Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   AWW / Anw
x
LJN:
x
AB1784
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 11-04-2001
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Intrekking en terugvordering van de AWW-uitkering. Schending van de mededelingsverplichting zoals geregeld in artikel 49 van de AWW. De SVB kon naar aanleiding van de overgelegde Egyptische huwelijksakte uitgaan van het bestaan van een huwelijk, aangezien niet is gebleken van dermate evidente gebreken in de inhoud en de wijze van totstandkoming van de huwelijksakte dat het de SVB niet vrijstond op die grond het AWW-pensioen van betrokkene in te trekken.
 
 
 

 

 
Uitspraak 98/6359 AWW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[A.], wonende te [B.], appellante,

en

de Sociale Verzekeringsbank, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Bij primair besluit van 29 oktober 1996 heeft gedaagde aan appellante medegedeeld dat het haar toegekende weduwenpensioen ingevolge de Algemene Weduwen- en Wezenwet (AWW) ingaande 1 januari 1994 wordt ingetrokken onder toekenning van een uitkering ineens en terugvordering van hetgeen onverschuldigd is betaald over de periode 1 januari 1994 tot en met 31 mei 1995.

Bij beslissing op bezwaar, gedateerd 20 juni 1997, heeft gedaagde het besluit van 29 oktober 1996 gehandhaafd.

De Arrondissementsrechtbank te Amsterdam heeft bij uitspraak van 16 juli 1998 het beroep tegen het laatst vermelde besluit ongegrond verklaard.

Op bij aanvullend beroepschrift van 26 januari 1999 aangevoerde gronden is namens appellante verzocht de uitspraak van de rechtbank te vernietigen.

Gedaagde heeft bij schrijven van 7 april 1999 verweer gevoerd.

Van de zijde van appellante zijn bij brieven van 27 januari 1999, 17 september 1999, 30 september 1999, 22 november 1999 en 20 maart 2000 nadere stukken toegezonden.

Bij brief van 10 mei 2000 heeft de Raad aan het Internationaal Juridisch Instituut (IJI) te’s-Gravenhage verzocht advies uit te brengen. Het IJI heeft dit advies bij schrijven van 1 september 2000 aan de Raad toegezonden.

Beide partijen hebben een reactie gegeven op het advies.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 28 februari 2001, waar appellante in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. S.L.I. Meekel, advocaat te Amsterdam en A.A. Creton. Gedaagde heeft zich doen vertegenwoordigen door A. Bos, werkzaam bij de Sociale Verzekeringsbank.




II. MOTIVERING


Met ingang van 1 juli 1996 is in werking getreden de Algemene Nabestaandenwet (Anw), welke wet in de plaats is getreden van de AWW. Ingevolge artikel 105, tweede lid, van de Anw blijven de AWW en de daarop rustende bepalingen van toepassing op de rechten, verplichtingen en bevoegdheden over de tijdvakken gelegen voor 1 juli 1996.

Gedaagde heeft aan appellante bij besluit van 11 september 1986 met ingang van 1 april 1986 een pensioen ingevolge de AWW toegekend in verband met het overlijden van appellantes echtgenoot [C.] [in] 1986.
Op 8 mei 1995 heeft [D.] aan gedaagde een huwelijksakte, model nr. 76 “Justitie”, ingeschreven onder nr. 504 op 28 december 1993, overgelegd waaruit blijkt dat appellante [in] 1993 in Egypte met hem in het huwelijk is getreden.
Gedaagde is hierop bij besluit van 17 mei 1995 overgegaan tot schorsing van de uitbetaling van het AWW-pensioen met ingang van 1 juni 1995.
Bij besluit van 20 oktober 1996 heeft gedaagde met ingang van 1 januari 1994 het AWW-pensioen van appellante ingetrokken onder toekenning van een uitkering ineens en onder terugvordering van het na verrekening met de uitkering ineens nog resterende bedrag aan ten onrechte uitbetaald pensioen over de periode 1 januari 1994 tot en met 31 mei 1995.

In geschil is de vraag of dit besluit in rechte stand kan houden. De rechtbank heeft die vraag bevestigend beantwoord. De Raad overweegt als volgt.

Van de zijde van appellante is aangevoerd dat de huwelijksakte waar gedaagde zijn besluit op heeft gebaseerd slechts is opgemaakt met als doel om tijdens vakantie in Egypte een hotelkamer te kunnen delen met [D.], zonder daardoor in problemen te geraken met de geldende Islamitische voorschriften. Het is nooit de bedoeling geweest een reëel huwelijk aan te gaan. Het huwelijk is niet gelegaliseerd en niet in Nederland ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. Voorts is namens appellante in hoger beroep een zogenaamd “private marriage contract” overgelegd, waaruit zou blijken dat het gesloten huwelijk alleen tussen partijen gelding heeft. [D.] zou na zijn huwelijk met appellante vervolgens in Nederland met een andere vrouw zijn getrouwd.

