Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   Anw
x
LJN:
x
AE8890
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 18-09-2002
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Intrekking en terugvordering van de nabestaandenuitkering omdat na een steekproef is gebleken dat betrokkene in de maand van overlijden van zijn echtgenote de leeftijd van 40 jaar nog niet had bereikt en derhalve ten onrechte uitkering heeft ontvangen. Heeft betrokkene deze fout van de SVB kunnen onderkennen?
 
 
 

 

 
Uitspraak 01/3431 ANW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

de Sociale Verzekeringsbank, appellant,

en

[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Bij besluit van 15 februari 1999 heeft appellant met ingang van 1 februari 1994 het aan gedaagde toegekende weduwnaarspensioen ingevolge de Algemene Weduwen- en Wezenwet (AWW) en de van rechtswege per 1 juli 1996 aan hem toegekende nabestaandenuitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet (Anw) ingetrokken. Tevens heeft appellant bij dit besluit de vanaf 1 juli 1996 teveel betaalde nabestaandenuitkering ad f 57.616,25 ( 26.145,11) van gedaagde teruggevorderd.

Bij beslissing op bezwaar van 22 juli 1999, hierna: het bestreden besluit, is het bezwaar tegen het besluit van 15 februari 1999 ongegrond verklaard.

De rechtbank Rotterdam heeft bij uitspraak van 10 mei 2001 het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep gegrond verklaard en dat besluit vernietigd, met veroordeling van appellant in de proceskosten en tot vergoeding van het griffierecht.

Appellant is van die uitspraak in hoger beroep gekomen op bij beroepschrift aangevoerde gronden.

Namens gedaagde heeft mr. L.H. Weijer, advocaat te Capelle aan de IJssel, een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 14 augustus 2002, waar appellant zich heeft doen vertegenwoordigen door drs. A. Slovacek, werkzaam bij de Sociale Verzekeringsbank en waar gedaagde in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Weijer, voornoemd.




II. MOTIVERING


Gedaagde, geboren op 2 augustus 1940, is [in] 1961 gehuwd met [echtgenoot], die op [in] 1980 is overleden. Uit dit huwelijk zijn geen kinderen geboren.

In september 1989 heeft gedaagde een aanvraag om een weduwnaarspensioen ingevolge de AWW ingediend. Bij besluit van 15 mei 1990 heeft appellant met ingang van 1 september 1988 een weduwnaarspensioen ingevolge de AWW aan gedaagde toegekend. In dit besluit heeft appellant overwogen dat het pensioen is toegekend, omdat de echtgenote van gedaagde op de datum van haar overlijden verzekerd was ingevolge de AWW en gedaagde in de maand van overlijden de leeftijd van 40 jaar had bereikt.

Het aan gedaagde toegekende weduwnaarspensioen ingevolge de AWW is ingaande 1 juli 1996 van rechtswege omgezet in een nabestaandenuitkering ingevolge de Anw.

In september 1998 is in het kader van een "steekproef Anw" vastgesteld dat op grond van de dossiergegevens voor gedaagde geen recht bestaat op een pensioen ingevolge de AWW, omdat hij in de maand van overlijden van zijn echtgenote de leeftijd van 40 jaar nog niet had bereikt. Vervolgens is onderzocht of gedaagde op andere gronden aanspraak kon maken op een weduwnaarspensioen.

