Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   Anw
x
LJN:
x
AD7288
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 21-11-2001
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Oplegging van een boete van f 1200,-, hangende het hoger beroep verlaagd naar f 625,-, omdat betrokkene niet binnen vier weken aan de SVB heeft doorgegeven dat zij op de datum in geding is gaan samenwonen. Is de hoogte van het benadelingsbedrag en daarmee de hoogte van de boete juist vastgesteld?
 
 
 

 

 
Uitspraak 99/5977 ANW, 01/1607 ANW en 01/5592 ANW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

de Sociale Verzekeringsbank, appellant,

en

[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Bij besluit van 19 november 1998 heeft appellant aan gedaagde een boete opgelegd van f 1.200,- omdat gedaagde niet binnen vier weken aan appellant heeft doorgegeven dat zij op 14 mei 1998 is gaan samenwonen.

Bij beslissing op bezwaar van 22 januari 1999 heeft appellant het bezwaar tegen het besluit van 19 november 1998 ongegrond verklaard (besluit 1).

De Arrondissementsrechtbank te Assen heeft bij uitspraak van 22 oktober 1999 het beroep gegrond verklaard, besluit 1 vernietigd en bepaald dat appellant binnen acht weken, met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen, opnieuw beslist op het bezwaar van gedaagde alsmede appellant veroordeeld in de proceskosten van gedaagde en tevens bepaald dat appellant het griffierecht aan gedaagde dient te vergoeden.

Appellant is van die uitspraak op bij aanvullend beroepschrift - met een bijlage - aangevoerde gronden in hoger beroep gekomen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 11 september 2000 - met bijlagen - heeft appellant gereageerd op vragen van de Raad.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 15 november 2000, waar appellant zich heeft doen vertegenwoordigen door H. van der Most, werkzaam bij de Sociale Verzekeringbank, en waar gedaagde in persoon is verschenen.

De Raad heeft na die zitting het onderzoek heropend.

Op de vraag van de Raad tot welke gevolgen toepassing van het Boetebesluit socialezekerheidswetten van 14 oktober 2000, Stb. 2000, 462 zou leiden, heeft appellant bij brief van 8 februari 2001 gereageerd. Voorts heeft appellant bij brief van 26 februari 2001 de Raad een beslissing van 23 februari 2001 doen toekomen, waarbij aan gedaagde een boete van f 675,- is opgelegd en het eerder genomen besluit van 19 november 1998 is ingetrokken (besluit 2). De Raad heeft besluit 2 op grond van het bepaalde in de artikelen 6:18 en 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) betrokken in deze procedure.

Bij brief van 9 april 2001 heeft appellant de Raad enkele stukken doen toekomen.

Naar aanleiding van een vraag van de Raad heeft appellant bij brief van 5 juni 2001 gereageerd. Vervolgens heeft appellant de Raad een besluit van 29 juni 2001 doen toekomen, inhoudende dat aan gedaagde een boete van f 625,- wordt opgelegd en het eerder genomen besluit van 23 februari 2001 is ingetrokken (besluit 3). De Raad heeft ook besluit 3 betrokken in deze procedure.

Bij brief van 28 augustus 2001 heeft appellant gereageerd op vragen van de Raad.

Gedaagde heeft desgevraagd bij brief van 15 september 2001 een reactie gegeven op de brief van appellant d.d. 28 augustus 2001.

Desgevraagd hebben partijen toestemming gegeven een nieuwe behandeling van het geding ter zitting van de Raad achterwege te laten.




II. MOTIVERING


Appellant heeft aan gedaagde ingaande 1 augustus 1991 een weduwenpensioen ingevolge de Algemene Weduwen- en Wezenwet (AWW) toegekend, dat met ingang van de maand december 1991 wordt uitbetaald via het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds (ABP) te Heerlen. Het toegekende weduwenpensioen ingevolge de AWW is per 1 juli 1996 is omgezet in een uitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (Anw).
Bij het besluit van 28 november 1997, waarbij naar aanleiding van gedaagdes opgave van haar inkomen het recht op nabestaandenuitkering per 1 januari 1998 is vastgesteld, heeft appellant tevens aan gedaagde een "Overzicht van verplichtingen" verstrekt, waarbij zij is gewezen op de verplichting een wijziging in haar situatie, waaronder het gaan samenwonen, binnen vier weken schriftelijk aan appellant door te geven met daarbij de aantekening dat die termijn ook geldt als de informatie al is doorgegeven aan een andere instantie, bijvoorbeeld een gemeentelijk instelling of verzekeringsorgaan. Daarbij is gedaagde er tevens op attent gemaakt dat appellant bij het te laat doorgeven van een wijziging in persoonlijke omstandigheden een boete oplegt van minimaal f 300,-.

