Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   Anw
x
LJN:
x
AS9744
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 04-03-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Is terecht op grond van artikel 63a van de Anw geweigerd betrokkene met ingang van de datum in geding toe te laten tot de vrijwillige verzekering ingevolge de Anw?
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 04/356 ANW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats] (Marokko), appellant,

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2003 zijn de artikelen 3, 4 en 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, voorzover het betreft de Sociale verzekeringsbank in werking getreden. Thans oefent gedaagde de taken en bevoegdheden uit die tot genoemde datum werden uitgeoefend door de Sociale Verzekeringsbank. In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan de Sociale Verzekeringsbank.

Namens appellant heeft zijn zoon, [naam zoon] wonende te Waalwijk, op daartoe bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 13 januari 2004, nr. 02/4028 ANW, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 2 februari 2005, waar namens appellant is verschenen [naam zoon], voornoemd, en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door A. van Scherpenzeel, werkzaam bij de Sociale verzekeringsbank.




II. MOTIVERING


Appellant is op 1 juli 1934 geboren in Marokko en heeft in het verleden in Nederland gewoond en gewerkt. In of omstreeks 1979 is hij teruggekeerd naar Marokko, alwaar hij een Nederlandse arbeidsongeschiktheidsuitkering ontving. Gedaagde heeft met ingang van 1 juli 1999 een ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) aan appellant toegekend.

Bij brief van 27 december 2001 is namens appellant aan gedaagde verzocht om toelating tot de vrijwillige verzekering ingevolge de Algemene nabestaandenwet (Anw). Vervolgens heeft appellant een aanvraagformulier ingevuld, waarop onder meer is vermeld dat hij vanaf 1 juli 1999 een ouderdomspensioen vanuit BelgiŽ ontvangt.

Bij besluit van 12 juni 2002 heeft gedaagde aan appellant bericht dat hij niet bevoegd is deel te nemen aan de vrijwillige verzekering ingevolge de Anw, omdat de verplichte verzekering krachtens die wet is geŽindigd op 1 januari 2000 en aanmelding voor de vrijwillige verzekering binnen een jaar nadien had moeten geschieden. In het bezwaarschrift tegen dit besluit is aangevoerd dat een belangenbehartiger van appellant verzuimd heeft tijdig een verzoek om toelating tot de vrijwillige verzekering in te dienen.

Bij beslissing op bezwaar van 29 augustus 2002, hierna: het bestreden besluit, heeft gedaagde de bezwaren van appellant ongegrond verklaard. Daarbij is overwogen dat appellant vanaf 1 juli 1999 niet langer verplicht verzekerd was ingevolge de Anw, omdat hij naast zijn AOW-pensioen een Belgisch ouderdomspensioen ontving, zodat hij reeds op deze grond niet bevoegd is deel te nemen aan de vrijwillige verzekering.

De rechtbank heeft dit standpunt onderschreven. Namens appellant is in hoger beroep aangevoerd dat tot 1 januari 2000 sprake is geweest van verplichte verzekering ingevolge de Anw van appellant.

De Raad overweegt het volgende.

Tussen partijen is in deze procedure in geschil of gedaagde, op grond van artikel 63a van de Anw, terecht heeft geweigerd appellant vanaf 1 januari 2000 toe te laten tot de vrijwillige verzekering ingevolge de Anw.

Artikel 63a van de Anw, luidde vanaf 1 januari 2000 tot 1 januari 2001, aldus:
"1. In afwijking van artikel 63 kan de op 1 januari 2000 gewezen verzekerde zich onder bij of krachtens algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 63, eerste lid, te bepalen voorwaarden, vrijwillig verzekeren, indien hij op 31 december 1999 verplicht verzekerd was op grond van de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in artikel 13, derde lid, aangezien hij op die datum:
a. buiten Nederland woont en recht heeft op een uitkering op grond van de Algemene Ouderdomswet, die ten minste gelijk is aan 35% van het in artikel 8, eerste lid, onder a, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag bedoelde bedrag; en
b. niet buiten Nederland arbeid verricht of een uitkering ontvangt krachtens een buitenlandse wettelijke regeling.
(...)
3. De gewezen verzekerde, bedoeld in het eerste lid, geeft voor 1 januari 2001 schriftelijk aan de Bank te kennen de verzekering vrijwillig te willen voortzetten.
(...)."

De Raad stelt allereerst vast dat wanneer appellant zou behoren tot de groep personen bedoeld in het eerste lid van
artikel 63a van de Anw hij niet heeft voldaan aan het vereiste van het derde lid van dit artikel, inhoudende dat de verzekerde vůůr 1 januari 2001 schriftelijk te kennen moet hebben gegeven de verzekering vrijwillig voort te willen zetten. Het feit dat appellant zijn belangen in Nederland liet behartigen door iemand die voornoemde aanmeldingstermijn niet in acht heeft genomen, vermag de Raad niet tot een ander oordeel te brengen. Volgens vaste rechtspraak van de Raad worden handelingen of verzuimen van personen die namens een betrokkene optreden aan de betrokkene toegerekend.

Voorts merkt de Raad nog op dat uit het hiervoor weergegeven eerste lid van artikel 63a van de Anw voortvloeit dat dit artikel slechts van toepassing is op personen die op 31 december 1999 verplicht verzekerd waren op grond van het in artikel 13, derde lid, van de Anw bedoelde Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999, van 24 december 1998, Stb. 746. Ingevolge dit Besluit is niet verzekerd op grond van de volksverzekeringen degene die buiten Nederland arbeid verricht of een uitkering krachtens een buitenlandse wettelijke regeling ontvangt. Ook voor de Raad staat vast dat het met ingang van 1 juli 1999 aan appellant toegekende Belgische ouderdomspensioen moet worden aangemerkt als een zodanige wettelijke buitenlandse regeling, zodat appellant vanaf die datum niet meer verzekerd was op grond van de volksverzekeringen. Dit betekent dat gedaagde in het bestreden besluit terecht heeft besloten dat appellant niet behoort tot de groep personen bedoeld in het eerste lid van artikel 63a van de Anw.

Het hiervoor overwogene houdt tevens in dat appellant zich evenmin met succes kan beroepen op de artikelen 63a en 63b van de Anw, zoals deze artikelen luiden vanaf 1 januari 2001.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet kan slagen, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. T.L. de Vries in tegenwoordigheid van mr. M.F. van Moorst als griffier en uitgesproken in het openbaar op 4 maart 2005.

(get.) T.L. de Vries.

(get.) M.F. van Moorst.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Anw | Anw | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x