Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   Anw
x
LJN:
x
AD4640
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 05-09-2001
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Is op betrokkene de inkomensafhankelijke nabestaandenuitkering van toepassing of dient zij in aanmerking te worden gebracht voor de regeling op grond van artikel 66a van de Anw? De wetgever heeft geen reden gezien voor het treffen van een bijzondere regeling bij een voorzienbaar overlijden na 1 juli 1996 en een als gevolg daarvan onverzekerbaar risico voor het zogenaamde Anw-gat.
 
 
 

 

 
Uitspraak 99/2780 ANW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[A.], wonende te [B.], appellante,

en

de Sociale Verzekeringsbank, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Bij besluit van 22 januari 1998 heeft gedaagde aan appellante met ingang van de maand december 1997 een nabestaandenuitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet (Anw) toegekend ten bedrage van f 197,61 bruto per maand alsmede een vakantie-uitkering van f 12,57 bruto per maand.

Bij beslissing op bezwaar van 27 maart 1998, het thans bestreden besluit, heeft gedaagde het bezwaar tegen het besluit van 22 januari 1998 ongegrond verklaard.

De Arrondissementsrechtbank te Zutphen heeft bij uitspraak van 20 april 1999 het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Van deze uitspraak is mr. C.W.J.M. Appels, werkzaam bij Rechtshulp CNV, namens appellante in hoger beroep gekomen. Bij brief van 10 november 1999 heeft mr. A.M. Vinjé, werkzaam bij Rechtshulp CNV, de gronden van het hoger beroep uiteengezet.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 11 juli 2001 heeft mr. Vinjé gereageerd op het ingediende verweerschrift.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 25 juli 2001, waar appellante in persoon is verschenen, bijstaand door mr. A. Salamony-de Visser, eveneens werkzaam bij Rechtshulp CNV, en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door H. van der Most, werkzaam bij de Sociale Verzekeringsbank.




II. MOTIVERING


Appellante, geboren in 1940, heeft op 2 januari 1998 bij gedaagde een nabestaandenuitkering ingevolge de Anw aangevraagd in verband met het overlijden van haar echtgenoot [in] 1997. Bij het besluit van 22 januari 1998 heeft gedaagde vastgesteld dat appellante voldoet aan de voorwaarden voor het recht op deze nabestaandenuitkering. Gedaagde heeft aan de hand van het Inkomens- en samenloopbesluit Anw bepaald dat appellante f. 3.684,46 bruto per maand aan inkomen uit arbeid ontvangt. Met inachtneming van de geldende vrijstelling van 50% van het bruto minimumloon alsmede een derde deel van het meerdere heeft gedaagde het inkomen van appellante op de Anw-uitkering in mindering gebracht en vastgesteld dat appellante met ingang van december 1997 recht heeft op een uitkering van f 197,61 bruto per maand.

Tussen partijen is niet in geschil dat gedaagde de aanspraak van appellante op nabestaandenuitkering ingaande 1 december 1997 overeenkomstig het bepaalde in de Anw heeft vastgesteld.

Door en namens appellante is, evenals tijdens de procedure in eerste aanleg, aangevoerd dat haar echtgenoot in maart 1995 is geconfronteerd met een ongeneeslijke ziekte, waaraan hij [in] 1997 is overleden. Ten tijde van het indienen van het wetsontwerp Anw bij de Tweede Kamer in mei 1995 was ten gevolge van de gezondheidstoestand van appellantes echtgenoot sprake van een onverzekerbaar risico, waardoor hij niet in staat was een pensioenvoorziening te treffen ter dekking van het zogenaamde Anw-gat. In dat verband heeft appellante gewezen op brieven van Altis PGGM Verzekeringen en Amev Levensverzekering N.V. waarin haar echtgenoot is meegedeeld dat hij niet in aanmerking komt voor een levensverzekering. Appellante stelt zich op het standpunt dat de voor haar optredende effecten van de Anw door de wetgever niet zijn voorzien noch zijn beoogd. Voorts is appellante van mening dat zij gelet op haar specifieke situatie op grond van het rechtszekerheidsbeginsel ervan uit mocht gaan dat een verslechtering van wetgeving niet aan de orde zou komen. In het bijzonder is appellante van mening dat zij in dezelfde situatie verkeert als de voormalige gerechtigden op pensioen ingevolge de Algemene Weduwen- en Wezenwet (AWW), die op basis van het overgangsrecht Anw tot 1 januari 1998 aanspraak hadden op een inkomensonafhankelijke Anw-uitkering en vervolgens op een Anw-uitkering met een minimum van 30% van het bruto minimumloon. Appellante stelt zich op het standpunt dat zij evenals de groep voormalig AWW-gerechtigden een echtgenoot had met een onverzekerbaar risico en dat het gemaakte onderscheid tussen haar en de groep van voormalige AWW-gerechtigden niet berust op een redelijke en objectieve rechtvaardigingsgrond. Tevens is appellante van mening dat zij ongelijk wordt behandeld ten opzichte van de groep Anw-gerechtigen, waarvan de echtgenoot na 1 juli 1996 is overleden en die tevoren alle gelegenheid heeft gehad om een voorziening te treffen voor het zogenaamde Anw-gat. Ten slotte is aangevoerd dat de toepassing van de Anw leidt tot een indirecte discriminatie naar geslacht.

De Raad overweegt het volgende.

