Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   Anw
x
LJN:
x
AF2357
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 15-11-2002
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Vaststelling, na herberekening, van de nabestaandenuitkering op 21,81% van de volledige nabestaandenuitkering omdat betrokkenes dochter de leeftijd van 18 jaar had bereikt. Is de berekening van de uitkering onjuist omdat de verzekerde tijdvakken in BelgiŽ en Duitsland niet juist zijn vastgesteld? Is op de uitkering het juiste percentage ziekenfondspremie ingehouden?
 
 
 

 

 
Uitspraak 00/373 ANW en 01/2360 ANW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats] (Duitsland), appellante,

en

de Sociale Verzekeringsbank, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Bij besluit van 19 december 1997 heeft gedaagde de aan appellante toegekende nabestaandenuitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet (Anw) ingaande 1 januari 1998 nader vastgesteld op f 386,66 (Ä 175,46) bruto per maand.

Bij beslissing op bezwaar van 17 december 1998, hierna: besluit 1, is het bezwaar tegen het besluit van 19 december 1997 ongegrond verklaard.

De rechtbank Breda heeft bij uitspraak van 30 november 1999 het tegen besluit 1 ingestelde beroep gegrond verklaard en dat besluit vernietigd, voorzover daarbij het besluit over de hoogte van de in te houden ziekenfondspremie is gehandhaafd, en besluit 1 voor het overige in stand gelaten. Verder heeft de rechtbank bepaald dat gedaagde een nieuw besluit dient te nemen op de bezwaren van appellante inzake de hoogte van de ziekenfondspremie en dat gedaagde het griffierecht aan appellante dient te vergoeden.

Appellante is van die uitspraak in hoger beroep gekomen op bij beroepschrift, met bijlagen, aangevoerde gronden.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend. Daarbij heeft gedaagde een nieuwe beslissing op bezwaar van 13 maart 2000 overgelegd (hierna: besluit 2), waarin gedaagde naast hetgeen reeds in besluit 1 is overwogen heeft aangegeven dat appellante verplicht verzekerd is ingevolge de Ziekenfondswet (Zfw) en dat op haar Anw-uitkering het juiste percentage ziekenfondspremie is ingehouden. De Raad heeft besluit 2 op de voet van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) betrokken in deze procedure.

Appellante heeft vervolgens bij een drietal brieven haar standpunt nader toegelicht.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 23 januari 2002, waar appellante in persoon is verschenen en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. P.C.A. Buskens, werkzaam bij de Sociale Verzekeringsbank.

De Raad heeft vervolgens het onderzoek in deze procedure heropend en bij brief van 28 februari 2002 enige vragen voorgelegd aan gedaagde. Bij schrijven van 2 april 2002 heeft gedaagde deze vragen beantwoord.

Appellante heeft vervolgens nog enkele brieven aan de Raad gezonden.

Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad gehouden op 4 oktober 2002, waar partijen met kennisgeving niet zijn verschenen. Appellante heeft telefonisch en per faxbericht verzocht om aanhouding van de zitting in verband met een ongeval.




II. MOTIVERING


Gedaagde heeft bij besluit van 23 december 1983 met ingang van 1 oktober 1982 een weduwenpensioen ingevolge de Algemene Weduwen- en Wezenwet (AWW) aan appellante toegekend in verband met het overlijden van haar echtgenoot op 13 oktober 1982. Daarbij heeft gedaagde een korting toegepast op het volledige weduwenpensioen, omdat de echtgenoot van appellante tevens in BelgiŽ en Duitsland werkzaam is geweest en aan haar in verband daarmee tevens een nabestaandenuitkering ingevolge de sociale wetgeving van die landen was toegekend. Deze korting is gebaseerd op een tijdvak van 1420 dagen gedurende welke de echtgenoot van appellante in BelgiŽ en 8730 dagen gedurende welke hij in Duitsland verzekerd is geweest, bij een maximale verzekeringsduur vanaf zijn 15e verjaardag tot het tijdstip van zijn overlijden van 12984 dagen.

Bij besluit van 2 september 1991 heeft gedaagde het aan appellante toegekende weduwenpensioen ingaande 1 augustus 1991 herzien omdat haar dochter [naam dochter] de leeftijd van 18 jaar had bereikt. Met toepassing van artikel 46 van EG-Verordening 1408/71 (hierna: de Verordening), zoals dat artikel toen luidde, heeft gedaagde het weduwenpensioen bij dit besluit vastgesteld op 69,79% van het volledige weduwenpensioen.

