Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   Anw
x
LJN:
x
AQ2494
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 13-07-2004
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Intrekking en terugvordering van de nabestaandenuitkering wegens gezamenlijke huishouding.
 
 
 

 

 
Uitspraak 02/932 ANW en 02/933 ANW




U I T S P R A A K




in de gedingen tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

de Raad van Bestuur van de Sociale verzekeringsbank, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN


Met ingang van 1 januari 2003 zijn de artikelen 2, 3, 4 en 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen voorzover het betreft de Sociale verzekeringsbank in werking getreden. Thans oefent gedaagde de taken en bevoegdheden uit die tot die datum werden uitgeoefend door de Sociale verzekeringsbank. In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan de Sociale Verzekeringsbank.

Namens appellante heeft mr. R.M.T. van Diepen, advocaat te Amsterdam, op bij een aanvullend beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen de door de rechtbank Amsterdam op 5 december 2001 tussen partijen gewezen uitspraak met reg.nrs. 01/419 en 01/420, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingezonden

De gedingen zijn behandeld ter zitting van 1 juni 2004, waar mr. Van Diepen voor appellante is verschenen en gedaagde zich met voorafgaand bericht niet heeft doen vertegenwoordigen.




II. MOTIVERING


Appellante ontving sinds 1 december 1977 een pensioen op grond van de Algemene Weduwen- en Wezenwet, welke vanaf 1 juli 1996 is omgezet in een uitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet (Anw). Naar aanleiding van de mededeling van appellante op 12 november 1999 dat zij op 15 november 1999 in het huwelijk treedt met [partner] ([partner]) en na het kerkelijk huwelijk met hem gaat samenwonen, is gedaagde gebleken dat zij al op 5 oktober 1998 op het inkomstenopgaveformulier betreffende de maand september 1998 heeft vermeld dat [partner] sinds 11 september 1998 op haar adres woont. In verband hiermee heeft gedaagde de nabestaandenuitkering met ingang van november 1999 in afwachting van het onderzoek naar het recht op uitkering geschorst. Uit het ter zake ingestelde onderzoek, waarbij op 25 januari 2000 met appellante en [partner] is gesproken, is onder meer naar voren gekomen dat aan [partner] op 19 mei 1999 met ingang van 1 april 1999 een vergunning tot verblijf is verleend onder de beperking verblijf bij partner [appellante]. Betrokkenen hebben tegenover gedaagde verklaard dat zij vr 25 november 1999 niet hebben samengewoond.

Bij besluit van 4 juli 2000 heeft gedaagde het recht op nabestaandenuitkering van appellante beindigd (lees: ingetrokken) met ingang van 1 oktober 1998. Voorts heeft gedaagde meegedeeld dat een bedrag van f 12.667,66 te veel aan haar is uitbetaald en dat dit wordt teruggevorderd. Zoals blijkt uit de begeleidende brief van 4 juli 2000 wordt aan appellante eerst een voorstel gedaan over de terugbetaling van de te veel ontvangen uitkering en wordt pas daarna een besluit genomen over de terugvordering en de wijze van terugbetaling. Vervolgens heeft gedaagde bij besluit van 23 augustus 2000 de te veel betaalde nabestaandenuitkering deels verrekend met de halfwezenuitkering van appellante en het resterende bedrag van f 11.834,90 van appellante teruggevorderd met toepassing van artikel 53 van de Anw.

Bij besluit van 19 december 2000 (besluit I) heeft gedaagde het namens appellante tegen de intrekking van haar uitkering gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij besluit van dezelfde datum (besluit II) heeft gedaagde het namens appellante tegen de terugvordering gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en de tegen de invordering van het te veel betaalde bedrag gemaakte bezwaren gegrond verklaard.

De rechtbank heeft de beroepen die namens appellante zijn ingesteld tegen de besluiten I en II ongegrond verklaard.

