Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   Anw
x
LJN:
x
AL6998
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 29-08-2003
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Toepassing van artikel 67 van de Anw: moet in onderhavig geval worden uitgegaan van een nieuw recht op nabestaandenuitkering of van een voortzetting van de reeds eerder toegekende uitkering? Is er sprake van strijdigheid met ILO-conventie 128?
 
 
 

 

 
Uitspraak 00/1495 ANW en 00/1716 ANW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[betrokkene], wonende te [woonplaats], appellant en tevens gedaagde, hierna: betrokkene,

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, gedaagde en tevens appellant, hierna: de Svb.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2003 zijn de artikelen 3, 4 en 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, voorzover het betreft de Sociale verzekeringsbank in werking getreden. Thans oefent de Svb de taken en bevoegdheden uit die tot genoemde datum werden uitgeoefend door de Sociale Verzekeringsbank. In deze uitspraak wordt onder de Svb tevens verstaan de Sociale Verzekeringsbank.

Partijen hebben op daartoe bij hun beroepschriften aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank s-Hertogenbosch van 15 februari 2000, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Partijen hebben beide een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 18 juli 2003, waar betrokkene in persoon is verschenen en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. M.F. Sturmans, werkzaam bij de Sociale verzekeringsbank.




II. MOTIVERING


Betrokkene, geboren [in] 1939, ontving vanaf 1 februari 1988 een weduwnaarspensioen ingevolge de Algemene Weduwen- en Wezenwet (AWW), dat met ingang van 1 juli 1996 van rechtswege is omgezet in een nabestaandenuitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet (Anw). Tevens ontvangt hij een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). In 1997 heeft betrokkene desgevraagd aan de Svb medegedeeld dat hij vanaf 1989 een gezamenlijke huishouding voert met mevrouw [naam mevrouw], geboren [in] 1945. De nabestaandenuitkering van betrokkene is met toepassing van artikel 67, derde lid, van de Anw met ingang van 1 januari 1998 vastgesteld op f 586,27 bruto per maand.

Mevrouw [naam mevrouw] is [in] 1998 overleden. Betrokkene heeft het overlijden van mevrouw [naam mevrouw] op 24 september 1998 aan de Svb gemeld, waarna betrokkene op verzoek van de Svb een aanvraag om een nabestaandenuitkering heeft ingediend. Bij beslissing op bezwaar van 8 juni 1999 heeft de Svb zijn besluit van 19 januari 1999 gehandhaafd, waarbij aan betrokkene is medegedeeld dat hij met ingang van 1 september 1998 recht heeft op een inkomensafhankelijke nabestaandenuitkering, maar dat deze uitkering niet tot uitbetaling komt als gevolg van de hoogte van zijn inkomen in verband met arbeid. Tevens heeft de Svb medegedeeld dat de aanspraak van betrokkene op een inkomensonafhankelijke uitkering komt te vervallen en dat de teveel betaalde Anw-uitkering vanaf september 1998 tot en met november 1998 ad f 2.085,- wordt teruggevorderd.

De rechtbank heeft allereerst geoordeeld dat de Svb terecht heeft beslist dat voor betrokkene met het overlijden van mevrouw [naam mevrouw] een nieuw recht op nabestaandenuitkering is ontstaan. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat de redactie van artikel 67 van de Anw geen ruimte laat voor een andere interpretatie dan dat bij het ontstaan van een nieuw recht op nabestaandenuitkering de eerder toegekende, deels inkomensonafhankelijke, nabestaandenuitkering eindigt. De rechtbank heeft het bestreden besluit niettemin vernietigd, omdat zij van oordeel is dat het volledig in mindering brengen van de WAO-uitkering van betrokkene op de Anw-uitkering, in strijd is met artikel 28, aanhef en onder b, van het Verdrag 128 betreffende uitkeringen bij invaliditeit en ouderdom en aan nagelaten betrekkingen van 29 juni 1967, Trb. 1968, 131 (hierna: ILO-conventie 128) en artikel 67, aanhef en onder b, van de Europese Code inzake sociale zekerheid van 16 april 1964, Trb. 1965, 47 (hierna: de Europese Code).

Betrokkene heeft in hoger beroep het oordeel van de rechtbank omtrent artikel 67 van de Anw aangevochten, omdat niet letterlijk in de Anw is vermeld dat het oude recht ingetrokken moet worden. Voorts heeft de Svb het oordeel van de rechtbank omtrent ILO-conventie 128 en de Europese Code betwist, onder verwijzing naar in andere procedures hieromtrent aangevoerde gronden.

De Raad overweegt het volgende.

