Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   Anw
x
LJN:
x
AN9000
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 07-11-2003
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Is er sprake van een financiŽle band tussen betrokkene en haar overleden ex-echtgenoot op grond waarvan betrokkene met een nabestaande in de zin van de Anw kan worden gelijkgesteld?
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 02/4275 ANW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2003 zijn de artikelen 3, 4 en 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, voorzover het betreft de Sociale verzekeringsbank in werking getreden. Thans oefent gedaagde de taken en bevoegdheden uit die tot genoemde datum werden uitgeoefend door de Sociale Verzekeringsbank. In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan de Sociale Verzekeringsbank.

Op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden is mr. ing. J.G. van Ek, advocaat te Heerlen, namens appellante in hoger beroep gekomen tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 9 juli 2002, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 10 oktober 2003, waar appellante in persoon is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde mr. Van Ek voornoemd en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. A.F.L.B. Metz, werkzaam bij de Sociale verzekeringsbank.




II. MOTIVERING


Appellante is tot 30 maart 1993 gehuwd geweest met [naam ex-echtgenoot], die is overleden [in] 2001. Naar aanleiding van dit overlijden heeft appellante in november 2001 een aanvraag om uitkering op grond van de - op 1 juli 1996 in werking getreden - Algemene nabestaandenwet (Anw) bij gedaagde ingediend.

Bij besluit van 27 november 2001 heeft gedaagde dit verzoek afgewezen. Bij beslissing op bezwaar van 6 februari 2002 heeft gedaagde het bezwaar tegen het besluit van 27 november 2001 ongegrond verklaard overwegende dat appellante niet als nabestaande van de overledene kan worden aangemerkt, omdat de overledene niet verplicht was aan appellante een bedrag voor levensonderhoud te betalen.

De rechtbank heeft het bestreden besluit in stand gelaten.

Bij de beoordeling van het hoger beroep stelt de Raad voorop dat, naar van de zijde van appellante niet is bestreden, zij niet als nabestaande in de zin van artikel 1, onder e, in verbinding met artikel 3, van de Anw kan worden aangemerkt. Een aanspraak op nabestaandenuitkering zou appellante slechts kunnen ontlenen aan artikel 4 van de wet, dat bepaalt dat onder nabestaande mede wordt verstaan de gewezen echtgenote van een overleden verzekerde, indien:
a. het huwelijk anders dan door de dood is ontbonden; en
b. de overleden verzekerde onmiddellijk voorafgaand aan het overlijden verplicht is krachtens rechterlijke uitspraak of overeenkomst, vastgelegd in een notariŽle akte of een akte mede ondertekend door een advocaat, levensonderhoud te verschaffen aan de gewezen echtgenoot op grond van Boek I van het Burgerlijk Wetboek; en
c. de gewezen echtgenoot overeenkomstig de bepalingen in deze wet recht op nabestaandenuitkering zou hebben gehad, indien het overlijden plaats zou hebben gehad op de dag van ontbinding van het huwelijk anders dan door de dood.

Gedaagde heeft appellante de nabestaandenuitkering ingevolge de Anw ontzegd op de grond dat haar gewezen echtgenoot onmiddellijk voorafgaande aan zijn overlijden niet verplicht was aan appellante levensonderhoud te verschaffen.

Van de zijde van appellante is dit standpunt van gedaagde betwist en aangevoerd dat zij wel als nabestaande in de zin van artikel 4 van de Anw dient te worden aangemerkt. Ter ondersteuning van dit standpunt heeft appellante verwezen naar het echtscheidingsconvenant waarin de volgende passage is opgenomen:
"De vrouw doet uitdrukkelijk afstand van haar recht op alimentatie jegens de man, voor nu en in de toekomst, welk beding niet bij rechterlijke uitspraak zal kunnen worden gewijzigd, ook niet bij wijziging van omstandigheden, welk beding niet geldt voor de periode dat zij na het feitelijk uit elkaar gaan van partijen, bijstand geniet."
In dit verband is namens appellante betoogd dat zij ten tijde van het overlijden van haar ex-echtgenoot bijstand genoot en dat de gemeente f 1000,- per maand bij hem verhaalde, waaruit kan worden afgeleid dat appellante recht had op alimentatie.

De Raad kan de opvatting van appellante niet onderschrijven.
De Raad overweegt daartoe, dat de "pseudoweduwe", zoals een persoon in de positie van appellante doorgaans wordt aangeduid, slechts bij wege van gelijkstelling ingevolge artikel 4 van de Anw als nabestaande kan worden aangemerkt. Blijkens de wetsgeschiedenis is voor die gelijkstelling slechts dan voldoende grondslag aanwezig geacht, indien er ten tijde van het overlijden sprake was van economische afhankelijkheid, tot uitdrukking komend in een financiŽle band tussen de overledene en de ex-echtgenoot, welke op zijn beurt was vastgelegd in een uitspraak of akte als in de wet omschreven.
Duidelijk is dat aan deze voorwaarden in de situatie van appellante niet is voldaan: door het verhaal op [naam ex-echtgenoot] vanwege de gemeente is er geen financiŽle band tussen hem en appellante ontstaan waarin haar economische afhankelijkheid van hem tot uitdrukking komt. Evenmin is er enige indicatie dat de wetgever bedoeld heeft om die voorwaarden ook vervuld te achten in de feitelijke omstandigheden die zich bij appellante hebben voorgedaan.
De Raad ziet dan ook geen ruimte om de voorwaarde onder b) van artikel 4 van de Anw ook vervuld te achten in het geval dat er sprake is van verhaal ingevolge de Algemene bijstandswet op de ex-echtgenoot. Derhalve moet geconcludeerd worden dat de gewezen echtgenoot van appellante niet verplicht was aan appellante levensonderhoud op grond van Boek I van het Burgerlijk Wetboek te verschaffen.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet kan slagen, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. T.L. de Vries, in tegenwoordigheid van mr. M.F. van Moorst als griffier en uitgesproken in het openbaar op 7 november 2003.

(get.) T.L. de Vries.

(get.) M.F. van Moorst.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Anw | Anw | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x