Appellant heeft op 6 oktober 1998 van het ABP vernomen dat gedaagde vanaf mei 1998 samenwoont. Bij brief van 8 oktober 1998 heeft gedaagde appellant bericht dat zij sinds mei 1998 een gezamenlijke huishouding voert met [naam]. Gedaagde heeft het ABP tijdig in kennis gesteld van de samenwoning en zij was in de veronderstelling dat het ABP deze wijziging automatisch aan appellant zou doorgegeven. Aangezien het gedaagde bekend was dat de nabestaandenuitkering ingevolge de Anw eindigt bij het voeren van een gezamenlijke huishouding bevreemdde het haar dat deze uitkering werd voortgezet. Voorts heeft gedaagde in de brief van 8 oktober 1998 erkend dat zij door alle drukte van verhuizen en samenwonen de door appellant verstrekte schriftelijke informatie inzake de verplichting om zelf aan appellant opgave te doen van een wijziging van omstandigheden niet zorgvuldig heeft gelezen.

Bij het besluit van 30 oktober 1998 heeft appellant vastgesteld dat gedaagdes recht op nabestaandenuitkering ingevolge de Anw op 31 mei 1998 eindigt en dat de aan haar onverschuldigd betaalde Anw-uitkering ten bedrage van f 7.521,81 wordt teruggevorderd. Dit besluit heeft gedaagde niet betwist. Tevens heeft appellant bij brief van 30 oktober 1998 aan gedaagde kenbaar gemaakt voornemens te zijn haar een boete van f 1.200,- op te leggen. Bij besluit 1 heeft appellant, na bezwaar, aan gedaagde een boete van f 1.200,- opgelegd, omdat zij niet binnen vier weken aan appellant opgave heeft gedaan dat zij is gaan samenwonen met [naam]. Deze boete is gebaseerd op artikel 39 van de Anw en het ter uitvoering van dat artikel door de Sociale Verzekeringsbank vastgestelde Boetebesluit Anw (Stcrt. 1996, 141, nadien gewijzigd).

Bij besluit 2 heeft appellant op grond van het met ingang van 1 februari 2001 in werking getreden Boetebesluit socialezekerheidswetten (Stb. 2000, 462) de boete vastgesteld op f 675,-. Daarbij is appellant uitgegaan van een benadelingsbedrag van f 6.535,35, te weten de onverschuldigd betaalde Anw-uitkering over de maanden juni 1998 tot en met september 1998. Appellant is tot de conclusie gekomen dat bij de vaststelling van het benadelingsbedrag de onverschuldigd betaalde Anw-uitkering over de maand oktober 1998 buiten aanmerking moet worden gelaten omdat gedaagde voorafgaande aan de uitbetaling over die maand opgave heeft gedaan van de gezamenlijke huishouding, zodat die betaling gedaagde niet kan worden toegerekend. Bij besluit 3 heeft appellant het bedrag van de boete nader bepaald op f 625,- om reden dat in het vastgestelde benadelingsbedrag ten onrechte het werkgeversdeel premie ziekenfonds is begrepen en dat het juiste benadelingsbedrag f 6.167,47 is. De boete is ingevolge artikel 2 van het Boetebesluit socialezekerheidswetten vastgesteld op 10% van het benadelingsbedrag en afgerond op een veelvoud van f 25,-. Appellant is van oordeel dat niet gebleken is van geen of verminderde verwijtbaarheid.

De Raad stelt vast dat appellant besluit 1 en besluit 2 niet langer handhaaft, nu uit het in de de loop van deze procedure kenbaar gemaakte besluit 3 voortvloeit dat aan gedaagde een boete van f 625,- wordt opgelegd. Dit betekent eveneens dat appellant geen belang meer heeft bij het hoger beroep betrekking hebbend op besluit 1 en gedaagde geen belang heeft bij het beroep tegen besluit 2, aangezien de grieven inzake die besluiten bij de toetsing van besluit 3, waar nodig, aan de orde kunnen komen. Nu niet is gebleken van enig belang van partijen bij een inhoudelijk oordeel van de Raad over besluit 1 en 2 wordt zowel het hoger beroep van appellant betrekking hebbend op besluit 1 als het beroep tegen besluit 2 niet-ontvankelijk geacht.