Ten aanzien van de aanspraak van betrokkene op een deels inkomensonafhankelijke nabestaandenuitkering stelt dat de Raad voorop dat op grond van artikel 67, derde lid, in samenhang met artikel 67, eerste lid, van de Anw de persoon die direct voor de inwerkingtreding van de Anw recht had op een weduwenpensioen ingevolge de AWW, en die op 1 juli 1996 en op 1 januari 1998 met dezelfde persoon een gezamenlijke huishouding voert, aanspraak heeft op een nabestaandenuitkering van 30% van het brutominimumloon. Deze nabestaandenuitkering wordt verhoogd tot 70 % van het nettominimumloon met ingang van de eerste dag van de maand dat de nabestaande voor 1 juli 1998 geen gezamenlijke huishouding meer voert. Op grond van artikel 67, eerste lid, onder c, en artikel 67, tweede lid, van de Anw, wordt in dat geval het overig inkomen van de rechthebbende op de nabestaandenuitkering in mindering gebracht, met dien verstande dat van de nabestaandenuitkering een bedrag ter hoogte van 30 % van het brutominimumloon buiten aanmerking blijft, en van het overig inkomen een bedrag ter hoogte van 70% van het brutominimumloon wordt vrijgelaten.

Het recht op een nabestaandenuitkering die is berekend met toepassing van de vrijlating als bedoeld in artikel 67, eerste lid, onder c, Anw is blijkens de aanhef van het eerste lid uitdrukkelijk beperkt tot de dag waarop de betrokkene een nieuw recht op nabestaandenuitkering heeft verkregen. Het tweede en derde lid van artikel 67 Anw zijn blijkens hun aanhef uitsluitend van toepassing op personen bedoeld in het eerste lid. Derhalve kan naar het oordeel van de Raad zowel van een verhoging van de nabestaandenuitkering op de voet van artikel 67, derde lid, tweede volzin, van de Anw, als van een toepassing van de overgangsrechtelijke vrijlatingsregel als verwoord in artikel 67, tweede lid, van de Anw, uitsluitend sprake zijn indien en zolang de nabestaande geen nieuw recht op nabestaandenuitkering heeft verworven. Steun voor deze opvatting vindt de Raad in de Memorie van Toelichting bij de Wet van 4 juli 1996 tot wijziging van de Algemene nabestaandenwet, waarin is opgemerkt dat het overgangsregime uitsluitend geldt tot het moment dat op basis van de Anw een nieuw recht op nabestaandenuitkering ontstaat (Tweede Kamer, vergaderjaar 1995-1996, 24 693, nr. 3, pag. 6).

Nu betrokkene, ook gelet op artikel 67, derde lid, tweede volzin, van de Anw, voldoet aan de voorwaarden voor het ontstaan van een (nieuw) recht op nabestaandenuitkering in verband met het overlijden van mevrouw [naam mevrouw], had betrokkene geen recht meer op voortzetting (of verhoging) van zijn oorspronkelijke nabestaandenuitkering vanaf 1 september 1998. Dit betekent dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat bij het ontstaan van een nieuw recht op nabestaandenuitkering de eerder toegekende, deels inkomensonafhankelijke, nabestaandenuitkering eindigt.

Ten aanzien van het oordeel van de rechtbank omtrent ILO-conventie 128 en de Europese Code merkt de Raad allereerst op dat hij in zijn uitspraak van 24 januari 2001, RSV 2001/138, reeds heeft overwogen dat deze normverdragen een instructiekarakter dragen en gericht zijn tot de verdragsluitende partijen, hetgeen in het algemeen in de weg zal staan aan de mogelijkheid van het inroepen van een rechtens afdwingbare aanspraak op een concrete prestatie in een individueel geval. Bij uitspraak van 4 april 2003, nr. 99/4861 Anw, heeft de Raad in het bijzonder met betrekking tot artikel 28 van ILO-conventie 128 overwogen dat een staat geacht wordt aan artikel 28 te voldoen als het collectieve beschermingsniveau adequaat is, zonder daarbij acht te slaan op datgene wat in het individuele geval tot uitbetaling komt, en dat de verdragsluitende partijen op verschillende wijzen inhoud kunnen geven aan die instructienormen, zodat deze moeilijk te sublimeren zijn tot een rechtens afdwingbare norm voor burgers. De Raad is tot het oordeel gekomen dat de artikelen 28, sub b, van ILO-conventie 128 en 67, sub b van de Europese Code niet geacht kunnen worden een eenieder verbindende bepaling te bevatten in de zin van de artikelen 93 en 94 van de Grondwet die in beginsel door de burger voor de rechter kan worden ingeroepen.

Dit betekent dat de rechtbank het bestreden besluit ten onrechte in strijd heeft geacht met voornoemde normverdragen, zodat de aangevallen uitspraak niet in stand kan blijven.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep van de Svb slaagt, zodat de aangevallen uitspraak niet in stand kan blijven en het inleidend beroep ongegrond verklaard dient te worden.

De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het inleidend beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. T.L. de Vries als voorzitter en mr. H.J. Simon en mr. N.J. Haverkamp als leden, in tegenwoordigheid van mr. M.B.M. Vermeulen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 29 augustus 2003.

(get.) T.L. de Vries.

(get.) M.B.M. Vermeulen.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Anw | Anw | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x