Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   Anw
x
LJN:
x
AE6060
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 29-05-2002
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Weigering Anw-wezenuitkering op de grond dat de vader op de datum van overlijden niet verzekerd was ingevolge de Anw en ook geen recht op wezenuitkering kan worden geopend op grond van Verordening (EEG) nr. 1408/71, omdat hij op het moment van overlijden evenmin verzekerd was in Duitsland. Ook als ingezetene van Nederland was de vader niet verzekerd ingevolge de Anw.
 
 
 

 

 
Uitspraak 99/5759 ANW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant, wettelijk vertegenwoordigd door [wettelijk vertegenwoordiger],

en

de Sociale Verzekeringsbank, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Bij besluit van 18 december 1998 heeft gedaagde geweigerd aan appellant een wezenuitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet (Anw) toe te kennen.

Bij besluit van 19 februari 1999 heeft gedaagde het bezwaar tegen het besluit van 18 december 1998 ongegrond verklaard.

De rechtbank Almelo heeft bij uitspraak van 15 oktober 1999 het beroep tegen het besluit van 19 februari 1999 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en tevens bepaald dat de rechtsgevolgen van dat besluit geheel in stand zullen blijven. Voorts heeft de rechtbank een proceskostenveroordeling en griffierechtvergoeding uitgesproken.

Namens appellant heeft mr. L.J. van der Veen, advocaat te Groningen, op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van 15 oktober 1999.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend en desgevraagd bij brieven van 17 en 20 november 2000 nadere inlichtingen verstrekt.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 6 maart 2002. Namens appellant is daar verschenen mr. Van der Veen, voornoemd, en [wettelijk vertegenwoordiger]. Gedaagde heeft zich doen vertegenwoordigen door K. van Ingen, werkzaam bij de Sociale Verzekeringsbank.




II. MOTIVERING


De Raad gaat bij zijn oordeelsvorming uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Appellant is [in] 1997 geboren uit het huwelijk tussen [de moeder] en [de vader] (verder te noemen: de vader). [De moeder] is [in] 1997 overleden, terwijl de vader [in] 1998 is overleden. De vader werkte laatstelijk vanaf 1 augustus 1995 als zelfstandige in Duitsland, waar hij niet verzekerd was ingevolge de Duitse nabestaandenwetgeving, als gevolg waarvan de aanvraag om een Duitse wezenuitkering door de Landesversicherungsanstalt Westfalen bij beschikking van 16 oktober 1998 is afgewezen.
Bij het besluit van 18 december 1998 heeft gedaagde de aanvraag om een wezenuitkering ingevolge de Anw afgewezen omdat de vader op de datum van overlijden niet verzekerd was ingevolge de Anw en ook geen recht op wezenuitkering kan worden geopend op grond van Verordening (EEG) nr. 1408/71 (verder te noemen: de Verordening), omdat hij op het moment van overlijden evenmin verzekerd was in Duitsland. Bij het bestreden besluit van 19 februari 1999 heeft gedaagde dit standpunt gehandhaafd en daar aan toegevoegd dat de vader geen ingezetene was omdat hij in Duitsland woonde en werkte.

De rechtbank heeft overwogen dat de sociale binding van de vader met Nederland zo sterk was dat de enkele omstandigheid dat hij in Duitsland woonde en werkte nog niet redengevend is voor het standpunt dat hij niet als ingezetene in de zin van de Anw kan worden beschouwd. Het bestreden besluit is dan ook onvoldoende gemotiveerd beoordeeld en om die reden vernietigd. Omdat de vader als zelfstandige in Duitsland werkte was op hem ingevolge artikel 13, tweede lid, sub b, van de Verordening de Duitse wetgeving van toepassing. Om die reden dient de aanvraag om een wezenuitkering op grond van de Anw te worden afgewezen. Dit door gedaagde in het verweerschrift ingenomen standpunt is door de rechtbank onderschreven en op grond daarvan heeft de rechtbank bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand zullen blijven.

Namens appellant is in hoger beroep het oordeel van de rechtbank met betrekking tot de betekenis van artikel 13, tweede lid, sub b, van de Verordening bestreden. Daarbij is het standpunt ingenomen dat op grond van het bepaalde in artikel 78, tweede lid, van de Verordening aan appellant een wezenuitkering ingevolge de Anw moet worden toegekend.

De Raad overweegt als volgt.

Het geding in hoger beroep is beperkt tot de vraag of appellant aan artikel 78 van de Verordening een recht op wezenuitkering ingevolge de Anw kan ontlenen.