Bij het in bezwaar gehandhaafde besluit van 15 februari 1999 heeft appellant het aan gedaagde toegekende AWW-pensioen met ingang van 1 februari 1994 en de ingaande 1 juli 1996 van rechtswege toegekende nabestaandenuitkering met ingang van die datum ingetrokken. Dienaangaande heeft appellant in het bestreden besluit het volgende overwogen:
"Op grond van artikel 34, lid 1, sub b Anw herziet de SVB een besluit tot toekenning van een uitkering of trekt zij dat in indien (anderszins) de uitkering ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend. Op grond van lid 2 van artikel 34 Anw kan de SVB, indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn, besluiten geheel of gedeeltelijk van herziening of intrekking af te zien.
Er kan sprake zijn van een dergelijke dringende reden als de uitkeringsgerechtigde niet kan worden verweten een verplichting te hebben geschonden, en hij voorts niet heeft kunnen begrijpen dat de uitkering ten onrechte of tot een te hoog bedrag werd verleend. Is de onjuiste toekenning een gevolg van een fout van de SVB, maar heeft de belanghebbende deze fout kunnen onderkennen, dan is er in beginsel geen sprake van een dringende reden en vindt intrekking plaats met volledige terugwerkende kracht (SVB Beleidsregels 1998, blz. 109).
Aan u kan niet worden verweten een verplichting te hebben geschonden, aangezien u op het aanvraagformulier om AWW-pensioen zowel uw geboortedatum als de overlijdensdatum van uw echtgenote correct hebt opgegeven.
Naar mening van de SVB hebt u echter de fout van de SVB, om aan u een AWW-pensioen toe te kennen, wel kunnen onderkennen. (...) De SVB is van mening dat u bij normale oplettendheid had moeten weten dat het AWW-pensioen ten onrechte aan u werd toegekend en uitbetaald.
Nu u derhalve de fout had kunnen onderkennen, zou in beginsel geen sprake zijn van een dringende reden om van intrekking met volledige terugwerkende kracht af te zien. Echter, gezien de omstandigheid dat de uitkering gedurende een periode van 10 jaren en 5 maanden aan u is uitbetaald, is de SVB met inachtneming van het vertrouwensbeginsel, van mening dat er desalniettemin reden is om de mate van terugwerkende kracht te beperken. Bij dringende reden om gedeeltelijk van intrekking af te zien, wordt de terugwerkende kracht van de intrekking in beginsel tot de helft beperkt en bedraagt in beginsel ten hoogste vijf jaar (SVB Beleidsregels 1998, blz. 110). Gerekend vanaf de datum waarop de onjuistheid van de toekenning voor het eerst aan u is meegedeeld (februari 1999), is uw AWW/Anw-uitkering ingetrokken met een terugwerkende kracht van vijf jaar tot februari 1994."
Voorts heeft appellant de vanaf 1 juli 1996 tot 1 februari 1999 onverschuldigd betaalde Anw-uitkering ad f 57.616,25 ( 26.145,11) van gedaagde teruggevorderd.

De rechtbank heeft het bestreden besluit vernietigd, overwegende dat gedaagde op grond van de tekst van het besluit van 15 mei 1990 niet heeft moeten onderkennen dat hem ten onrechte een AWW-pensioen werd toegekend, nu in dat besluit niet expliciet wordt aangegeven dat de weduwnaar recht op weduwnaarspensioen heeft indien hij 40 jaar of ouder is op de laatste dag van de maand waarin zijn echtgenote is overleden. Daarbij heeft de rechtbank mede van belang geacht dat gedaagde ten tijde van het toekenningsbesluit al 49 jaar was, hij niet geoefend was in het lezen van juridische teksten en dat appellant de fout bij latere wijzigingsbesluiten ook niet heeft onderkend.
Voorts heeft de rechtbank in een overweging ten overvloede aangegeven dat gedaagde vanaf 1 juli 1996 wellicht aanspraak heeft op nabestaandenuitkering ingevolge de Anw.

Appellant heeft in hoger beroep het oordeel van de rechtbank bestreden en aangevoerd dat gedaagde bij normale oplettendheid redelijkerwijs had moeten weten dat het AWW-pensioen ten onrechte werd toegekend, zodat er geen aanleiding is af te zien van herziening met terugwerkende kracht. Voorts heeft appellant aangevoerd dat gedaagde geen aanspraak heeft op uitkering ingevolge de Anw, reeds omdat zijn echtgenote nooit verzekerd is geweest ingevolge die wet.

