Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   Anw
x
LJN:
x
AP1170
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 01-06-2004
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Terugvordering van onverschuldigd betaalde Anw-uitkering wegens verzwegen gezamenlijke huishouding. Is er sprake van een kostgangersrelatie?
 
 
 

 

 
Uitspraak 01/4312 ANW en 02/1619 ANW




U I T S P R A A K




in de gedingen tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN


Met ingang van 1 januari 2003 zijn de artikelen 3, 4 en 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, voor zover het betreft de Sociale verzekeringsbank in werking getreden. Thans oefent gedaagde de taken en bevoegdheden uit die tot die datum werden uitgeoefend door de Sociale Verzekeringsbank. In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan de Sociale Verzekeringsbank.

Namens appellante heeft mr. O. Labordus, werkzaam bij L.A.R. Rechtsbijstand te Rijswijk, op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen door de rechtbank Breda op respectievelijk 22 juni 2001 en 29 januari 2002 tussen partijen gewezen uitspraken, reg.nrs. 00/1515ANW en 01/1257 ANW, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft in beide gedingen een verweerschrift ingediend.

De gedingen zijn gevoegd behandeld ter zitting van 20 april 2004, waar appellante in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Labordus, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. P.C.A. Buskens, werkzaam bij de Sociale verzekeringsbank, vestiging Breda.




II. MOTIVERING


De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Appellante ontving sedert 1 januari 1997 een uitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet (Anw). Op een op 28 april 1999 ingevuld en ondertekend inkomstenformulier heeft appellante vermeld dat haar broer, [dhr. V.], sinds enige tijd bij haar inwoont.

Bij besluit van 9 december 1999 heeft gedaagde het recht op de nabestaandenuitkering van appellante herzien (lees: ingetrokken) op de grond dat zij vanaf 1 januari 1997 een gezamenlijke huishouding met haar broer voert.

Gedaagde heeft het tegen het besluit van 9 december 1999 gemaakte bezwaar bij besluit van 31 juli 2000 gegrond verklaard in die zin dat de nabestaandenuitkering eerst met ingang van 1 juni 1997 wordt ingetrokken.

Bij besluit van 9 augustus 2000 heeft gedaagde het op 27 maart 2000 ingediende verzoek van appellante, om haar met ingang van 1 januari 2000 wederom een nabestaandenuitkering te verlenen, afgewezen. Dit besluit is gebaseerd op de grond dat appellante geacht wordt - onveranderd - een gezamenlijke huishouding te voeren met haar broer.

Bij besluit van 16 oktober 2000 heeft gedaagde de over de periode van 1 juni 1997 tot en met 30 november 1999 aan appellante verleende uitkering tot een bedrag van f 27.762,31 van haar teruggevorderd.

Bij besluit van 8 maart 2001 heeft gedaagde ter correctie op het besluit van 16 oktober 2000 bepaald dat een bedrag van f 42.832,92 van appellante wordt teruggevorderd en dat hierop een nabetaling van de alsnog toegekende halfwezenuitkering ten behoeve van haar kinderen in mindering wordt gebracht, zodat een terug te vorderen bedrag resteert van f 27.762,31. Tevens is hierbij bepaald dat dit bedrag ingaande januari 2000 in maandelijkse termijnen van f 2.314,-- wordt terugbetaald.

Gedaagde heeft de tegen de besluiten van 9 augustus 2000 en 8 maart 2001 gemaakte bezwaren bij besluit van 13 juni 2001 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraken heeft de rechtbank de tegen de besluiten van 31 juli 2000 en 13 juni 2001 ingestelde beroepen ongegrond verklaard.

Appellante heeft zich gemotiveerd tegen deze uitspraken gekeerd. Zij heeft als belangrijkste grief aangevoerd dat er ten tijde in geding geen sprake is geweest van het voeren van een gezamenlijke huishouding met haar broer.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.



De intrekking van het recht op uitkering

Ingevolge artikel 3, tweede lid, van de Anw wordt in deze wet als gehuwd of als echtgenoot mede aangemerkt de ongehuwde meerderjarige die met een andere ongehuwde meerderjarige een gezamenlijke huishouding voert, tenzij het betreft een bloedverwant in de eerste graad. Op grond van het derde lid van dit artikel is van een gezamenlijke huishouding sprake, indien twee personen hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.

Het eerste criterium waaraan moet zijn voldaan, wil er sprake zijn van een gezamenlijke huishouding, is dat van het hoofdverblijf hebben in dezelfde woning. De Raad stelt vast dat niet in geschil is dat daarvan in het geval van appellante en haar broer sedert mei 1997 sprake was. Aan het eerste criterium is in casu dan ook voldaan.

Het tweede criterium waaraan moet zijn voldaan is dat van de wederzijdse verzorging. Naar vaste rechtspraak van de Raad kan deze blijken uit een bepaalde mate van financiŽle verstrengeling tussen de betrokkenen die verder gaat dan het uitsluitend delen van de woonlasten en hiermee samenhangende vaste lasten. Indien van een zodanig financiŽle verstrengeling niet of slechts in geringe mate sprake is, kunnen ook andere feiten en omstandigheden voldoende zijn om aan te nemen dat de betrokkenen in elkaars verzorging voorzien. Een afweging van alle ten aanzien van betrokkenen gebleken feiten en omstandigheden, die niet van subjectieve aard zijn, zal dan ook bepalend zijn voor het antwoord op de vraag of aan het verzorgingscriterium in een concreet geval is voldaan.

