Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   Anw
x
LJN:
x
AO8991
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 23-04-2004
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Intrekking en terugvordering van de nabestaandenuitkering wegens inkomsten uit WAO-uitkering.
 
 
 

 

 
Uitspraak 02/4067 ANW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2003 zijn de artikelen 3, 4 en 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, voorzover het betreft de Sociale verzekeringsbank in werking getreden. Thans oefent gedaagde de taken en bevoegdheden uit die tot genoemde datum werden uitgeoefend door de Sociale Verzekeringsbank. In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan de Sociale Verzekeringsbank.

Appellant heeft op daartoe bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 11 juli 2002, nr. AWB 01/1582 ANW, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 12 maart 2004, waar appellant niet is verschenen en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. M. Sturmans, werkzaam bij de Sociale verzekeringsbank.




II. MOTIVERING


Na kennisneming van het door appellant in juni 2001 ingezonden inkomensopgaveformulier, waaruit bleek dat de hoogte van de aan appellant toegekende arbeidsongeschiktheidsuitkering vanaf 1 januari 2001 f 3.013,25 bruto per maand bedroeg, heeft gedaagde bij besluit van 9 juli 2001 de aan appellant toegekende nabestaandenuitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet (Anw) met ingang van 1 januari 2001 herzien en nader vastgesteld op f 763,23 bruto per maand. Tevens heeft gedaagde bij besluit van 30 augustus 2001 de over het tijdvak van 1 januari 2001 tot 1 juli 2001 te veel betaalde uitkering van f 849,78, van appellant teruggevorderd. Bij beslissing op bezwaar van 14 november 2001, hierna: het bestreden besluit, heeft gedaagde de bezwaren van appellant tegen de herziening en de terugvordering ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard, overwegende dat appellant de wijziging in de hoogte van zijn arbeidsongeschiktheidsuitkering niet tijdig heeft gemeld aan gedaagde en dat gedaagde op grond van artikel 34, eerste lid, van de Anw verplicht is de Anw-uitkering van appellant met terugwerkende kracht te herzien. Daarbij is tevens overwogen dat niet is gebleken van dringende redenen als bedoeld in artikel 34, tweede lid, van de Anw op grond waarvan gedaagde geheel of gedeeltelijk van herziening had moeten afzien en dat gedaagde in overeenstemming met het terzake gevoerde beleid in redelijkheid heeft kunnen besluiten tot herziening met terugwerkende kracht. Ten aanzien van de terugvordering heeft de rechtbank overwogen dat gedaagde op grond van artikel 53, eerste lid, van de Anw verplicht is de teveel betaalde uitkering terug te vorderen en dat gedaagde in redelijkheid heeft kunnen komen tot het besluit niet van terugvordering af te zien, omdat niet is gebleken van dringende redenen als bedoeld in het tweede lid van dit artikel.

In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat hij nog steeds geen specificatie van gedaagde heeft ontvangen en daarom niet akkoord kan gaan met het bestreden besluit.

De Raad kan zich geheel verenigen met het hiervoor weergegeven oordeel van de rechtbank en maakt dat tot het zijne. Hetgeen door appellant in hoger beroep is aangevoerd heeft de Raad niet tot een ander oordeel kunnen brengen. Daarbij merkt de Raad nog op dat gedaagde bij de gedingstukken een berekeningsblad heeft gevoegd waarin de aanspraak van appellant op een Anw-uitkering vanaf 1 januari 2001 gespecificeerd is berekend op grond van de nader gebleken hoogte van de aan appellant toegekende arbeidsongeschiktheidsuitkering. Tevens is daarbij gespecificeerd welke bedragen per maand over het tijdvak van 1 januari 2001 tot 1 juli 2001 te veel aan appellant zijn betaald.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet kan slagen, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. H. van Leeuwen als voorzitter en mr. M.M. van der Kade en mr. T.L. de Vries als leden, in tegenwoordigheid van J.J.B. van der Putten als griffier en uitgesproken in het openbaar op 23 april 2004.

(get.) H. van Leeuwen.

(get.) J.J.B. van der Putten.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Anw | Anw | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x