. van
der Wiel als leden, in tegenwoordigheid van mr. L.H. Vogt als griffier, en uitgesproken in
het openbaar op 29 juni 2000.

(get.) B.J. van der Net.

(get.) L.H. Vogt.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. sv-plicht | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

ę Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x