Vaststaat dat de broer van appellante ten tijde in geding maandelijks f 300,-- aan appellante betaalde voor kost en inwoning. Voorts is de Raad gebleken dat de broer van appellante de zolderetage van de woning in gebruik had en dat de in de woning aanwezige voorzieningen en het meubilair, met uitzondering van elkaars slaapkamers, gemeenschappelijk werden gebruikt. Verder staat vast dat appellante voor haar broer kookte en waste, dat haar broer wel eens op haar kinderen paste en dat appellante gemachtigde was van de bankrekening van haar broer. De Raad acht met de bovenstaande omstandigheden, waaruit een beeld van financiŽle verstrengeling en wederzijdse zorg voor elkaar naar voren komt, voldoende aannemelijk gemaakt dat ten tijde in geding tevens aan het criterium van wederzijdse zorg was voldaan. Dat de broer van appellante in verband met zijn werkzaamheden gedurende kortere periodes in het buitenland zou verblijven doet aan het voorgaande niet af.

De door appellante gestelde commerciŽle relatie acht de Raad niet aannemelijk geworden. Daarbij is, naast hetgeen hiervoor is weergegeven over het gezamenlijk gebruik van de woning van appellante, van belang dat de afspraken over het verlenen aan de broer van appellante van kost, inwoning en zorg door appellante alsmede de daarvoor bedongen prijs ten tijde hier in geding niet in een contract waren vastgelegd. De daarvoor door de broer van appellante betaalde prijs van f 300,-- per maand kan tevens niet worden beschouwd als een reŽle zakelijke vergoeding. Een en ander betekent dat de maandelijkse bijdrage van de broer van appellante moet worden gekwalificeerd als een bijdrage in de kosten van de huishouding.

Op grond van het bovenstaande is de Raad van oordeel dat gedaagde terecht heeft geconcludeerd dat sedert mei 1997 tussen appellante en haar broer sprake was van een gezamenlijke huishouding als bedoeld in artikel 3, derde lid, van de Anw. Gelet hierop eindigde ingevolge artikel 16, tweede lid, van de Anw het recht van appellante op een Anw-uitkering met ingang van 1 juni 1997, zijnde de eerste dag van de maand volgend op die waarin zij een gezamenlijke huishouding is gaan voeren.

De Raad kan voorts op grond van de voorhanden gegevens tot geen andere conclusie komen dan dat appellante gedaagde eerst op 28 april 1999 op de hoogte heeft gebracht van het feit dat haar broer bij haar inwoonde. Daarmee heeft zij niet voldaan aan de ingevolge artikel 35 van de Anw op haar rustende inlichtingenverplichting.

Gedaagde heeft de nabestaandenuitkering van appellante derhalve terecht, met toepassing van het bepaalde in artikel 34, eerste lid, van de Anw, met ingang van 1 juni 1997 ingetrokken.

Van dringende redenen als bedoeld in artikel 34, tweede lid, van de Anw, op grond waarvan gedaagde geheel of gedeeltelijk van intrekking kon afzien, is de Raad niet gebleken.



De terugvordering

Nu appellante geen afzonderlijke grieven heeft aangevoerd tegen de omvang en de hoogte van de terugvordering volstaat de Raad met de conclusie dat met betrekking tot de periode van 1 juni 1997 tot en met 30 november 1999 is voldaan aan de voorwaarden voor terugvordering op grond van artikel 53, eerste lid, van de Anw. Niet gebleken is van het bestaan van dringende redenen ingevolge artikel 53, vierde lid, van de Anw op grond waarvan gedaagde bevoegd was geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.



De afwijzing van de aanvraag van 27 maart 2000

Zoals de Raad reeds eerder heeft overwogen ligt het, indien op een eerdere aanvraag afwijzend is beslist dan wel een lopende uitkering is beŽindigd, in geval van een soortgelijke aanvraag, gericht op het verkrijgen van een periodieke uitkering met ingang van een later gelegen datum, op de weg van de aanvrager om aan te tonen dat er sprake is van een wijziging van de omstandigheden, in die zin dat hij nu wel voldoet aan de vereisten om voor uitkering in aanmerking te komen.

De Raad is van oordeel dat appellante niet heeft aangetoond dat zich sedert 1 januari 2000 een relevante wijziging heeft voorgedaan in de omstandigheden waaronder haar broer bij haar inwoonde. Hierbij overweegt de Raad dat de kostgangersovereenkomst van 1 januari 2000, waarin is vastgelegd dat de broer van appellante als kostganger bij haar inwoont tegen een kostprijs van f 300,-- onvoldoende aanknopingspunten biedt voor de conclusie dat de relatie tussen appellante en haar broer ten tijde in geding zodanig is gewijzigd dat er sprake is van een louter commerciŽle relatie. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat de betreffende schriftelijke overeenkomst niet meer en niet minder is dan een formalisering van de tussen appellante en haar broer reeds sedert 1 juni 1997 bestaande relatie en dus geen wezenlijke wijziging in de feitelijke situatie teweeg heeft gebracht.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat de aangevallen uitspraken voor bevestiging in aanmerking komen.

De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraken.

Aldus gewezen door mr. R.H.M. Roelofs, als voorzitter en mr. A.B.J. van der Ham en mr. A.W.M. Bijloos, als leden, in tegenwoordigheid van S.W.H. Peeters en uitgesproken in het openbaar op 1 juni 2004.

(get.) R.H.M. Roelofs.

(get.) S.W.H. Peeters.




Tegen de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep ingevolge de Algemene nabestaandenwet kan ieder der partijen beroep in cassatie instellen ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding volgens de wet. Dit beroep wordt ingesteld door binnen zes weken na de op dit afschrift van de uitspraak vermelde verzenddatum een beroepschrift in cassatie (gericht aan de Hoge Raad der Nederlanden) aan de Centrale Raad van Beroep in te zenden.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Anw | Anw | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x