In hoger beroep is de aangevallen uitspraak namens appellante gemotiveerd bestreden.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De Raad kan appellante niet volgen in haar opvatting dat het besluit van 4 juli 2000 mede een besluit over de terugvordering omvat en dat het besluit van 23 augustus 2000 slechts betrekking heeft op de invordering. Gezien de inhoud van genoemde besluiten en de begeleidende brief van 4 juli 2000, en in het bijzonder gelet op de aan die besluiten ten grondslag gelegde wettelijke bepalingen, is de Raad van oordeel dat het besluit van 4 juli 2000 naast de intrekking van het recht op uitkering slechts een aankondiging van de terugvordering van de te veel betaalde nabestaandenuitkering inhoudt, en dat het besluit van 23 augustus 2000 een beslissing behelst met betrekking tot zowel de terug- als de invordering van de te veel betaalde nabestaandenuitkering. Om die reden verwerpt de Raad de grief van appellante dat gedaagde over het bezwaar tegen de terugvordering ten onrechte in besluit II heeft beslist in plaats van in besluit I.

Ingevolge artikel 16, eerste lid, aanhef en onder b, van de Anw, voorzover hier van belang, eindigt het recht op nabestaandenuitkering indien de nabestaande een gezamenlijke huishouding gaat voeren. Gelet op artikel 34, eerste lid, aanhef en onder b, van de Anw is gedaagde verplicht het besluit tot toekenning van een uitkering in te trekken indien de uitkering ten onrechte is verleend.

Aan de intrekking van de nabestaandenuitkering van appellante met ingang van 1 oktober 1998 ligt het standpunt van gedaagde ten grondslag dat appellante met ingang van 11 september 1998 een gezamenlijke huishouding met [partner] is gaan voeren, omdat hij vanaf die datum zijn hoofdverblijf had in haar woning en sprake was van een registratie als gemeenschappelijke huishouding in de zin van de Vreemdelingenwet.

Gedaagde heeft daarbij toepassing gegeven aan artikel 3, vierde lid, aanhef en onder d, van de Anw waarin is bepaald dat een gezamenlijke huishouding in ieder geval aanwezig wordt geacht, indien de betrokkenen hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en zij op grond van een registratie worden aangemerkt als een gezamenlijke huishouding.

In artikel 2 van het Besluit aanwijzing registraties gezamenlijke huishouding 1998 (Stb. 1997, 790; het Besluit) is, voorzover hier van belang, bepaald dat dit besluit van toepassing is op registraties in de zin van artikel 3, vierde lid, van de Anw. In artikel 3, eerste lid, aanhef en onder d, sub 2, van het Besluit is bepaald dat als registraties als bedoeld in artikel 2 worden aangewezen de registratie als gemeenschappelijke huishouding op grond van een verblijfsrecht ingevolge de Vreemdelingenwet voor verblijf bij partner. Op grond van het tweede lid van artikel 3 van het Besluit, voorzover van belang, is een registratie als bedoeld in het eerste lid aanwezig gedurende de periode waarin bij de toepassing van de in dat lid genoemde wetten op enig moment rechtsgevolgen worden verbonden aan het bestaan van een gemeenschappelijke huishouding.

Op grond van de onderzoeksbevindingen moet ook naar het oordeel van de Raad worden aangenomen dat [partner] en appellante vanaf 11 september 1998 feitelijk op n adres woonden en aldus hun hoofdverblijf in dezelfde woning hadden. De Raad kent bij zijn oordeelsvorming beslissende betekenis toe aan het feit dat appellante op inkomensopgaveformulieren op 5 oktober 1998 en op 7 september 1999 aan gedaagde heeft opgegeven dat [partner] op haar adres woonde. Voorts heeft appellante in het kader van de aanvraag voor een vergunning tot verblijf van [partner] aan de vreemdelingenpolitie opgegeven dat zij vanaf juli 1998 met [partner] samenwoonde, is [partner] vanaf 11 september 1998 bij de gemeentelijke basisadministratie op het adres van appellante geregistreerd en heeft hij op zijn aangifte inkomstenbelasting over het jaar 1998 het adres van appellante vermeld. De stelling van appellante dat al deze opgaven uitsluitend gericht waren op het verkrijgen van een vergunning tot verblijf voor [partner] en niet overeenstemden met de werkelijke situatie, welke inhield dat [partner] en zij tot hun kerkelijk huwelijk niet hebben samengewoond omdat hun geloof dat hun verbiedt, is op geen enkele wijze onderbouwd en de Raad acht dit ook overigens niet aannemelijk. De gedingstukken bieden evenmin grondslag voor de stelling van appellante dat zij telefonisch het advies van gedaagde heeft gekregen om de inkomensopgaveformulieren in te vullen op de wijze zoals zij heeft gedaan.