Ter zitting van de Raad is namens appellant medegedeeld dat het bestreden besluit niet wordt gehandhaafd, voor zover daarbij een bedrag van f 57.616,25 van gedaagde wordt teruggevorderd.

De Raad overweegt het volgende.

Voorop moet worden gesteld dat tussen partijen niet in geschil is dat gedaagde vanaf 1 september 1988 geen recht had op een weduwnaarspensioen ingevolge de AWW, omdat hij in de maand van overlijden van zijn echtgenote de leeftijd van 40 jaar nog (net) niet had bereikt. Voorts is de Raad, anders dan de rechtbank, van oordeel dat appellant terecht heeft geconcludeerd dat gedaagde vanaf 1 juli 1996 geen aanspraak had op een nabestaandenuitkering ingevolge de Anw. Zoals de Raad al eerder heeft overwogen in de uitspraak van 10 maart 1999 (RSV 99/231 en USZ 99/144) heeft de wetgever in de Anw het recht op een nabestaandenuitkering gekoppeld aan de status van nabestaande in de zin van de wet, zijnde dit de echtgenoot van een persoon die op de dag van overlijden ingevolge de Anw verzekerd was. Aldus kan een aanspraak op bedoelde uitkering, behoudens het overgangsrecht van hoofdstuk 8 van de Anw, slechts ontstaan in het geval dat de verzekerde gebeurtenis onder de vigeur van de Anw heeft plaatsgevonden. In lijn hiermee bepaalt artikel 105 van de Anw dat de AWW van toepassing blijft op de rechten, verplichtingen en bevoegdheden over tijdvakken gelegen vr de dag waarop de Anw inwerking treedt. De aanspraak op Anw-uitkeringen terzake van overlijden dat vr de inwerkingtreding van die wet heeft plaatsgehad, is ingevolge het overgangsrecht in algemene zin beperkt tot die gevallen waarin dat overlijden tot een aanspraak op uitkering krachtens de AWW had geleid. In dit wettelijk stelsel komt aan gedaagde derhalve geen aanspraak op Anw-uitkering toe terzake van het overlijden van zijn echtgenote op [in] 1980.

Verder stelt de Raad vast dat in hoger beroep slechts het besluit van appellant tot intrekking van het AWW-pensioen per 1 februari 1994 en de Anw-uitkering per 1 juli 1996 in geschil is, nu appellant het besluit ten aanzien van de terugvordering niet langer handhaaft.

Ingevolge de artikelen 26 van de AWW en 34, eerste lid, van de Anw is gedaagde gehouden een besluit tot toekenning van weduwnaarspensioen of nabestaandenuitkering in te trekken of te herzien, indien de uitkering ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend. Uitgangspunt van artikel 34 van de Anw is blijkens de memorie van toelichting dat in alle gevallen correctie van fouten moet plaatsvinden (TK, 1994-1995, 23 909, nr. 3). In de memorie van antwoord aan de Eerste Kamer is daaraan echter toegevoegd dat in het wetsvoorstel wordt aangesloten bij het rechtszekerheidsbeginsel uit de rechtspraak inhoudend dat herziening/intrekking van een uitkering niet is toegestaan tenzij betrokkene had kunnen begrijpen dat hij geen recht op uitkering had (EK, 1995-1996, 23 909, nr. 114b). Daarbij merkt de Raad nog op dat, anders dan namens gedaagde is betoogd, niet van doorslaggevend belang is of sprake is van laakbaar gedrag van de betrokkene. In de hiervoor genoemde memorie van antwoord is weliswaar in antwoord op gestelde vragen opgemerkt dat herziening met terugwerkende kracht mogelijk is als de betrokkene wist of had moeten weten dat zijn gedrag laakbaar was. Uit dit antwoord kan echter niet afgeleid worden dat alleen in geval van laakbaar gedrag tot herziening of intrekking kan worden besloten, zulks te minder nu in de nadere memorie van antwoord (EK, 1995-1996, 23 909, nr. 114d) tot uitdrukking is gebracht dat de invulling van beginselen van behoorlijk bestuur haar grenzen vindt in een reeds door de wetgever gemaakte afweging inhoudende de verplichting tot herziening en intrekking.

