Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   Anw
x
LJN:
x
AT3664
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 01-04-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Herziening nabestaandenuitkering. In mindering brengen op de Anw-uitkering van de ZW-uitkering als inkomen in verband met arbeid.
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 03/45 ANW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2003 zijn de artikelen 3, 4 en 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, voorzover het betreft de Sociale verzekeringsbank in werking getreden. Thans oefent gedaagde de taken en bevoegdheden uit die tot genoemde datum werden uitgeoefend door de Sociale Verzekeringsbank. In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan de Sociale Verzekeringsbank.

Namens appellant heeft H.G. Vlierman als zijn gemachtigde op daartoe bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 2 december 2002, nummer 02/340 ANW, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Namens gedaagde is op dit verweerschrift gereageerd.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 16 maart 2005, waar appellant - zoals tevoren bericht - niet is verschenen en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. P.C.J. van de Nes, werkzaam bij de Sociale verzekeringsbank.




II. MOTIVERING


Appellant ontving een weduwnaarspensioen ingevolge de Algemene Weduwen- en Wezenwet, welk pensioen ingaande 1 juli 1996 op grond van artikel 67 van de Algemene nabestaandenwet (Anw) is omgezet in een nabestaandenuitkering ingevolge laatstgenoemde wet. In mei 1999 heeft appellant desgevraagd aan gedaagde medegedeeld dat hij uitkeringen ontvangt ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) en de Werkloosheidswet (WW). Gedaagde heeft vervolgens bij besluit van 3 augustus 1999 de nabestaandenuitkering aangepast. Naar aanleiding van een door appellant in juni 2001 aan gedaagde toegezonden inkomensopgaveformulier heeft gedaagde nadere informatie ingewonnen waaruit is gebleken dat appellant tot 13 augustus 2000 een WAO- en een WW-uitkering heeft ontvangen, van 14 augustus 2000 tot 11 augustus 2001 een WAO-uitkering en een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) en vanaf 12 augustus 2001 een verhoogde WAO-uitkering.

Bij besluit van 12 november 2001 heeft gedaagde aan appellant medegedeeld dat zijn uitkering ingevolge de Anw is herzien vanwege een wijziging van zijn inkomen in verband met arbeid met ingang van januari 1999.

Bij brief van eveneens 12 november 2001 heeft gedaagde aangekondigd het teveel ontvangen bedrag aan Anw-uitkering terug te vorderen.

Bij beslissing op bezwaar van 8 maart 2002, het thans bestreden besluit, heeft gedaagde het tegen het besluit van 12 november 2001 ingestelde bezwaar inzake de herziening van de Anw-uitkering ongegrond verklaard onder de overweging dat er geen sprake is van een dringende reden om de mate van terugwerkende kracht van de herziening te beperken. Het bezwaar tegen de aankondiging van de terugvordering heeft gedaagde niet-ontvankelijk verklaard.

De rechtbank heeft geoordeeld dat het bestreden besluit in rechte in stand kan worden gelaten.

In hoger beroep is namens appellant aangegeven dat hij berust inzake het verzoek om kwijtschelding, maar dat hij het niet eens is met de wijze waarop het Inkomens- en samenloopbesluit Anw wordt uitgelegd en toegepast. Naar het oordeel van appellant dient de door hem genoten uitkering ingevolge de ZW te worden verrekend met zijn Anw-uitkering als ware het inkomsten uit arbeid en niet als inkomsten in verband met arbeid. Door een onderscheid te maken tussen een verstrekte ZW-uitkering bij een voortdurend dienstverband in welk geval een gunstiger vrijlatingsregeling geldt dan bij een ontvangen ZW-uitkering als er geen dienstverband aanwezig is is er sprake van ongelijke behandeling in soortgelijke gevallen.

De Raad merkt op dat het geschil in hoger beroep door appellant is beperkt tot de rechtmatigheid van gedaagdes bestreden besluit, voorzover dat inhoudt dat de ZW-uitkering als inkomen in verband met arbeid op de Anw-uitkering in mindering wordt gebracht.

Op grond van de artikelen 1, 3 en 7 van het Inkomens- en samenloopbesluit Anw, Stb. 1996, 306, wordt een loondervings- uitkering, waaronder een uitkering op grond van de verplichte verzekering van de ZW, als inkomen in verband met arbeid beschouwd, tenzij de uitkering tijdens het dienstverband is verstrekt. In dat laatste geval wordt de uitkering gelijkgesteld aan het uit die dienstbetrekking genoten loon en aangemerkt als inkomen uit arbeid en geldt een ruimere vrijlatingsregeling.
Tussen partijen is niet in geschil dat appellant gedurende zijn ZW-uitkering geen voortdurende dienstbetrekking had, zodat op grond van het Inkomens- en samenloopbesluit de ZW-uitkering als inkomen in verband met arbeid dient te worden beschouwd.
Zoals de Raad reeds eerder heeft overwogen (zie de uitspraak van 24 januari 2001, RSV 2001, 138) blijkt uit de wetsgeschiedenis van de Anw dat deze tot doel heeft voor alle ingezetenen een bescherming op minimumniveau te bieden tegen de geldelijke gevolgen van het risico van overlijden van de partner. Met de inkomenstoets heeft de wetgever beoogd het behoeftebeginsel centraal te stellen, hetgeen ertoe heeft geleid dat inkomen uit of in verband met arbeid wordt gekort op de nabestaandenuitkering en waarbij de gunstiger vrijlatingsregeling voor inkomen uit arbeid ertoe strekt de arbeidsparticipatie niet te ontmoedigen. De Raad is van oordeel dat laatstbedoelde doelstelling een voldoende rechtvaardiging vormt voor het onderscheid tussen inkomen uit en in verband met arbeid in de Anw en het Inkomens- en samenloopbesluit. Voorts kan naar ís Raads oordeel van de wijze waarop in het Inkomens- en samenloopbesluit verschillende soorten inkomsten zijn gekwalificeerd als inkomen uit of in verband met arbeid niet gezegd worden dat is gehandeld in strijd met de hiervoor genoemde doelstellingen van de wetgever, noch dat daarbij anderszins sprake is van een verboden gelijke behandeling van rechthebbenden op bepaalde soorten uitkeringen. Naar het oordeel van de Raad heeft gedaagde appellants uitkering ingevolge de ZW dan ook terecht - gezien het ontbreken van een voortdurende dienstbetrekking - aangemerkt als inkomsten in verband met arbeid.

Appellants grief dat de fiscus de uitkering ingevolge de Ziektewet wel als inkomen uit arbeid aanmerkt kan aan het bovenstaande niet afdoen gezien de uitdrukkelijke keuze van de wetgever bij de uitvoering van de Anw op dit punt.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet kan slagen, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. H.J. Simon, in tegenwoordigheid van mr. M.F. van Moorst als griffier en uitgesproken in het openbaar op 1 april 2005.

(get.) H.J. Simon.

(get.) M.F. van Moorst.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Anw | Anw | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x