Anders dan appellante stelt kan uit de parlementaire behandeling van de Anw worden afgeleid dat de wetgever zich bewust is geweest dat bij een slechte gezondheidstoestand het treffen van een particuliere pensioenvoorziening moeilijk of niet mogelijk is. Dit kan worden afgeleid uit de door gedaagde in het verweerschrift geciteerde passage uit de memorie van toelichting (TK 1994-1995, 24 169, nr. 3, pag. 7-8) en tevens uit de memorie van antwoord (EK 1995-1996, 24 169, nr. 45c, pag. 8-14), paragraaf 4 betreffende private verzekerbaarheid en inkomenseffecten. Voorts blijkt uit de totstandkoming en invoering van artikel 66a van de Anw bij wet van 4 juli 1996, Stb. 1996, 369 dat de problematiek van personen die ongeneeslijk ziek zijn en om die reden zich niet meer op de private markt kunnen verzekeren tegen het overlijdensrisico onder ogen is gezien. De wetgever heeft voor deze groep nabestaanden, die onder de AWW aanspraak kon maken op een nabestaandenpensioen maar vanwege de vastgestelde leeftijdsgrens in de Anw per 1 juli 1996 niet in aanmerking kon komen voor een Anw-uitkering, de specifieke overgangsregeling van artikel 66a van de Anw getroffen. Deze groep komt bij overlijden van de echtgenoot na de inwerkingtreding van de Anw per 1 juli 1996, evenals appellante, in aanmerking voor een inkomensafhankelijke Anw-uitkering, waarbij niet de vrijlatingsregeling geldt die voor voormalig AWW-gerechtigden is getroffen. De wetgever heeft geen reden gezien voor het treffen van een bijzondere regeling bij een voorzienbaar overlijden na 1 juli 1996 en een als gevolg daarvan onverzekerbaar risico voor het zogenaamde Anw-gat.

Vanuit een oogpunt van rechtszekerheid heeft de wetgever geoordeeld dat een tijdelijke en/of gedeeltelijke (in dit geval een tijdelijke volledige tot 1 januari 1998 en in aansluiting daarop een gedeeltelijke) eerbiediging van bestaande rechten geboden is. Deze eerbiediging geldt uitsluitend voor degenen die al een recht hadden verworven op een AWW-pensioen. De omstandigheid dat ten tijde van het indienen van het wetsontwerp Anw appellantes echtgenoot niet langer in staat was om een aanvullende overlijdensvoorziening te treffen, betekent niet dat sprake is van een bestaand recht dat eerbiediging behoeft. Overigens merkt de Raad op dat al geruime tijd voor het indienen van het ontwerp van de Anw bekend was, zoals appellante ook ter zitting van de Raad heeft verklaard, dat de wetgever voornemens was om de AWW te vervangen en dat een van de belangrijkste veranderingen betrof de invoering van een inkomensafhankelijke nabestaandenuitkering.

De Raad kan evenmin het standpunt van appellante onderschrijven dat zij in dezelfde omstandigheden verkeert als de voormalige AWW-gerechtigden en dat het onderscheid tussen haar en die groep van gerechtigden in strijd is met het discriminatieverbod van artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR) en artikel 14 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). In dit verband wijst de Raad op zijn uitspraak van 21 oktober 1994, RSV 1995, 139 waarin hij heeft overwogen dat artikel 26 van het IVBPR er niet toe strekt personen te beschermen tegen de nadelige gevolgen van wijziging van wetgeving, waarbij noodzakelijkerwijs het toepasselijke wettelijke regime een relatie heeft met het tijdstip van de verzekerde gebeurtenis, in aanmerking genomen dat de gewijzigde wet op zichzelf geen discriminerend karakter heeft. De Raad is van oordeel dat ook artikel 14 van het EVRM daartoe niet strekt. Een essentieel verschil is dat appellante, anders dan de voormalige AWW-gerechtigden, geen aanspraak had op een te eerbiedigen recht op een nabestaandenuitkering. De omstandigheid dat appellante in andere omstandigheden verkeert dan degene die na 1 juli 1996 nabestaande is geworden en waarvan de echtgenoot alle gelegenheid heeft gehad om een aanvullende pensioenvoorziening te treffen, betekent niet dat de toepassing van de Anw in dat opzicht leidt tot een verboden onderscheid.

Ten slotte is de Raad van oordeel dat geen reden bestaat om aan te nemen dat sprake is van indirecte discriminatie naar geslacht in die zin dat meer vrouwen dan mannen worden getroffen door de inkomensafhankelijkheid van de Anw-uitkering. Ervan uitgaande dat meer mannelijke nabestaanden een inkomen of een hoger inkomen uit of in verband met arbeid ontvangen dan vrouwelijke nabestaanden zullen meer mannen dan vrouwen niet in aanmerking komen voor een Anw-uitkering. De omstandigheid dat meer vrouwen worden getroffen door het wegvallen van het inkomen van de echtgenoot bij zijn overlijden dan mannelijke nabestaanden van wie de echtgenote geen inkomen had, kan niet tot de conclusie leiden dat sprake is van indirecte discriminatie naar geslacht.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. N.J. Haverkamp als voorzitter en mr. F.P. Zwart en mr. J.Th. Wolleswinkel als leden, in tegenwoordigheid van J.J.B. van der Putten als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 5 september 2001.

(get.) N.J. Haverkamp.

(get.) J.J.B. van der Putten.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Anw | Anw | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x