Ten aanzien van besluit 3 overweegt de Raad dat krachtens het bepaalde in artikel 35 van de Anw de nabestaande verplicht is aan de Sociale Verzekeringsbank, hetzij op verzoek hetzij onverwijld uit eigen beweging, alle feiten en omstandigheden mede te delen waarvan het hem of haar redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op, onder meer, het recht op Anw-uitkering. Naar het oordeel van de Raad is het gaan voeren van een gezamenlijke huishouding onmiskenbaar een omstandigheid waarvan het gedaagde redelijkerwijs duidelijk moet zijn geweest dat die van invloed is op het recht op Anw-uitkering en, zoals blijkt uit gedaagdes brief van 8 oktober 1998, was zij daarvan ook op de hoogte. De Raad stelt vast dat gedaagde in strijd met de op haar rustende verplichting niet binnen vier weken na aanvang van de gezamenlijke huishouding met [naam] appellant daarvan in kennis heeft gesteld. Daarmee staat tevens vast dat gedaagde haar mededelingsverplichting jegens appellant, neergelegd in artikel 35 van de Anw niet is nagekomen.

Gelet op de door appellant verstrekte specificatie van het benadelingsbedrag bij brief van 5 juni 2001 alsmede de nadere toelichting daarop bij brief van 28 augustus 2001 bestaat naar het oordeel van de Raad geen aanleiding om te veronderstellen dat het door appellant vastgestelde benadelingsbedrag van f 6.167,35, inclusief een nabetaling van f 308,78 over de maand juni 1998, onjuist is.

De Raad is van oordeel dat de omstandigheid dat gedaagde in de veronderstelling verkeerde dat het ABP appellant automatisch van deze omstandigheid in kennis zou stellen, niet kan leiden tot het oordeel dat sprake is van een geheel ontbreken van verwijtbaarheid met betrekking tot de overtreding van de mededelingsverplichting, aangezien deze onjuiste veronderstelling voor rekening van gedaagde moet blijven. Bovendien heeft appellant gedaagde door middel van het "Overzicht van verplichtingen" geļnformeerd dat niet volstaan kan worden met een wijziging van haar persoonlijke omstandigheden door te geven aan een andere instantie.

De Raad is evenwel van oordeel dat wel sprake is van omstandigheden die kunnen leiden tot het oordeel dat sprake is van verminderde verwijtbaarheid. Volgens het beleid van de Sociale Verzekeringsbank is sprake van verminderde verwijtbaarheid als een uitkeringsgerechtigde uit eigen beweging melding maakt van een gepleegd verzuim, tenzij appellant al eerder door een derde over de relevante wijziging is ingelicht. Gedaagde heeft uit eigen beweging tijdig aan het ABP opgave gedaan van haar gewijzigde omstandigheden en zij was, zij het ten onrechte, in de veronderstelling dat het ABP deze wijziging zou doorgeven aan appellant. Aangezien gedaagdes Anw-uitkering via het ABP betaalbaar werd gesteld, acht de Raad het voorstelbaar dat het ABP direct appellant van deze informatie in kennis had gesteld. Onmiddellijk nadat gedaagde van het ABP had begrepen dat haar veronderstelling onjuist was, heeft zij appellant bij brief van 8 oktober 1998 alsnog in kennis gesteld van haar gewijzigde omstandigheden. Op dat moment was gedaagde er niet van op de hoogte dat appellant inmiddels op 6 oktober 1998 door het ABP was geļnformeerd.
Hieruit vloeit voort dat appellant bij de vaststelling van de boete bij besluit 3 ten onrechte ervan is uitgegaan dat geen sprake is van verminderde verwijtbaarheid, zodat dit besluit niet in stand kan blijven. Appellant dient een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van het in deze, 's Raads, uitspraak overwogene.

De Raad acht termen aanwezig om appellant te voordelen in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb, welke kosten worden begroot op f 79,30 inzake een vergoeding van reiskosten. Van overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten is de Raad niet gebleken.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het hoger beroep betrekking hebbend op besluit 1 niet-ontvankelijk;
Verklaart het beroep tegen besluit 2 niet-ontvankelijk;
Verklaart het beroep tegen besluit 3 gegrond, vernietigt dat besluit en bepaalt dat appellant een nieuwe beslissing op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;
Veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep tot een bedrag groot ƒ 79,30.

Aldus gegeven door mr. N.J. Haverkamp als voorzitter en mr. F.P. Zwart en mr. T.L. de Vries als leden, in tegenwoordigheid van mr. M.B.M. Vermeulen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 21 november 2001.

(get.) N.J. Haverkamp.

(get.) M.B.M. Vermeulen.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Anw | Anw | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x