Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   Anw
x
LJN:
x
AT6282
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 20-05-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Weigering Anw-uitkering omdat de echtgenoot van betrokkene ten tijde van zijn overlijden niet verzekerd was ingevolge de Anw.
 
 
 

 

 
Uitspraak 03/4719 ANW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], Nador (Marokko), appellante,

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2003 zijn de artikelen 3, 4 en 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, voorzover het betreft de Sociale verzekeringsbank in werking getreden. Thans oefent gedaagde de taken en bevoegdheden uit die tot die datum werden uitgeoefend door de Sociale Verzekeringsbank. In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan de Sociale Verzekeringsbank.

Appellante heeft op de daartoe bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 28 augustus 2003, nummer 02/4158 ANW, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Appellante heeft de Raad nog diverse brieven toegezonden.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Desgevraagd hebben partijen toestemming gegeven de behandeling van het geding ter zitting van de Raad achterwege te laten.




II. MOTIVERING


Gelet op de vanwege partijen gegeven toestemming daartoe heeft de Raad bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten.

Bij besluit van 21 december 2001 heeft gedaagde appellante een uitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet (Anw) geweigerd omdat haar echtgenoot ten tijde van zijn overlijden niet verzekerd was ingevolge deze wet. Bij besluit van 21 augustus 2002 heeft gedaagde appellantes bezwaar tegen het besluit van 21 december 2001 ongegrond verklaard.

Appellante is tegen het besluit van 21 augustus 2002 tijdig in beroep gekomen.

De rechtbank heeft appellante blijkens de aangevallen uitspraak bij brief van 25 september 2002 geļnformeerd over het verschuldigde griffierecht en haar in de gelegenheid gesteld dit recht binnen vier weken te voldoen. Bij aangetekend schrijven van 27 november 2002 is appellante nogmaals een termijn van vier weken gegeven om het griffierecht te voldoen. In reactie op deze laatste brief heeft appellante gedaagde bij schrijven van 18 december 2002 medegedeeld dat zij het verschuldigde bedrag van € 29,- reeds per brief met bewijs van ontvangst van 7 oktober 2002 aan de rechtbank heeft toegezonden. Bij dit schrijven waren een afschrift van appellantes brief van 7 oktober 2002 en een bewijs van verzending van 7 oktober 2002 met daarop een stempel van ontvangst door de rechtbank van 10 oktober 2002 gevoegd.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank appellantes beroep wegens het niet tijdig betalen van het griffierecht niet-ontvankelijk verklaard. Appellante is van deze uitspraak tijdig in hoger beroep gekomen.

De Raad merkt op dat appellante met het door haar overgelegde bewijs van verzending heeft aangetoond de rechtbank op 7 oktober 2002 een schrijven te hebben doen toekomen, dat door de rechtbank op 10 oktober 2002 is ontvangen. Onder de gedingstukken bevindt zich geen stuk waaruit blijkt dat het hier een ander schrijven van appellante betreft dan de door haar ingezonden kopie van haar brief van 7 oktober 2002, welk schrijven kennelijk bij de rechtbank in het ongerede is geraakt. Aldus is voor de Raad voldoende aannemelijk geworden dat appellante op 7 oktober 2002, dus tijdig, een poging heeft gedaan het griffierecht te betalen, welke poging kennelijk niet tot resultaat heeft geleid als gevolg van omstandigheden gelegen buiten de invloedssfeer van appellante. Naar het oordeel van de Raad had de rechtbank, nadat haar was gebleken van de hiervoor bedoelde poging, appellante alsnog in de gelegenheid moeten stellen het griffierecht (aantoonbaar) te betalen.

Gelet op het vorenstaande komt de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking. De Raad wijst de zaak met toepassing van artikel 26 van de Beroepswet terug naar de rechtbank Amsterdam.

De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) inzake de vergoeding van proceskosten in hoger beroep, nu geen proceskosten zijn gevorderd en van voor ambtshalve vergoeding in aanmerking komende kosten niet is gebleken.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Wijst de zaak terug naar de rechtbank Amsterdam.

Aldus gegeven door mr. H. van Leeuwen als voorzitter en mr. M.M. van der Kade en mr. T.L. de Vries als leden, in tegenwoordigheid van J.J.B. van der Putten als griffier en uitgesproken in het openbaar op 20 mei 2005.

(get.) H. van Leeuwen.

(get.) J.J.B. van der Putten.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Anw | Anw | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x