Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   Anw
x
LJN:
x
AU4765
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 14-10-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Herziening van de nabestaandenuitkering met terugwerkende kracht in verband met gebleken hogere inkomsten uit WAO-uitkering. Beleid.
 
 
 

 

 
Uitspraak 03/4012 ANW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2003 zijn de artikelen 3, 4 en 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, voorzover het betreft de Sociale verzekeringsbank in werking getreden. Thans oefent gedaagde de taken en bevoegdheden uit die tot die datum werden uitgeoefend door de Sociale Verzekeringsbank. In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan de Sociale Verzekeringsbank.

Namens appellante is op de daartoe bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 1 juli 2003, nummer 02/3045 ANW, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend, waarop appellantes gemachtigde heeft gereageerd.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 2 september 2005, waar appellante - zoals tevoren was bericht - niet is verschenen en waar namens gedaagde is verschenen H.J.M. de Wit, werkzaam bij de Sociale verzekeringsbank.




II. MOTIVERING


Appellante ontvangt een uitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet (Anw), die sedert 1 januari 1998 inkomensafhankelijk is. Vanaf laatstgenoemde datum heeft gedaagde op appellantes Anw-uitkering een korting toegepast in verband met de door haar ontvangen uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO).

Nadat uit door appellante omstreeks januari 1999 ingezonden inkomensgegevens was gebleken dat appellantes WAO-uitkering hoger was dan waarvan gedaagde bij de vaststelling van de korting was uitgegaan, heeft gedaagde appellantes Anw-uitkering per 1 januari 1999 herzien.

Naar aanleiding van een signaal van de Belastingdienst dat appellantes inkomsten over 1998 hoger waren dan volgens gedaagdes administratie, is begin 2000 een onderzoek gestart naar appellantes inkomsten. In dat kader zijn zowel bij appellante als bij Cadans, de uitvoeringsinstelling die appellantes WAO-uitkering uitbetaalt, inlichtingen opgevraagd. Dit heeft geleid tot een - aanvankelijk onjuiste maar later gecorrigeerde - herziening van appellantes Anw-uitkering en een terugvordering van het te veel betaalde. Deze beslissingen zijn inmiddels in rechte komen vast te staan.

Een door appellante in december 2000 ingezonden inkomensopgaveformulier heeft voor gedaagde aanleiding gevormd om in augustus 2001 bij Cadans inlichtingen in te winnen omtrent de hoogte van appellantes WAO-uitkering vanaf 1 januari 1999. Naar aanleiding van de door Cadans verstrekte gegevens heeft gedaagde appellantes Anw-uitkering bij besluit van 20 november 2001 over de periode van januari 1999 tot en met oktober 2001 herzien. Bij het bestreden besluit van 24 mei 2002 is dit besluit na bezwaar gehandhaafd.

De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

Ter zitting van de Raad heeft de gemachtigde van gedaagde verklaard dat gedaagde het bestreden besluit niet meer ten volle handhaaft. Gedaagde stelt zich nader op het standpunt dat over de periode van januari 1999 tot en met maart 2000 appellantes uitkering terecht met terugwerkende kracht is herzien, doch dat een herziening over de periode april 2000 tot en met oktober 2001 als kennelijk onredelijk moet worden aangemerkt en daarom over die periode tot de helft moet worden teruggebracht.

De Raad stelt vast dat reeds op deze grond het bestreden besluit moet worden vernietigd, evenals de aangevallen uitspraak, waarbij dat besluit in stand is gelaten. Ten aanzien van het thans door gedaagde ingenomen standpunt overweegt de Raad als volgt.

Met de rechtbank komt de Raad tot het oordeel dat de Anw-uitkering van appellante vanaf 1 januari 1999 tot een te hoog bedrag tot uitbetaling is gekomen. Blijkens de opgave van Cadans was appellantes uitkering hoger dan waarvan gedaagde bij de vaststelling van de korting is uitgegaan. Gedaagdes herberekening van de Anw-uitkering is gebaseerd op deze gegevens van Cadans. Door of namens appellante zijn geen gegevens aangedragen die aanleiding geven die gegevens dan wel gedaagdes berekening onjuist te achten.

Met betrekking tot de herziening van het recht op Anw-uitkering merkt de Raad op dat uit artikel 34, eerste lid, van de Anw volgt dat indien de uitkering ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend, gedaagde gehouden is het desbetreffende besluit te herzien of in te trekken. Uitgangspunt van artikel 34 van de Anw is blijkens de Memorie van Toelichting dat in alle gevallen correctie van fouten moet plaatsvinden (TK, 1994-1995, 23 909, nr. 3). In de memorie van antwoord aan de Eerste Kamer is daaraan echter toegevoegd dat in het wetsvoorstel wordt aangesloten bij het rechtszekerheidsbeginsel uit de rechtspraak inhoudend dat herziening/intrekking van een uitkering niet is toegestaan tenzij betrokkene had kunnen begrijpen dat hij geen recht op uitkering had (EK, 1995-1996, 23 909, nr. 114b).