Het tweede lid van artikel 78 van de Verordening luidde ten tijde hier van belang als volgt:
2. Ongeacht op het grondgebied van welke Lid-Staat de wees of de natuurlijke persoon of rechtspersoon te wiens laste deze wees in feite komt, woont, worden de bijslagen voor wezen toegekend volgens onderstaande regels:
a. voor de wees van een overleden werknemer of zelfstandige die aan de wettelijke regeling van één enkele Lid-Staat onderworpen was, overeenkomstig de wettelijke regeling van die Staat;
b. voor de wees van een overleden werknemer of zelfstandige die aan de wettelijke regelingen van meer dan één Lid-Staat onderworpen was:
i. overeenkomstig de wettelijke regeling van die van deze Staten, op het grondgebied waarvan de wees woont, indien het recht op één van de in lid 1 bedoelde bijslagen aldaar wordt ontleend aan de wettelijke regeling van die Staat, eventueel met inachtneming van artikel 79, lid 1, onder a, of
ii. (...)

Artikel 78 van de Verordening maakt deel uit van hoofdstuk 8 van titel III van de Verordening, welk hoofdstuk betrekking heeft op bijslagen voor kinderen die ten laste komen van pensioen- of rentetrekkers en voor wezen. In artikel 78, eerste lid, van de Verordening zoals luidend ten tijde in geding, is onder meer bepaald dat onder bijslagen wezenpensioenen of wezenrenten worden verstaan.

De Raad is van oordeel dat uit het stelsel van de Verordening voortvloeit dat de wezenpensioenen dienen te worden toegekend met toepassing van de bepalingen van hoofdstuk 8 van titel III van de Verordening, nu dit hoofdstuk bijzondere bepalingen bevat voor onder meer wezenpensioenen.
Voor dit oordeel vindt de Raad steun in de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen. In bijvoorbeeld rechtsoverweging 15 van het arrest Bastos Moriana (arrest van 27 februari 1997, zaak C-59/95, gepubliceerd in o.a. RSV 1998/37, met noot van mr. M.A.H.van Dalen-van Bekkum) wordt overwogen dat de in de artikelen 77 en 78 vervatte regelgeving ertoe strekt de lidstaat te bepalen waarvan de wettelijke regeling de verlening van bijslagen voor kinderen ten laste van pensioen- of rentetrekkers of voor wezen beheerst, waarbij de bijslagen dan in beginsel alleen volgens de wettelijke regeling van deze staat worden verleend.

De Raad stelt voorts vast dat artikel 78, tweede lid, van de Verordening iedere nationaal rechtelijke woonplaatseis opzij zet ten aanzien van de wees of de natuurlijke persoon of rechtspersoon te wiens laste deze wees komt. Deze bepaling heeft echter geen betrekking op woonplaatseisen of aansluitingsvoorwaarden die gelden voor de in dat artikel bedoelde overleden werknemer of zelfstandige. Ingevolge artikel 78 van de Verordening moet de wezenuitkering worden toegekend overeenkomstig de wettelijke regeling van de aangewezen staat en dient derhalve - behoudens het bepaalde in artikel 79, eerste lid, sub a van de Verordening - te zijn voldaan aan alle daarvoor in die wetgeving gestelde voorwaarden met betrekking tot de (verzekering van de) overleden werknemer of zelfstandige.

Nu gelet op genoemde beschikking van 16 oktober 1998 van het Duitse orgaan moet worden aangenomen dat de vader van appellant slechts aan een stelsel onderworpen is geweest, dient ingevolge het tweede lid van artikel 78 van de Verordening aan de hand van de Nederlandse wettelijke regeling te worden beoordeeld of er recht op wezenuitkering bestaat, nu appellant ten tijde hier van belang in Nederland woonde.

De rechtbank heeft geoordeeld dat de vader ten tijde hier van belang ingezetene was. Gedaagde heeft dat standpunt in zijn verweerschrift bestreden. Daargelaten het antwoord op de vraag of het standpunt van de rechtbank juist is, is de Raad van oordeel dat, ook als de vader ingezetene was, dit niet betekent dat hij in Nederland verzekerd was ingevolge de Anw. Nu - naar niet in geschil is - de vader laatstelijk uitsluitend in Duitsland werkzaam was, betekent dit dat hij - ook als hij ingezetene was - niet verzekerd was ingevolge de Anw.

Het voorgaande betekent dat appellant geen recht op wezenuitkering kan ontlenen aan artikel 78 van de Verordening. Het hoger beroep kan dan ook niet slagen en de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd, voor zover aangevochten.

De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Aldus gegeven door mr. H. van Leeuwen als voorzitter en mr. T.L. de Vries en mr. A.B.J. van der Ham als leden, in tegenwoordigheid van mr. M.B.M. Vermeulen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 29 mei 2002.

(get.) H. van Leeuwen.

(get.) M.B.M. Vermeulen.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Anw | Anw | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x