Uit het voorgaande volgt dat appellante en [partner] een gezamenlijke huishouding voerden vanaf de datum dat er sprake was van een registratie als bedoeld in artikel 3, vierde lid, aanhef en onder c, van de Anw en het Besluit. Gelet op artikel 3, eerste lid, aanhef en onder c, en tweede lid, van het Besluit is de Raad van oordeel dat eerst sprake is van een registratie als hier bedoeld op de datum met ingang waarvan een verblijfsrecht is toegekend voor verblijf bij partner. Aangezien aan [partner] met ingang van 1 april 1999 een vergunning tot verblijf is verleend, kan eerst met ingang van die datum worden gesproken van een gezamenlijke huishouding als bedoeld in artikel 3, vierde lid, van de Anw.

In het voorgaande ligt besloten dat gedaagde bij besluit I ten onrechte het besluit heeft gehandhaafd om de nabestaandenuitkering per 1 oktober 1998 in te trekken. Dit brengt mee dat dit besluit dient te worden vernietigd wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Met de vernietiging van dat besluit is tevens de grondslag komen te ontvallen aan besluit II betreffende de terugvordering van uitkering over de periode van 1 oktober 1998 tot 1 november 1999, zodat dat besluit op dezelfde grond eveneens voor vernietiging in aanmerking komt.

De Raad komt in verband met het vorenstaande niet toe aan een bespreking van de overige grieven van appellante.

De Raad zal - met vernietiging van de aangevallen uitspraak en doende wat de rechtbank had behoren te doen - de beroepen gegrond verklaren en bepalen dat gedaagde opnieuw dient te beslissen op de bezwaren van appellante tegen de besluiten van 4 juli 2000 en 23 augustus 2000 met inachtneming van deze uitspraak.
Bij het nemen van dit besluit kan gedaagde naar het oordeel van de Raad tot uitgangspunt nemen dat met ingang van 1 april 1999 voldaan is aan de voorwaarden voor intrekking van de nabestaandenuitkering en tevens aan de voorwaarden voor terugvordering van de te veel betaalde uitkering met toepassing van artikel 53 van de Anw.

Omdat thans nog niet vaststaat hoe het nadere besluit van gedaagde zal gaan luiden, ligt het niet op de weg van de Raad zich uit te spreken over vergoeding van wettelijke rente met toepassing van artikel 8:73 van de Awb, zoals namens appellante is verzocht. Gedaagde zal bij het nemen van een nieuw besluit op de bezwaren van appellante tevens aandacht moeten besteden aan de vraag in hoeverre er termen zijn om schade te vergoeden.

De Raad acht ten slotte termen aanwezig om gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze worden begroot op 966,-- in beroep en op 644,-- in hoger beroep, wegens verleende rechtsbijstand.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart de beroepen gegrond;
Vernietigt de besluiten van 19 december 2000;
Bepaalt dat gedaagde een nieuw besluit neemt op de bezwaren tegen de besluiten van 4 juli 2000 en 23 augustus 2000 met inachtneming van deze uitspraak;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante tot een bedrag van 1.610,--, te betalen door de Sociale verzekeringsbank;
Bepaalt dat de Sociale verzekeringsbank aan appellante het betaalde griffierecht van 136,46 vergoedt.

Aldus gewezen door mr. drs. N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en mr. C. van Viegen en mr. R.H. de Bock als leden, in tegenwoordigheid van S.W.H. Peeters als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 13 juli 2004.

(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.

(get.) S.W.H. Peeters.




Tegen uitspraken van de Centrale Raad van Beroep ingevolge de Algemene nabestaandenwet kan ieder der partijen beroep in cassatie instellen ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding volgens de wet. Dit beroep wordt ingesteld door binnen zes weken na de op dit afschrift van de uitspraak vermelde verzenddatum een beroepschrift in cassatie (gericht aan de Hoge Raad der Nederlanden) aan de Centrale Raad van Beroep in te zenden.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Anw | Anw | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x