Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   Anw
x
LJN:
x
AR4475
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 12-10-2004
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Herziening van de nabestaandenuitkering naar een uitkering ter hoogte van 30% van het brutominimumloon wegens (verzwegen) gezamenlijke huishouding.
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 02/5752 ANW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2003 zijn de artikelen 3, 4 en 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, voor zover het betreft de Sociale verzekeringsbank in werking getreden. Thans oefent gedaagde de taken en bevoegdheden uit die tot die datum werden uitgeoefend door de Sociale Verzekeringsbank. In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan de Sociale Verzekeringsbank.

Namens appellante heeft mr. H.K. de Haan, advocaat te Sneek, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 3 oktober 2002, reg.nr. 02/305 ANW.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is, gevoegd met het geding geregistreerd onder nummer 02/5755 AOW, behandeld ter zitting van 31 augustus 2004, waar appellante in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. J.M.C. van den Bosch-Scholts, advocaat te Sneek, en waar gedaagde met bericht van verhindering niet is verschenen.

Na de sluiting van het onderzoek ter zitting zijn de gedingen weer gesplitst. In beide zaken wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.




II. MOTIVERING


De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Appellante ontving sedert 1 juli 1973 een pensioen ingevolge de Algemene Weduwen- en Wezenwet, welk pensioen met ingang van 1 juli 1996 is omgezet in een uitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet (Anw).

Naar aanleiding van een in november 2000 ingekomen melding dat appellante zou samenwonen met [partner] (hierna: [partner]) hebben sociaal rechercheurs in dienst van gedaagde een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de nabestaandenuitkering van appellante.

In het kader van dat onderzoek, waarvan de resultaten zijn neergelegd in een rapport van 31 augustus 2001, is onder meer een aantal getuigen gehoord en hebben appellante en [partner] op 22 augustus 2001 verklaringen afgelegd.

Op grond van de onderzoeksresultaten heeft gedaagde geoordeeld dat appellante vanaf 1 januari 1995 een gezamenlijke huishouding voert met [partner] en heeft gedaagde bij besluit van 7 november 2001 de nabestaandenuitkering van appellante met ingang van 1 januari 1998 herzien naar een uitkering ter hoogte van 30% van het brutominimumloon.

Het tegen het herzieningsbesluit van 7 november 2001 gemaakte bezwaar heeft gedaagde bij besluit van 8 februari 2002 ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft het tegen het besluit van 8 februari 2002 ingestelde beroep ongegrond verklaard.

In hoger beroep is de aangevallen uitspraak namens appellante gemotiveerd bestreden. Appellante handhaaft haar stelling dat zij op en na 1 januari 1995 geen gezamenlijke huishouding met [partner] voerde.

De Raad overweegt te dien aanzien het volgende.

Ingevolge artikel 3, tweede lid, van de Anw wordt - voorzover hier van belang - als gehuwd of als echtgenoot mede aangemerkt de ongehuwde meerderjarige die met een andere ongehuwde meerderjarige een gezamenlijke huishouding voert, tenzij het betreft een bloedverwant in de eerste graad.
Ingevolge artikel 3, derde lid, van de Anw is van een gezamenlijke huishouding sprake indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.

Naar vaste rechtspraak van de Raad dient de vraag of in een bepaald geval sprake is van een gezamenlijke huishouding te worden beantwoord aan de hand van objectieve criteria. Daarbij zijn de omstandigheden die tot het voeren van een gezamenlijke huishouding hebben geleid, de motieven van de betrokkenen en de aard van hun onderlinge relatie niet van belang.

Het eerste criterium waaraan moet zijn voldaan, is dat gezamenlijk in de huisvesting wordt voorzien.
Volgens vaste rechtspraak behoeft het aanhouden van afzonderlijke woonruimte op zich aan het gezamenlijk voorzien in huisvesting niet in de weg te staan. In dat geval zal echter voldoende aannemelijk moeten zijn dat een feitelijke situatie van samenwoning bestaat doordat slechts één van de ter beschikking staande woningen wordt gebruikt dan wel doordat op andere wijze een zodanig gebruik van de woningen wordt gemaakt dat de facto van samenwoning gesproken kan worden.