Gedaagde heeft een beleid ontwikkeld ten aanzien van het terugkomen van besluiten ten nadele van een betrokkene met terugwerkende kracht, waarbij rekening is gehouden met algemene rechtsbeginselen zoals het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel. Uitgangspunt van dit beleid is dat appellant niet tot herziening of intrekking met volledige terugwerkende kracht overgaat als de betrokkene al zijn verplichtingen is nagekomen en hij voorts niet heeft kunnen onderkennen dat de uitkering ten onrechte werd verleend. Voorts wordt met toepassing van artikel 3:4 Awb geheel of gedeeltelijk van herziening afgezien als de bijzondere omstandigheden van het geval leiden tot het oordeel dat een volledige terugwerkende kracht kennelijk onredelijk is. Bij de beoordeling of er sprake is van kennelijke onredelijkheid hecht gedaagde belang aan:
- de mate waarin aan de belanghebbende een verwijt kan worden gemaakt;
- de mate waarin aan gedaagde een verwijt kan worden gemaakt;
- de mate waarin de herziening met volledige terugwerkende kracht en de hiermee gepaard gaande terugvordering daadwerkelijk ingrijpend is in het dagelijkse leven van de belanghebbende. De Raad heeft al eerder geoordeeld dat deze beleidsregels niet in strijd komen met enige geschreven of ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel, waaronder voornoemde wettelijke bepalingen, het beginsel van rechtszekerheid en het vertrouwensbeginsel.

Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat het appellante redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat zij te veel uitkering ontving. Het was haar bekend dat haar Anw-uitkering afhankelijk was van de hoogte van haar WAO-uitkering. Tevens kon haar duidelijk zijn dat de bedragen waarvan gedaagde uitging bij de berekening van haar Anw-uitkering lager waren dan het bedrag aan WAO-uitkering dat haar feitelijk toekwam. De stelling van appellantes gemachtigde dat appellante geen zicht had op de hoogte van haar WAO-uitkering nu zij tevens een ABP-uitkering ontving, vermag de Raad niet tot een ander oordeel te brengen, reeds omdat uit de zich onder de gedingstukken bevindende giroafschriften van appellante blijkt dat deze uitkeringen apart werden uitbetaald en het brutobedrag van appellantes WAO-uitkering op die afschriften vermeld werd.

Bij zijn toets of de terugwerkende kracht kennelijk onredelijk is, heeft gedaagde een splitsing aangebracht tussen de periode van januari 1999 tot en met maart 2000, voor welke periode gedaagde naar zijn oordeel geen verwijt treft, en van april 2000 tot en met oktober 2001, waarin gedaagde naar eigen oordeel gegevens ter beschikking had op grond waarvan nader onderzoek aangewezen was. De Raad kan gedaagde hierin niet volgen. Het was gedaagde reeds vanaf eind 1997 bekend dat appellante een WAO-uitkering ontving. Het kon gedaagde voorts bekend zijn dat deze uitkering - evenals de Anw-uitkering - periodiek wordt verhoogd. Het had op gedaagdes weg gelegen met enige regelmaat gegevens op te vragen waaruit de hoogte van de uitkering zou blijken. De Raad voegt daar nog aan toe dat appellante bij het haar in januari 2000 toegezonden en door haar geretourneerde inkomensopgaveformulier een giroafschrift heeft gevoegd waaruit de hoogte van haar WAO-uitkering exact blijkt. Zij ontving over januari 1999 f 1966,65 bruto uitkering plus f 45,36 overhevelingstoeslag, tezamen f 2012,01, over 21 uitkeringsdagen. De enige wijziging die gedaagde voor de berekening van appellantes inkomen in dit bedrag heeft aangebracht, is omzetting naar een uitkeringsbedrag over 21,75 dagen in verband met de toepassing van artikel 8 van het Inkomens- en samenloopbesluit Anw. De Raad kan dan ook niet anders constateren dan dat gedaagde aanvankelijk alle gegevens voorhanden had om tot een juiste vaststelling van appellantes uitkering te komen en in een latere fase daarnaar onvoldoende onderzoek heeft gedaan door geen inlichtingen in te winnen omtrent de periodieke verhogingen van appellantes uitkering.

Gedaagde treft derhalve ook over de periode van januari 1999 tot en met maart 2000 een ernstig verwijt. Zoals gedaagde bij herhaling heeft medegedeeld, wordt appellante niet verweten dat zij de periodieke verhoging van haar uitkering niet binnen vier weken aan gedaagde heeft gemeld, welke verplichting ten aanzien van andere wijzigingen in het inkomen wel geldt. Nu gedaagde heeft geoordeeld dat de afweging van verwijtbaarheid aan de zijde van gedaagde en appellante voor de periode van april 2000 tot en met oktober 2001 leidt tot een beperking van de herziening van appellantes Anw-uitkering met de helft, komt het de Raad voor dat deze beperking, gelet op het door gedaagde gevoerde beleid, evenzeer dient te gelden voor de periode van januari 1999 tot en met maart 2000.

Ook op deze grond kunnen het bestreden besluit, voorzover door gedaagde gehandhaafd, wegens strijd met artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en de aangevallen uitspraak geen stand houden. Gedaagde dient een nieuw besluit te nemen op appellantes bezwaar.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellante in eerste aanleg en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op 322,- voor verleende rechtsbijstand in eerste aanleg en 322,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, tezamen 644,-.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;
Bepaalt dat gedaagde een nieuw besluit op bezwaar dient te nemen met inachtneming van deze uitspraak;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante in eerste aanleg tot een bedrag groot 322,-, te betalen door de Sociale verzekeringsbank aan de griffier van de Raad, en in hoger beroep tot een bedrag groot 322,-, te betalen door de Sociale verzekeringsbank;
Bepaalt dat de Sociale verzekeringsbank aan appellante het betaalde recht van 116,- vergoedt.

Aldus gegeven door mr. H. van Leeuwen als voorzitter en mr. M.M. van der Kade en mr. T.L. de Vries als leden, in tegenwoordigheid van M. Gunter als griffier en uitgesproken in het openbaar op 14 oktober 2005.

(get.) H. van Leeuwen.

(get.) M. Gunter.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Anw | Anw | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x