Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   Anw
x
LJN:
x
AT7286
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 07-06-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Intrekking van de nabestaandenuitkering in verband met verzwegen gezamenlijke huishouding.
 
 
 

 

 
Uitspraak 03/3868 ANW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2003 zijn de artikelen 3, 4 en 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden, voorzover het de Sociale verzekeringsbank betreft. Thans oefent gedaagde de taken en bevoegdheden uit die tot die datum werden uitgeoefend door de Sociale Verzekeringsbank. In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan de Sociale Verzekeringsbank.

Namens appellant heeft mr. J.P.M.M. Heijkant, advocaat te Dongen, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 11 juni 2003, reg.nr. 02/1310 ANW.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 26 april 2005, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. A.P.G.J.A. Wijnans, kantoorgenoot van mr. Heijkant, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door drs. J.W.P.M. van Rooij, werkzaam bij de Sociale verzekeringsbank.




II. MOTIVERING


Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

Bij besluit van 16 november 2001 heeft gedaagde de uitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet (Anw) van appellant beŽindigd (lees: ingetrokken) met ingang van 1 april 2001 op de grond dat hij sedert 16 maart 2001 een gezamenlijke huishouding voert met [partner].

Bij besluit van 11 januari 2002 heeft gedaagde de teveel betaalde nabestaandenuitkering tot en met oktober 2001 tot een bedrag van Ä 4.453,71 van appellant teruggevorderd.

Bij besluit van 12 juni 2002 heeft gedaagde de tegen de besluiten van 16 november 2001 en 11 janauri 2002 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het besluit van 12 juni 2002 ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank gekeerd. Daartoe heeft hij - samengevat - doen aanvoeren dat tussen appellant en [partner] enkele praktische afspraken zijn gemaakt om te garanderen dat appellant in de woning zou kunnen blijven wonen, dat tussen hen louter een commerciŽle relatie bestaat, dat geen sprake is van financiŽle verstrengeling en dus ook niet van een gezamenlijke huishouding. Subsidiair heeft appellant zich beroepen op dringende redenen op grond waarvan van terugvordering zou dienen te worden afgezien.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De Raad stelt eerst vast dat tussen partijen niet in geding is dat appellant en [partner] ten tijde in geding feitelijk hun hoofdverblijf hadden in dezelfde woning. Hetgeen van de zijde van appellant in dat verband is opgemerkt ten aanzien van de door de Hoge Raad gegeven uitleg over het in artikel 5a, tweede lid, van de (per 1 januari 1996 ingetrokken) Algemene Bijstandswet voorkomende begrip ďhet gezamenlijk voorzien in huisvestingĒ kan hier niet aan afdoen, reeds omdat bij de beoordeling van de vraag of sprake is van een gezamenlijke huishouding in de zin van de Anw ingevolge artikel 3, derde lid, van die wet - naast het blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de huishouding dan wel anderszins - slechts van belang is of twee personen hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning.

Voorts merkt de Raad op dat het feit dat het huurcontract van de woning aan de [adres] te [woonplaats] ten tijde in geding op naam stond van zowel appellant als van [partner] reeds wijst op enige financiŽle verstrengeling. De Raad onderschrijft daarnaast het oordeel van de rechtbank dat uit de gedingstukken, waaronder met name de zogeheten checklist, genoegzaam naar voren komt dat appellant en [partner] ten tijde in geding van elkaars spullen gebruik maakten en over en weer belast waren met zorgtaken zonder dat daar een vergoeding of verrekening van kosten tegenover stond.
Dat tussen appellant en [partner] sprake zou zijn van een kostgangersovereenkomst acht de Raad met de rechtbank onvoldoende aangetoond. Van een schriftelijke overeenkomst terzake is niet gebleken, terwijl al evenmin betalingsbewijzen uit de in geding zijnde periode zijn overgelegd. Nog daargelaten dat niet duidelijk is geworden wat de gestelde maandelijkse bijdrage van [partner] precies was, gaan ook overigens de over en weer verrichte diensten de normaal gebruikelijke verstrekkingen in een kostgangersrelatie te boven.

Gedaagde heeft onder de gegeven omstandigheden dan ook terecht aangenomen dat op en na 16 maart 2001 sprake was van het voeren van een gezamenlijke huishouding als bedoeld in artikel 3, derde lid, van de Anw.

Gelet hierop eindigde ingevolge artikel 16, eerste lid, aanhef en onder b, en artikel 16, tweede lid, van de Anw het recht van appellant op een nabestaandenuitkering met ingang van 1 april 2001, zijnde de eerste dag van de maand volgend op die waarin hij een gezamenlijke huishouding is gaan voeren.

Gedaagde heeft de nabestaandenuitkering van appellant derhalve terecht, met toepassing van artikel 34, eerste lid, van de Anw, met ingang van 1 april 2001 ingetrokken. Van dringende redenen, als bedoeld in artikel 34, tweede lid, van de Anw, op grond waarvan gedaagde geheel of gedeeltelijk van intrekking kon afzien is de Raad niet gebleken.

Met het voorgaande is tevens gegeven dat is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 53, eerste lid, van de Anw, zodat gedaagde gehouden was tot terugvordering van de teveel betaalde nabestaandenuitkering. Dringende redenen om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien kunnen naar vaste rechtspraak van de Raad slechts zijn gelegen in de onaanvaardbare sociale en/of financiŽle gevolgen van een terugvordering voor betrokkene. Het moet dan gaan om incidentele gevallen, waarin iets bijzonders of uitzonderlijks aan de hand is en waarin een individuele afweging van alle relevante omstandigheden plaats vindt. In het geval van appellant is de Raad van consequenties als hiervoor bedoeld niet gebleken, zodat gedaagde zich terecht niet bevoegd heeft geacht van terugvordering af te zien.

Uit het voorgaande vloeit voort dat het hoger beroep van appellant niet kan slagen. De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.

De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gewezen door mr. Th.C. van Sloten als voorzitter en mr. R.H.M. Roelofs en mr. J.J.A. Kooijman als leden, in tegenwoordigheid van S.W.H. Peeters als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 7 juni 2005.

(get.) Th.C. van Sloten.

(get.) S.W.H. Peeters.




Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (postbus 20303, 2500 EH ís-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Anw | Anw | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x