Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   Anw
x
LJN:
x
AR2763
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 17-09-2004
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Is de aan betrokkene toegekende nabestaandenuitkering over de periode in geding terecht herzien en nader vastgesteld op lagere bedragen?
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 02/3417 ANW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2003 zijn de artikelen 3, 4 en 5 van de wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, voorzover het betreft de Sociale verzekeringsbank in werking getreden. Thans oefent gedaagde de taken en bevoegdheden uit die tot genoemde datum werden uitgeoefend door de Sociale Verzekeringsbank. In deze uitspraak wordt onder gedaagde mede verstaan de Sociale Verzekeringsbank.

Appellant is op bij beroepschrift aangevoerde gronden in hoger beroep gekomen van de uitspraak van de rechtbank Almelo van 27 mei 2002, nummer 01/880 ANW VI A, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad op 19 augustus 2004, waar partijen - met voorafgaand bericht - niet zijn verschenen.




II. MOTIVERING


Voor een uitgebreide weergave van de relevante feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar het bestreden besluit en de aangevallen uitspraak van de rechtbank.

Bij beslissing op bezwaar van 27 september 2001, hierna: het bestreden besluit, heeft gedaagde het bezwaar van appellant tegen het primaire besluit van 11 juni 2001 ongegrond verklaard. Bij laatstgenoemd besluit heeft gedaagde de aan appellant toegekende nabestaandenuitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet (Anw) over de periode mei 2000 tot en met december 2000 herzien en nader vastgesteld op lagere bedragen.

De rechtbank heeft het beroep van appellant ongegrond verklaard, overwegende dat appellant weliswaar, onder verwijzing naar een bijgevoegde salarisspecificatie over de maand mei 2000, aan gedaagde heeft medegedeeld dat zijn inkomen per 15 mei 2000 was veranderd en 6.690,- per vier weken bedroeg, doch dat hij uit de hem door gedaagde toegezonden brief van 29 juni 2000 inzake de fictieve vaststelling van zijn inkomen vanaf juli 2000 op 1.745,44 had kunnen onderkennen dat gedaagde een fout had gemaakt, zodat gedaagde tot herziening van de nabestaandenuitkering met volledig terugwerkende kracht heeft kunnen overgaan. De rechtbank heeft voorts in hetgeen door appellant is aangevoerd geen bijzondere omstandigheden aanwezig geacht op grond waarvan een dringende reden zou kunnen worden aangenomen om geheel of gedeeltelijk van die herziening af te zien.

In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat zijns inziens in het onderhavige geval artikel 34, tweede lid, van de Anw van toepassing is, aangezien hij steeds zijn juiste inkomen heeft opgegeven en telkens van gedaagde bericht terug heeft ontvangen dat de uitkering niet veranderde. Omdat gedaagde een fout heeft gemaakt, is er in zijn visie een dringende reden om geheel of gedeeltelijk van herziening van de nabestaandenuitkering af te zien. Hij is van mening door de fout van gedaagde op het verkeerde been te zijn gezet.

De Raad overweegt als volgt.

De Raad stelt voorop dat tussen partijen niet in geschil is dat de in het besluit van 11 juni 2001 vastgestelde aanspraken van appellant op uitkering ingevolge de Anw over de periode mei 2000 tot en met december 2000 juist zijn en dat gedaagde over dat tijdvak aan appellant te veel nabestaandenuitkering heeft betaald. Tussen partijen is in geschil of gedaagde met recht appellants uitkering met terugwerkende kracht tot mei 2000 heeft herzien.

Met betrekking tot de herziening van het recht op Anw-uitkering merkt de Raad op, dat uit artikel 34, eerste lid, van de Anw volgt dat indien de uitkering ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend, gedaagde gehouden is het desbetreffende besluit te herzien of in te trekken. Uitgangspunt van artikel 34 van de Anw is blijkens de Memorie van Toelichting dat in alle gevallen correctie van fouten moet plaatsvinden (TK, 1994-1995, 23909, nr. 3). In de Memorie van Antwoord aan de Eerste Kamer is daaraan echter toegevoegd dat in het wetsvoorstel wordt aangesloten bij het rechtszekerheidsbeginsel uit de rechtspraak inhoudend dat herziening/intrekking van een uitkering niet is toegestaan tenzij betrokkene had kunnen begrijpen dat hij geen recht op uitkering had (EK, 1995-1996, 23909, nr. 114b).

Gedaagde heeft een beleid ontwikkeld ten aanzien van het terugkomen van besluiten ten nadele van een betrokkene met terugwerkende kracht, waarbij rekening is gehouden met algemene rechtsbeginselen zoals het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel. Uitgangspunt van dit beleid is dat gedaagde niet tot herziening of intrekking met volledige terugwerkende kracht overgaat als de betrokkene al zijn verplichtingen is nagekomen en hij voorts niet heeft kunnen onderkennen dat de uitkering ten onrechte werd verleend. De Raad heeft al eerder geoordeeld dat deze beleidsregels niet in strijd komen met enige geschreven of ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel, waaronder voornoemde wettelijke bepaling, het beginsel van de rechtszekerheid en het vertrouwensbeginsel. Appellant stelt zich op het standpunt dat hij redelijkerwijs niet heeft kunnen onderkennen dat aan hem tot een te hoog bedrag Anw-uitkering werd betaald.

De Raad is met de rechtbank van oordeel dat het appellant na kennisneming van gedaagdes brief van 29 juni 2000 duidelijk had kunnen zijn dat zijn inkomen, op grond waarvan gedaagde concludeerde dat er geen gevolgen waren voor appellants nabestaandenuitkering, onjuist was vastgesteld. Daarbij acht de Raad allereerst van belang dat de feitelijke inkomsten van appellant toen duidelijk hoger waren dan het door gedaagde (fictief) vastgestelde bedrag van 1.745,44 per maand. Appellant had zelf immers op 20 mei en 1 juni 2000 aan gedaagde medegedeeld dat zijn inkomsten met ingang van 15 mei 2000 6.690,- per vier weken bedroegen. In gedaagdes brief van 29 juni 2000 staat vermeld dat appellant contact kan opnemen als hij het niet eens is met de vaststelling van zijn inkomen, alsmede dat de definitieve vaststelling over de maanden juni 2000 tot en met december 2000 zal plaatsvinden op het moment van de ontvangst van de betreffende salarisspecificaties. Blijkens een zich in het dossier bevindende telefoonnotitie van 14 december 2000 is eerst op die datum namens appellant bij gedaagde navraag gedaan naar de (juistheid van de) berekening van zijn nabestaandenuitkering vanaf mei 2000.

Het hiervoor overwogene leidt tot de slotsom dat gedaagde naar het oordeel van de Raad met recht heeft geoordeeld dat er in het onderhavige geval - ook in zijn beleid - geen redenen zijn gelegen om van herziening met terugwerkende kracht van appellants recht op Anw-uitkering met ingang van mei 2000 geheel of gedeeltelijk af te zien.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet kan slagen, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. T.L. de Vries in tegenwoordigheid van J.J.B. van der Putten als griffier en uitgesproken in het openbaar op 17 september 2004.

(get.) T.L. de Vries.

(get.) J.J.B van der Putten.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Anw | Anw | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x