Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   Anw
x
LJN:
x
AT5322
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 29-04-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Herziening met terugwerkende kracht van de nabestaandenuitkering in verband met hogere inkomsten. Afzien van herziening bij kennelijke onredelijkheid.
 
 
 

 

 
Uitspraak 03/2614 ANW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, appellant,

en

[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2003 zijn de artikelen 3, 4 en 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, voorzover het betreft de Sociale verzekeringsbank in werking getreden. Thans oefent appellant de taken en bevoegdheden uit die tot genoemde datum werden uitgeoefend door de Sociale Verzekeringsbank. In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan de Sociale Verzekeringsbank.

Appellant heeft op daartoe bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 18 april 2003, nr. ANW 02/2085, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagde heeft mr. H. Koelewijn, advocaat te Woerden, een verweerschrift ingediend, waarna bij brief van 19 augustus 2003 het verweerschrift is aangevuld.

Op verzoek van de Raad heeft appellant bij brief van 10 september 2004 nog nadere stukken in het geding gebracht.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 4 maart 2005, waar appellant zich heeft doen vertegenwoordigen door drs. A. Slovacek, werkzaam bij de Sociale verzekeringsbank en waar gedaagde, met kennisgeving, niet is verschenen.




II. MOTIVERING


Gedaagde ontving een weduwenpensioen ingevolge de Algemene Weduwen en Wezenwet (AWW) van appellant, welk pensioen met ingang van 1 juli 1996 van rechtswege is omgezet in een nabestaandenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (Anw). Op grond van door gedaagde in september 1997 aan appellant verstrekte gegevens omtrent haar inkomsten heeft appellant bij besluit van 11 december 1997 de nabestaandenuitkering van gedaagde met ingang van 1 januari 1998 vastgesteld op f 1.612,91 bruto per maand. Daarbij is appellant uitgegaan van een inkomen uit arbeid van gedaagde van f 1.561,51 per maand.

Op verzoek van appellant heeft gedaagde in juni 1999 opnieuw gegevens verstrekt omtrent haar inkomsten. Op grond van die gegevens heeft appellant bij besluit van 25 augustus 1999 de nabestaandenuitkering van gedaagde met ingang van 1 mei 1999 nader vastgesteld op f 1.716,51 bruto per maand, en is het inkomen van gedaagde uit arbeid vastgesteld op f 1.848,71 per maand. Tevens heeft appellant de toen te veel betaalde nabestaandenuitkering vanaf 1 mei 1999 teruggevorderd van gedaagde.

Appellant heeft in februari 2001 aan gedaagde verzocht om alle loonstroken over 1998 en 1999 toe te zenden, omdat uit gegevens van de Belastingdienst was gebleken dat gedaagde meer inkomsten had ontvangen. Na ontvangst van die gegevens heeft appellant bij besluit van 8 mei 2001 de aan gedaagde toekomende nabestaandenuitkering over het tijdvak vanaf januari 1998 tot januari 2001 nader vastgesteld op grond van een nadere vaststelling van de inkomsten uit arbeid van gedaagde in dat tijdvak. Vervolgens heeft appellant bij besluit van 28 mei 2001 het over voornoemd tijdvak te veel betaalde bedrag aan nabestaandenuitkering ad f 7.219,20 van gedaagde teruggevorderd. Daarbij is aangegeven dat gedaagde dit bedrag dient te betalen in zes termijnen van f 1000,- en één termijn van f 1.219,20.

Bij beslissing op bezwaar van 2 juli 2002 (hierna: het bestreden besluit) heeft appellant de bezwaren van gedaagde tegen de besluiten van 8 en 28 mei 2001 ongegrond verklaard. Daarbij is overwogen dat gedaagde appellant niet tijdig heeft geïnformeerd over de wijziging(en) van haar inkomen en dat het haar duidelijk had kunnen zijn dat zij een te hoog bedrag aan uitkering ontving.

De rechtbank heeft het beroep van gedaagde tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat het gedaagde vóór het besluit van appellant van 25 augustus 1999 niet redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat de in verband met onregelmatigheidstoeslagen in hoogte steeds wisselende loonbetalingen van invloed konden zijn op haar aanspraak op nabestaandenuitkering. Derhalve heeft appellant naar het oordeel van de rechtbank in strijd met artikel 34, eerste lid, onder a, van de Anw de nabestaandenuitkering met ingang van 1 januari 1998 herzien.

Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat het gedaagde, gelet op een voor 1 januari 1998 aan haar verstrekt overzicht van verplichtingen, duidelijk had kunnen zijn dat iedere wijziging in haar inkomen van belang kon zijn voor haar aanspraak op nabestaandenuitkering. Voorts heeft appellant toegelicht dat wanneer sprake is van kennelijke onredelijkheid geheel of gedeeltelijk afgezien kan worden van herziening met terugwerkende kracht.

Namens gedaagde is in hoger beroep aangevoerd dat haar inkomsten weliswaar wisselend waren, maar dat het aantal diensten en het totale inkomen per jaar gelijk is gebleven, zodat het gedaagde niet duidelijk kon zijn dat zij te veel uitkering ontving. Verder is aangevoerd dat geheel of gedeeltelijk van herziening afgezien had moeten worden, omdat gedaagde geen verwijt kan worden gemaakt en de terugvordering ingrijpend voor haar is.

De Raad overweegt het volgende.

De Raad stelt voorop dat tussen partijen niet in geschil is dat de in het besluit van 8 mei 2001 vastgestelde aanspraken van gedaagde op uitkering ingevolge de Anw vanaf 1 januari 1998 tot januari 2001 juist zijn berekend en dat appellant aan gedaagde over dat tijdvak te veel nabestaandenuitkering heeft betaald. Tussen partijen is in hoger beroep met name in geschil of appellant met recht de uitkering van gedaagde met terugwerkende kracht tot 1 januari 1998 heeft herzien.

Met betrekking tot de herziening van het recht op Anw-uitkering merkt de Raad op dat uit artikel 34, eerste lid van de Anw volgt dat indien de uitkering ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend, appellant gehouden is het desbetreffende besluit te herzien of in te trekken. Uitgangspunt van artikel 34 van de Anw is blijkens de Memorie van Toelichting dat in alle gevallen correctie van fouten moet plaatsvinden (TK, 1994-1995, 23 909, nr. 3). In de Memorie van Antwoord aan de Eerste Kamer is daaraan echter toegevoegd dat in het wetsvoorstel wordt aangesloten bij het rechtszekerheidsbeginsel uit de rechtspraak inhoudend dat herziening/intrekking van een uitkering niet is toegestaan tenzij betrokkene had kunnen begrijpen dat hij geen recht op uitkering had (EK, 1995-1996, 23 909, nr. 114b).

Appellant heeft een beleid ontwikkeld ten aanzien van het terugkomen van besluiten ten nadele van een betrokkene met terugwerkende kracht, waarbij rekening is gehouden met algemene rechtsbeginselen zoals het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel. Uitgangspunt van dit beleid is dat appellant niet tot herziening of intrekking met volledige terugwerkende kracht overgaat als de betrokkene al zijn verplichtingen is nagekomen en hij voorts niet heeft kunnen onderkennen dat de uitkering ten onrechte werd verleend. De Raad heeft al eerder geoordeeld dat deze beleidsregels niet in strijd komen met enige geschreven of ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel, waaronder voornoemde wettelijke bepalingen, het beginsel van de rechtszekerheid en het vertrouwensbeginsel. De rechtbank heeft geoordeeld dat gedaagde voor 25 augustus 1999 redelijkerwijs niet had kunnen onderkennen dat aan haar tot een te hoog bedrag Anw-uitkering werd betaald.

De Raad is, anders dan de rechtbank, van oordeel dat het gedaagde in ieder geval vanaf februari 1998, toen haar inkomen aanzienlijk hoger was dan het door appellant vastgestelde inkomen, duidelijk had kunnen zijn dat zij meer inkomen ontving dan het bedrag waar de vaststelling van de hoogte van de nabestaandenuitkering door appellant op was gebaseerd, hoewel een deel van de inkomsten van gedaagde kennelijk wisselend was; zij had immers kunnen weten dat de feitelijke inkomsten bepalend waren voor de hoogte van haar nabestaandenuitkering. Voorts is uit de overgelegde loonstroken gebleken dat het basissalaris van gedaagde per 1 april 1998, 1 januari 1999 en 1 juni 1999 is verhoogd, welke wijzigingen zij niet heeft gemeld aan appellant. Het hiervoor overwogene leidt tot de slotsom dat appellant naar het oordeel van de Raad op grond van de hiervoor weergegeven beleidsregels met recht heeft geoordeeld dat er in het onderhavige geval geen redenen zijn om van herziening met terugwerkende kracht van de Anw-uitkering van gedaagde met ingang van 1 januari 1998 af te zien.