Vanaf 1994 heeft appellante regelmatig met gedaagde gecorrespondeerd over de inhouding van ziekenfondspremie op haar weduwenpensioen, over de op haar pensioen gelegde executoriale beslagen en over de hoogte van het aan haar toegekende pensioen.

Ingaande 1 juli 1996 is het aan appellante toegekende weduwenpensioen ingevolge de AWW van rechtswege omgezet in een nabestaandenuitkering ingevolge de Anw.

Bij het besluit van 19 december 1997 heeft gedaagde de nabestaandenuitkering van appellante opnieuw herberekend en met toepassing van artikel 46 van de Verordening en onderdeel J, sub 3 van Bijlage VI bij de Verordening (zoals deze bepalingen sedert 1 juni 1992 luiden) vastgesteld op 21,81% van de volledige nabestaandenuitkering. In bezwaar heeft appellante aangevoerd dat de berekening van de uitkering onjuist is, omdat de verzekerde tijdvakken in BelgiŽ en Duitsland niet juist zijn vastgesteld, en heeft zij verzocht om een herberekening. Verder heeft zij bezwaar gemaakt tegen de inhouding van ziekenfondspremie op de uitkering en tegen de beslagen op de uitkering.

Bij besluit 1 heeft gedaagde het bezwaar van appellante ongegrond verklaard. Daarbij is overwogen dat het aantal verzekerde dagen van de echtgenoot van appellante in Duitsland en BelgiŽ in 1983 al is vastgesteld en dat er geen aanleiding bestaat terug te komen van die vaststelling nu geen nieuwe feiten kenbaar zijn gemaakt waaruit zou blijken dat een onjuiste berekening is gemaakt. Verder heeft gedaagde medegedeeld dat het bezwaar tegen de inhouding van ziekenfondspremie wordt voorgelegd aan het Ziekenfonds en gedaagde verplicht is het door de deurwaarder gelegde beslag uit te voeren. Aan appellante is geadviseerd terzake contact op te nemen met de deurwaarder voor een wijziging van de beslagvrije voet.

De rechtbank heeft het standpunt van gedaagde ten aanzien van de vaststelling van de nabestaandenuitkering per 1 januari 1998 en ten aanzien van de beslagleggingen onderschreven. Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat gedaagde had dienen na te gaan of de ingehouden ziekenfondspremie correspondeert met het premiepercentage als genoemd in een brief van de Ziekenfondsraad aan appellante. In zoverre heeft de rechtbank besluit 1 wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb vernietigd.

In hoger beroep heeft appellante wederom aangevoerd dat bij de vaststelling van de verzekerde tijdvakken in Duitsland en BelgiŽ grove fouten zijn gemaakt en heeft zij verzocht om toekenning van een invaliditeitspensioen wegens ziekte van haar echtgenoot. Verder heeft appellante haar grieven ten aanzien van de beslaglegging en de inhouding van ziekenfondspremie herhaald.

Bij besluit 2 heeft gedaagde overwogen dat appellante verplicht verzekerd is ingevolge de Ziekenfondswet (Zfw) en dat op haar Anw-uitkering het juiste percentage ziekenfondspremie is ingehouden.

De Raad overweegt het volgende.

Ten aanzien van het verzoek van appellante om aanhouding van de behandeling van het geschil, omdat zij wegens een ongeval niet ter zitting van 4 oktober 2002 kon verschijnen, merkt de Raad op dat geen aanleiding bestaat dit verzoek in te willigen. Daarbij acht de Raad van belang dat het geschil reeds op 23 januari j.l. ter zitting is behandeld, bij welke gelegenheid appellante haar grieven uitgebreid heeft toegelicht, en dat na die zitting het onderzoek is heropend in verband met enkele vragen van juridisch technische aard. Na kennisneming van de correspondentie hieromtrent heeft appellante geen aanleiding gevonden daarop te reageren en is zij in enkele brieven slechts nader ingegaan op de eerder aangevoerde grieven.