Naar aanleiding van de stellingen van appellante heeft de Raad de volgende vragen voorgelegd aan het IJI te ‘s-Gravenhage:

1. Is appellante conform de huwelijksakte [in] 1993 in Egypte rechtsgeldig in het huwelijk getreden?
2. Wat voor betekenis heeft het overgelegde private marriage contract?
3. Wordt het huwelijk van appellante in Nederland erkend ook al is dit huwelijk kennelijk niet gelegaliseerd?

Het IJI heeft - kort samengevat - als volgt geantwoord:

"In casu lijkt een zogenaamd ‘urfi’ (of: ‘orfi’) huwelijk te zijn gesloten, een religieus huwelijk volgens de islamitische beginselen. Indien er sprake is geweest van een aanbod en aanvaarding in aanwezigheid van twee getuigen, dan is [in] 1993 naar islamitisch recht (dus volgens de leer van de shari’ah) in beginsel een rechtsgeldig huwelijk voltrokken. In casu gaat het om een huwelijksakte die is opgemaakt op een door het Egyptisch Ministerie van Justitie uitgevaardigd modelformulier (nr. 76) welk formulier pleegt te worden gebruikt voor het opstellen van huwelijksaktes door een ambtenaar belast met het opmaken van huwelijks- en verstotingaktes. Ook in casu is de huwelijksakte opgesteld door een ambtenaar belast met het opmaken van huwelijks- en verstotingaktes. Daarnaast is het formulier voorzien van de stempel van het ‘Parket voor het Personen- en Familierecht’ van het Egyptisch Ministerie van Justitie. Dit stempel komt voor op door de Staat geregistreerde huwelijksaktes. In casu zou blijkens de aantekening op de huwelijksakte, de akte geregistreerd zijn onder nr. 504, op 28 december 1993. Volgens de in Egypte geldende shari’ah kan een huwelijk ook zonder registratie als een formeel geldig huwelijk worden aangemerkt. De in 1931 uitgevaardigde regelgeving ten aanzien van de registratie van het huwelijk heeft veeleer de functie van het leveren van bewijs van het bestaan van een huwelijk ten behoeve van de vaststelling van de rechtsmacht van de Egyptische rechter. De conclusie is dat betrokkene in Egypte krachtens het Egyptische recht [in] 1993 rechtsgeldig in het huwelijk is getreden nu is voldaan aan de voorschriften van de shari’ah. Daarnaast is door registratie van het huwelijk voldaan aan een belangrijke voorwaarde voor de bevoegdheid van de Egyptische rechter.
Met betrekking tot het ‘private marriage contract’ blijkt uit de tekst dat partijen er van op de hoogte zijn dat het huwelijk zoals bevestigd door dat contract een huwelijk is dat louter bestaat tussen partijen en dat het een niet-officieel huwelijk is, dat niet de wettelijke vorm bezit die is voorgeschreven door de in 1931 uitgevaardigde Egyptische regelgeving ten aanzien van de registratie van huwelijken. Van belang is dat dit contract slechts een legalisatiestempel bevat van het Egyptische Ministerie van Buitenlandse Zaken en geen stempel bevat van het ‘Parket voor het Personen- en Familierecht’ van het Egyptische Ministerie van Justitie. Dat laatste gebrek wijst er mogelijk op dat het hier geen geregistreerde huwelijksakte betreft. Het ‘private marriage contract’ zal slechts betekenis hebben tussen partijen, maar niet tegenover derden.
Met betrekking tot de erkenning van een buitenlands huwelijk in Nederland is van belang de op 1 januari 1990 voor Nederland in werking getreden Wet Conflictenrecht Huwelijk van 7 september 1989, Stb. 392 (WCH). Vervolgens is voor Nederland op 1 mei 1991 in werking getreden het Haags Huwelijksverdrag van 14 maart 1978, Trb. 1987, nr. 137. Aangezien de WCH een gunstiger erkenningregime kent en artikel 13 van het Haags Huwelijksverdrag de toepassing van een voor de erkenning gunstiger regime toestaat kan volstaan worden met de toepassing van de WCH. De WCH is van toepassing op het [in] 1993 voltrokken huwelijk. Overeenkomstig artikel 5 WCH dient voor de vraag van de erkenning van dit huwelijk te worden bezien of het huwelijk ingevolge het recht van de Staat van de huwelijksvoltrekking, zijnde Egyptisch recht, rechtsgeldig is. Van belang is het vermoeden van het vierde lid van artikel 5 WCH: indien een huwelijksverklaring is afgegeven door een bevoegde autoriteit, wordt een huwelijk vermoed rechtsgeldig te zijn. In casu is de huwelijksakte opgemaakt door een ambtenaar belast met het opmaken van huwelijks- en verstotingaktes. Deze ambtenaar is ter zake bevoegd en dus is er een vermoeden dat dit een naar Egyptisch recht rechtsgeldig huwelijk betreft. Daardoor kan het huwelijk ex artikel 5 WCH in Nederland erkend worden. Artikel 6 WCH geeft hierop een uitzondering. Erkenning kan worden onthouden indien de erkenning onverenigbaar zou zijn met de openbare orde.
Voor erkenning in Nederland is legalisatie van het huwelijk formeel niet nodig. Legalisatie is vereist indien voor de inschrijving in de gemeentelijke basisadministratie de buitenlandse huwelijksakte wordt overgelegd of indien de betreffende persoon de Nederlandse nationaliteit heeft en ingevolge artikel 1:25, lid 1, aanhef en sub a, Burgerlijk Wetboek, de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente ’s-Gravenhage verzoekt om de buitenlandse huwelijksakte in te schrijven in het huwelijksregister van de gemeente ’s-Gravenhage, of indien om een andere reden in Nederland de buitenlandse huwelijksakte dient te worden overgelegd aan een overheidsinstantie. Documenten uit Egypte dienen gelegaliseerd te worden door het Egyptische Ministerie van Buitenlandse Zaken en vervolgens door de Nederlandse ambassade te Caïro."