Gezien het rapport van 31 augustus 2001 van de Sociale Recherche, waarvan in het bijzonder de verklaringen van de diverse als getuige gehoorde buurtbewoners, kan de Raad tot geen andere conclusie komen dan dat appellante en [partner] ten tijde van belang hun hoofdverblijf in dezelfde woning hadden, in de eerste plaats in de woning van appellante aan de [adres] te [woonplaats] en incidenteel in de woning van [partner] aan de [adres 2] aldaar.
De stelling van appellante en [partner] dat zij hun hoofdverblijf niet in dezelfde woning hadden omdat zij de nachten in hoofdzaak in de eigen woning doorbrachten, waarna in de ochtend appellante naar de woning van [partner] ging of [partner] appellante bij haar woning ophaalde teneinde samen naar hun volkstuin te gaan, heeft de Raad niet tot een ander oordeel kunnen brengen. De verklaringen van appellante en [partner] ter zake zijn immers niet eenduidig en vinden in geen van de getuigenverklaringen bevestiging. Gevoegd bij het feit dat het waterverbruik in de woning van [partner] in de onderzochte periode in het algemeen zo laag was dat van bewoning, zelfs uitsluitend in de nacht, geen sprake kan zijn geweest, maakt dit voldoende aannemelijk dat ten tijde van belang aan het huisvestingscriterium werd voldaan.

Op grond van de door appellante en [partner] tegenover de sociaal rechercheurs afgelegde verklaringen, bezien in onderlinge samenhang met de overige uit de gedingstukken gebleken feiten en omstandigheden, is naar het oordeel van de Raad tevens genoegzaam komen vast te staan dat in het geval van appellante en [partner] ook voldaan is aan het (tweede) criterium, dat van de wederzijdse zorg.
De Raad heeft daarbij nog in aanmerking genomen dat [partner] in de tuin van appellante in een hok kippen houdt en dat [partner]’s computer met toebehoren, waaraan hij zeer gehecht blijkt te zijn, zich in de woning van appellante bevindt.
Dat gedaagde op grond van de ter beschikking staande feiten en omstandigheden het niet nodig heeft geoordeeld om tot afzonderlijke huisbezoeken te besluiten, staat in de onderhavige situatie niet in de weg aan de conclusie dat er sprake is van het voeren van een gezamenlijke huishouding ten tijde hier in geding.

Aan de in hoger beroep door appellante in geding gebrachte verklaringen kan de Raad, gelet op de onderzoeksbevindingen van de Sociale Recherche, niet de betekenis toekennen die appellante daaraan gehecht wil zien.

Evenmin slaagt de grief dat appellante in verband met haar ongeschooldheid niet in staat was kennis te nemen van de inhoud van de periodiek door gedaagde verstrekte informatie met betrekking tot haar nabestaandenuitkering. Appellante had zich immers dienaangaande tot gedaagde dan wel vrienden of kennissen kunnen wenden.

Tot slot overweegt de Raad dat hij geen doorslaggevende betekenis toekent aan het gegeven dat het Openbaar Ministerie wegens gebrek aan bewijs geen strafvervolging tegen appellante heeft ingesteld. De bestuursrechter gaat met betrekking tot de vraag of er sprake is van het voeren van een gezamenlijke huishouding uit van een eigen vaststelling en waardering van de zich voordoende feiten en omstandigheden en is hierbij niet gebonden aan het oordeel van het Openbaar Ministerie.

Nu gedaagde naar het oordeel van de Raad terecht heeft aangenomen dat appellante ten tijde in geding een gezamenlijke huishouding voerde met [partner], is haar nabestaandenuitkering, gezien het bepaalde in artikel 34, eerste lid, van de Anw in verbinding met artikel 67, derde lid, van de Anw met ingang van 1 januari 1998 terecht herzien.

Van dringende redenen, als bedoeld in artikel 34, tweede lid, van de Anw, op grond waarvan gedaagde geheel of gedeeltelijk van herziening kon afzien, is de Raad niet gebleken.

De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gewezen door mr. J.M.A. van der Kolk-Severijns, in tegenwoordigheid van mr. P.C. de Wit als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 12 oktober 2004.

(get.) J.M.A. Van der Kolk-Severijns.

(get.) P.C. de Wit.




Tegen uitspraken van de Centrale Raad van Beroep ingevolge de Algemene nabestaandenwet kan ieder van partijen beroep in cassatie instellen ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding volgens de wet. Dit beroep kan worden ingesteld door binnen zes weken na de op dit afschrift van de uitspraak vermelde verzenddatum een beroepschrift in cassatie (gericht aan de Hoge Raad der Nederlanden) aan de Centrale Raad van Beroep in te zenden.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Anw | Anw | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x