Met betrekking tot de herberekening van de aan appellante toegekende nabestaandenuitkering ziet de Raad zich allereerst gesteld voor de vraag of gedaagde, gelet op de artikelen 51 en 95bis van de Verordening, bevoegd was tot een herberekening overeenkomstig artikel 46 van die Verordening. Blijkens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen dient artikel 51 van de Verordening aldus uitgelegd te worden dat uitkeringen vastgesteld overeenkomstig artikel 46 van de Verordening slechts herberekend dienen te worden in geval van een structurele wijziging en niet wanneer sprake is van een aanpassing van de uitkering in verband met een stijging van de kosten van levensonderhoud of andere oorzaken. Van een dergelijke structurele wijziging is, onder meer, sprake wanneer de wijze van vaststelling of de regels voor de berekening van een uitkering in de nationale wetgeving wijzigen. De Raad is met gedaagde van oordeel dat de uit de inwerkingtreding van de Anw voortvloeiende wijzigingen per 1 januari 1998, toen de nabestaandenuitkering ook voor personen aan wie reeds voor 1 juli 1996 een weduwenpensioen ingevolge de AWW was toegekend - zoals aan appellante - inkomensafhankelijk werd zij het met een bepaalde overgangsregeling, een structurele wijziging is als hiervoor bedoeld, zodat gedaagde bevoegd was de nabestaandenuitkering met toepassing van artikel 46 van de Verordening ingaande 1 januari 1998 volledig te herberekenen. Het bepaalde in het vierde lid van artikel 95bis van de Verordening kan niet tot een ander oordeel leiden, aangezien de daar geregelde mogelijkheid om op verzoek een herberekening te laten plaatsvinden betrekking heeft op de situatie dat geen sprake is van een structurele wijziging als hiervoor bedoeld en dus onverlet laat de bevoegdheid tot een volledige herberekening bij een zodanige wijziging.

Ten aanzien van de wijze waarop gedaagde de nabestaandenuitkering van appellante heeft herberekend, stelt de Raad vast dat gedaagde die berekening geheel heeft gebaseerd op de verzekerde tijdvakken van de echtgenoot van appellante in BelgiŽ en Duitsland, zoals die zijn genoemd in het besluit van 23 december 1983. De Raad is echter van oordeel dat wanneer aanleiding bestaat voor een herberekening als bedoeld in artikel 51 van de Verordening, uit de aard van deze bepaling voortvloeit dat dan een volledige nieuwe berekening dient plaats te vinden op basis van alle op dat moment beschikbare gegevens. Daarbij kan het uitvoeringsorgaan wat betreft de tijdvakken van verzekering onder omstandigheden afgaan op eerder vastgestelde tijdvakken, doch wanneer - zoals in dit geval - die tijdvakken door betrokkene worden betwist, dan dient het uitvoeringsorgaan alvorens een beslissing - op bezwaar - te nemen zich er eerst van te vergewissen dat die tijdvakken juist zijn. Uit de gedingstukken blijkt dat gedaagde ook nadat appellante in bezwaar de omvang van de in BelgiŽ en Duitsland verzekerde tijdvakken had aangevochten, niet heeft onderzocht of die tijdvakken juist zijn. Voor een onderzoek naar de exacte omvang van de verzekerde tijdvakken in BelgiŽ en Duitsland bestond naar īs Raads oordeel te meer aanleiding nu de gegevens omtrent de verzekerde tijdvakken waarop het besluit van 23 december 1983 is gebaseerd, niet door gedaagde in het geding zijn gebracht en door appellante gegevens zijn aangedragen van de Belgische en Duitse uitvoeringsorganen waaruit een andere omvang van de verzekerde tijdvakken lijkt te volgen, althans waaruit de door gedaagde aangenomen omvang van die tijdvakken niet duidelijk volgt. De Raad is derhalve van oordeel dat besluit 1 in strijd met de in acht te nemen zorgvuldigheid is voorbereid en op grond van artikel 3:2 van de Awb niet in stand kan blijven.

Voorts merkt de Raad naar aanleiding van hetgeen appellante heeft aangevoerd omtrent de verlaging van de bij besluit 1 vastgestelde nabestaandenuitkering op dat de vaststelling van de uitkering in 1991 gebaseerd was op een andere berekeningswijze zoals toen bepaald in artikel 46 van de Verordening, welk artikel ingaande 1 juni 1992 is gewijzigd.