De Raad is op grond van het advies van het IJI van oordeel dat gedaagde naar aanleiding van de overgelegde huwelijksakte nr. 76, ingeschreven onder nr. 504 op 28 december 1993, kon uitgaan van het bestaan van een [in] 1993 tussen appellante en [D.] gesloten huwelijk, aangezien niet is gebleken van dermate evidente gebreken in de inhoud en de wijze van totstandkoming van de genoemde huwelijksakte dat het gedaagde niet vrij stond op die grond het AWW-pensioen van appellante in te trekken. Met name kunnen die gebreken niet gevonden worden in de door appellante aangevoerde omstandigheden, te weten het bestaan van een ‘private marriage contract’, aangezien gedaagde zijn besluit heeft gebaseerd op de volgens het IJI rechtsgeldige huwelijksakte nr. 76, en uit het ‘private marriage contract’ niet blijkt dat de huwelijksakte nr. 76 niet geldig is. Evenmin kan de enkele bedoeling van partijen om geen gevolgen aan het huwelijk te verbinden tot de conclusie leiden dat het hier gaat om een evident gebrekkige akte. Van de zijde van appellante zijn overigens, zoals zij ter zitting heeft medegedeeld, geen acties ondernomen om in Egypte alsnog de nietigheid van het huwelijk te laten vaststellen bijvoorbeeld op de grond dat geen wilsovereenstemming tot stand is gekomen. De omstandigheid dat de huwelijksakte niet is gelegaliseerd en niet is ingeschreven in de Nederlandse registers van de burgerlijke stand alsmede het gegeven dat [D.] in Nederland inmiddels opnieuw zou zijn gehuwd (van welk feit overigens geen enkel bewijs is geleverd), brengt de Raad niet tot een ander oordeel, waarbij de Raad verwijst naar het advies van het IJI met betrekking tot de erkenning van het huwelijk in Nederland.

De Raad stelt vervolgens vast dat appellante niet heeft voldaan aan de mededelingsverplichting zoals geregeld in artikel 49 van de AWW, zodat gedaagde op grond van artikel 35, tweede lid, van de AWW, zoals deze bepalingen luidden ten tijde hier in geding, bevoegd was tot terugvordering over te gaan van hetgeen ten onrechte aan appellante is betaald over de periode 1 januari 1994 tot en met 31 mei 1995, welke terugvordering ’s Raads toetsing kan doorstaan.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet kan slagen, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake de vergoeding van proceskosten.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. N.J. Haverkamp als voorzitter en mr. T.L. de Vries en prof. mr. W.M. Levelt-Overmars als leden, in tegenwoordigheid van mr. M.B.M. Vermeulen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 11 april 2001.

(get.) N.J. Haverkamp.

(get.) M.B.M. Vermeulen.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Anw | Anw | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x