Appellant heeft een beleid ontwikkeld ten aanzien van het terugkomen van besluiten ten nadele van een betrokkene met terugwerkende kracht, waarbij rekening wordt gehouden met algemene rechtsbeginselen zoals het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel. Uitgangspunt van dit beleid is dat appellant niet tot herziening of intrekking met volledige terugwerkende kracht overgaat als de betrokkene al zijn verplichtingen is nagekomen en hij voorts niet heeft kunnen onderkennen dat het pensioen of de uitkering ten onrechte werd verleend. De Raad is van oordeel dat deze beleidsregels niet in strijd komen met enige geschreven of ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel, waaronder voornoemde wettelijke bepalingen, het beginsel van de rechtszekerheid en het vertrouwensbeginsel.

Het geschil spitst zich in hoger beroep toe op de vraag of appellant, in het kader van de toepassing van het hiervoor weergegeven beleid, terecht heeft aangenomen dat gedaagde na de toekenning van het weduwnaarspensioen bij besluit van 15 mei 1990 had kunnen onderkennen dat hij dit pensioen ten onrechte ontving. Anders dan de rechtbank is de Raad van oordeel dat gedaagde reeds bij lezing van het toekenningsbesluit had kunnen begrijpen dat een fout was gemaakt door gedaagde, nu in dat besluit is vermeld dat hij in de maand van overlijden van zijn echtgenote 40 jaar was, terwijl gedaagde die leeftijd pas een maand later had bereikt. Indien het gedaagde na lezing van het toekenningsbesluit niet duidelijk was of terecht een AWW-pensioen aan hem was toegekend, had het op zijn weg gelegen informatie daarover in te winnen bij appellant. Het feit dat gedaagde ten tijde van het toekenningsbesluit inmiddels al de leeftijd van 49 jaar had bereikt kan daaraan niet afdoen, nu hij kon begrijpen dat de leeftijd in juli 1980 van belang was. Ten slotte vermag de Raad in het onderhavige kader geen betekenis toe te kennen aan het gegeven dat appellant de fout niet eerder, bij herzieningen van de nabestaandenuitkeringen, heeft onderkend.

Het hiervoor overwogene leidt tot de slotsom dat appellant, met inachtneming van zijn hiervoor weergegeven beleid ten aanzien van de intrekking van uitkeringen met terugwerkende kracht, terecht heeft besloten het aan gedaagde toegekende weduwnaarspensioen per 1 februari 1994 en de nadien van rechtswege toegekende nabestaandenuitkering vanaf 1 juli 1996 in te trekken. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak niet in stand kan blijven, voor zover daarbij het beroep betrekking hebbend op de intrekking van deze uitkeringen gegrond is verklaard. Voor het overige komt die uitspraak voor bevestiging in aanmerking nu appellant de terugvordering niet langer handhaaft.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht appellant te veroordelen in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op 644,- voor verleende rechtsbijstand.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover daarbij het beroep betrekking hebbend op de intrekking van het weduwnaarspensioen en de nabestaandenuitkering vanaf 1 februari 1994, gegrond is verklaard;
Verklaart het inleidend beroep in zoverre ongegrond;
Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;
Veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep tot een bedrag groot 644,- .

Aldus gegeven door mr. T.L. de Vries als voorzitter en mr. H.J. Simon en mr. M.S.E. Wulffraat-van Dijk als leden, in tegenwoordigheid van mr. M.B.M. Vermeulen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 18 september 2002.

(get.) T.L. de Vries.

(get.) M.B.M. Vermeulen.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Anw | Anw | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x