Met betrekking tot de grieven van appellante tegen de op haar nabestaandenuitkering gelegde executoriale beslagen merkt de Raad onder verwijzing naar zijn uitspraak van 21 maart 2002 (JB 02/131) op dat brieven van gedaagde waarin aan appellante mededeling wordt gedaan over een beslag en over het deel van de uitkering dat nog wordt betaald, beslissingen zijn gericht op rechtsgevolg en aangemerkt moeten worden als besluiten. Ingevolge artikel 438 Rv worden geschillen die in verband met een executie rijzen gebracht voor de rechtbank die naar de gewone regels bevoegd zou zijn. Gedaagde heeft zich ook naar 's Raads oordeel terecht op het standpunt gesteld dat hij gehouden is medewerking te verlenen aan het beslag en dat het niet op zijn weg ligt de geldigheid van dit beslag te beoordelen. Dit is voorbehouden aan de burgerlijke rechter. De toetsing van de bestuursrechter kan daarom niet verder strekken dan het beantwoorden van de vraag of het bestuursorgaan bij het nemen van de betalingsbeslissing gebleven is binnen het kader van het beslag. Niet in geschil is, dat zulks hier het geval is.

Ten slotte merkt de Raad nog op dat besluit 1 geen betrekking heeft op een door appellante - ook in hoger beroep - geclaimd invaliditeitspensioen, zodat de Raad omtrent een eventuele aanspraak van appellante op een zodanig pensioen geen oordeel kan geven.

Bij besluit 2 heeft gedaagde besluit 1 herhaald en daaraan overwegingen met betrekking tot de verzekering van appellante ingevolge de Zfw en de inhouding van ziekenfondspremie op haar uitkering toegevoegd. De Raad stelt vast dat voorzover sprake is van een herhaling van hetgeen in besluit 1 is overwogen besluit 2 niet op rechtsgevolg is gericht en in zoverre geen sprake is van een besluit in de zin van de Awb.

Dit betekent dat ten aanzien van besluit 2 slechts beoordeeld dient te worden of gedaagde terecht heeft aangenomen dat appellante op 1 januari 1998 verzekerd was ingevolge de Zfw. De Raad beantwoordt deze vraag bevestigend nu appellante toen in Nederland woonde, zodat zij op grond van artikel 3 van de Zfw verplicht verzekerd was. Voorts is niet gebleken dat aan appellante toen ontheffing is verleend van de verplichte ziekenfondsverzekering. Nu sprake was van verzekeringsplicht ingevolge de Zfw heeft gedaagde terecht ziekenfondspremie ingehouden op de nabestaandenuitkering van appellante. Ten slotte is de Raad niet gebleken dat gedaagde daarbij de wettelijk vastgestelde percentages niet in acht heeft genomen.

Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt voorzover daarbij besluit 1 in stand is gelaten en dat besluit 1 geheel vernietigd dient te worden. Gedaagde dient een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen. Het beroep tegen besluit 2 dient ongegrond verklaard te worden.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellante in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op Ä 214,- voor reiskosten en Ä 37,85 aan verblijfkosten in verband met de komst van appellante naar de zitting van de Raad op 23 januari 2002. De overige door appellante geclaimde kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking, nu appellante de gestelde verletkosten niet middels bewijsstukken heeft aangetoond en de kopieerkosten niet behoren tot de in het Besluit proceskosten bestuursrecht limitatief omschreven voor vergoeding in aanmerking komende kosten.

Ten aanzien van de door appellante gevorderde vergoeding van schade op grond van artikel 8:73 van de Awb stelt de Raad vast dat dit verzoek op dit moment niet kan worden toegewezen nu nog onduidelijk is of de vernietiging van besluit 1 zal leiden tot de toekenning van een hogere uitkering aan appellante, zodat evenzeer onduidelijk is of en in welke mate sprake is van voor vergoeding in aanmerking komende schade.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voorzover daarbij besluit 1 in stand is gelaten;
Vernietigt besluit 1 in zoverre;
Bepaalt dat gedaagde een nieuwe beslissing op bezwaar dient te nemen met inachtneming van het hiervoor overwogene;
Verklaart het beroep tegen besluit 2 ongegrond;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante in hoger beroep tot een bedrag groot Ä 251,85 te betalen aan appellante;
Bepaalt dat gedaagde aan appellante het betaalde recht van Ä 77,14 vergoedt.

Aldus gegeven door mr. M.M. van der Kade als voorzitter en mr. T.L. de Vries en mr. H.J. Simon als leden, in tegenwoordigheid van J.J.B. van der Putten als griffier en uitgesproken in het openbaar op 15 november 2002.

(get.) M.M. van der Kade.

(get.) J.J.B. van der Putten.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Anw | Anw | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x