Voorts heeft appellant medegedeeld dat met toepassing van artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geheel of gedeeltelijk van herziening wordt afgezien als de bijzondere omstandigheden van het geval leiden tot het oordeel dat een volledige terugwerkende kracht kennelijk onredelijk is. Bij de beoordeling of er sprake is van kennelijke onredelijkheid hecht appellant belang aan:
- de mate waarin de belanghebbende een verwijt kan worden gemaakt;
- de mate waarin aan appellant een verwijt kan worden gemaakt;
- de mate waarin herziening met volledige terugwerkende kracht en de hiermee gepaard gaande terugvordering daadwerkelijk ingrijpend is in het dagelijks leven van belanghebbende.
De Raad stelt vast dat uit het hiervoor overwogene voortvloeit dat aan gedaagde het verwijt kan worden gemaakt dat zij appellant niet tijdig en volledig heeft geïnformeerd over de hoogte van haar inkomsten. Voorts is door de gemachtigde van appellant ter zitting van de Raad desgevraagd medegedeeld dat aan de hand van de in 1997 en 1999 overgelegde salarisstroken van gedaagde door appellant onderkend had kunnen worden dat sprake was van wisselende inkomsten, gelet op de daarop vermelde toeslagen voor onregelmatige diensten. Daarbij is bevestigd dat appellant verweten kan worden niet eerder te hebben gevraagd om meer dan wel alle salarisstroken van gedaagde. Dit betekent dat voldaan is aan twee van de drie hiervoor genoemde aspecten. Appellant heeft voorts medegedeeld dat door gedaagde niets is aangevoerd dat wijst op daadwerkelijke ingrijpendheid van de herziening in haar geval, zodat niet nader is onderzocht of sprake is van kennelijke onredelijkheid.

De Raad is van oordeel dat het bestreden besluit voor wat betreft de mogelijk toepassing van artikel 3:4 van de Awb en het in dat kader door appellant gevoerde beleid, onzorgvuldig is voorbereid nu op geen enkele wijze is onderzocht of beoordeeld of sprake is van daadwerkelijke ingrijpendheid van de herziening en van kennelijke onredelijkheid als hiervoor bedoeld. Wanneer sprake is van een situatie, zoals in dit geval, waarin zowel aan de Svb als de betrokkene een verwijt kan worden gemaakt met betrekking tot de noodzakelijke herziening en er sprake is van een terugvordering tot een aanzienlijk bedrag, dan dient appellant naar het oordeel van de Raad de hiervoor genoemde aspecten te onderzoeken, dan wel dient de betrokkene in de gelegenheid te worden gesteld omstandigheden aan te dragen die voor de beoordeling daarvan van belang kunnen zijn. Aan beide voorwaarden is in dit geval niet voldaan.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat de aangevallen uitspraak, zij het op andere gronden, voor bevestiging in aanmerking komt, met dien verstande dat appellant een nieuwe beslissing op bezwaar dient te nemen met inachtneming van het in deze uitspraak van de Raad overwogene.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb appellant te veroordelen in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 322,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, te betalen door de Sociale verzekeringsbank aan gedaagde.

Ten slotte heeft de Raad geen aanleiding gevonden een recht te heffen van appellant nu uit het hiervoor overwogene voortvloeit dat appellant het oordeel van de rechtbank terecht heeft aangevochten.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, met dien verstande dat appellant een nieuwe beslissing op bezwaar dient te nemen met inachtneming van deze uitspraak van de Raad;
Veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep tot een bedrag groot € 322,- te betalen door de Sociale verzekeringsbank aan gedaagde.

Aldus gegeven door mr. H. van Leeuwen als voorzitter en mr. T.L. de Vries en mr. H.J. Simon als leden, in tegenwoordigheid van M. Gunter als griffier en uitgesproken in het openbaar op 29 april 2005.

(get.) H. van Leeuwen.

(get.) M. Gunter.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Anw | Anw | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x