Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   Anw
x
LJN:
x
AU7320
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 02-12-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Intrekking en terugvordering van de Anw-uitkering vanwege detentie.
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 03/2962 ANW en 05/5664 ANW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2003 zijn de artikelen 3, 4 en 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, voorzover het betreft de Sociale verzekeringsbank in werking getreden. Thans oefent gedaagde de taken en bevoegdheden uit die tot genoemde datum werden uitgeoefend door de Sociale Verzekeringsbank. In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan de Sociale Verzekeringsbank.

Namens appellant heeft mr. R. Polderman, advocaat te Alkmaar, op daartoe bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 13 mei 2003, nr. ANW 02/278, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 8 juli 2005 heeft gedaagde een nieuwe beslissing op bezwaar aan de Raad gezonden. Namens appellant is bij brief van 19 augustus 2005 gereageerd op dit besluit.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 4 november 2005, waar namens appellant is verschenen mr. Polderman, voornoemd, en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. P.J. Fehling, werkzaam bij de Sociale verzekeringsbank.




II. MOTIVERING


Bij besluit van 8 januari 2001 heeft gedaagde de aan appellant toegekende nabestaandenuitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet (Anw) met ingang van 1 juni 2000 ingetrokken op grond van het met ingang van 1 mei 2000 bij de Wet sociale zekerheidsrechten gedetineerden (Wsg) ingevoerde artikel 32d van de Anw. Daarbij is overwogen dat appellant op 1 mei 2000 gedetineerd was, vanaf medio 1999, en dat op grond van een overgangsbepaling bij de Wsg zijn recht op uitkering één maand na inwerkingtreding van die wet eindigt. Verder heeft gedaagde bij dat besluit de vanaf 1 juni 2000 onverschuldigd betaalde nabestaandenuitkering van appellant teruggevorderd.

Bij beslissing op bezwaar van 18 februari 2002 (hierna: besluit 1) heeft gedaagde de bezwaren van appellant tegen het besluit van 8 januari 2001 ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft onder verwijzing naar een uitspraak, gewezen in een soortgelijk geschil, het beroep van appellant op diverse bepalingen van internationaal recht, waarmee de intrekking van de Anw-uitkering per 1 juni 2000 in strijd zou zijn, verworpen. Vervolgens is de rechtbank tot de slotsom gekomen dat gedaagde terecht tot beëindiging van de Anw-uitkering is overgegaan, maar heeft zij het beroep gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd, voorzover daarbij de uitkering met terugwerkende kracht is ingetrokken en de onverschuldigd betaalde uitkering is teruggevorderd.

Namens appellant zijn in hoger beroep slechts grieven aangevoerd tegen de intrekking van de Anw-uitkering per 1 juni 2000. Daarbij heeft appellants gemachtigde in zijn hoger beroepschrift (wederom) aangevoerd dat de Wsg in strijd moet worden geacht met artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, Trb. 1978, 177,
artikel 14 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, Trb. 1951, 154; 1990, 156 (EVRM), artikel 69 van Verdrag 102 betreffende minimumnormen van sociale zekerheid, Trb. 1953, 69 en artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM, Trb. 1952/80 (hierna: het Eerste Protocol).

Bij beslissing op bezwaar van 8 juli 2005 (hierna: besluit 2) heeft gedaagde de bezwaren van appellant tegen het besluit van 8 januari 2001 alsnog gegrond verklaard en heeft gedaagde, onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 18 juni 2004 (o.a. USZ 2004/255 en RSV 2004/298), de aan appellant toegekende Anw-uitkering met ingang van 1 november 2000 ingetrokken. De Raad heeft vervolgens besloten om op grond van de artikelen 6:18 en 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bij de behandeling van dit geding tevens een oordeel te geven over besluit 2. Namens appellant is na kennisneming van besluit 2 medegedeeld dat dit besluit slechts gedeeltelijk tegemoet komt aan de grieven van appellant.

De Raad stelt allereerst vast dat gedaagde bij besluit 2 ten aanzien van de aanspraak van appellant op een Anw-uitkering een nieuwe beslissing op het bezwaar heeft genomen, waarbij die uitkering met ingang van 1 november 2000 is ingetrokken. Dit betekent eveneens dat appellant geen belang meer heeft bij het hoger beroep betrekking hebbend op besluit 1, nu namens hem geen verzoek om schadevergoeding als bedoeld in artikel 8:73 van de Awb is ingediend en zijn grieven inzake de intrekking van de Anw-uitkering bij de toetsing van besluit 2 aan de orde kunnen komen. Het hoger beroep van appellant wordt derhalve niet-ontvankelijk geacht, nu niet is gebleken van enig belang van hem bij een inhoudelijk oordeel van de Raad met betrekking tot besluit 1.

Tussen partijen is in hoger beroep in geschil of gedaagde de aan appellant toegekende Anw-uitkering terecht met ingang van 1 november 2000 heeft ingetrokken. Dienaangaande overweegt de Raad het volgende.

In zijn uitspraak van 18 juni 2004 (o.a. USZ 2004/255 en RSV 2004/298) heeft de Raad - uitvoerig gemotiveerd - als zijn oordeel gegeven dat de Wsg in overwegende mate de rechterlijke toetsing kan doorstaan. De Raad heeft de in die gedingen naar voren gebrachte grieven verworpen met uitzondering van de grief inzake de strijdigheid van de Wsg, bij intrekking van een op 1 mei 2000 bestaand uitkeringsrecht, met artikel 1 van het Eerste Protocol. Naar het oordeel van de Raad heeft de wetgever met de overgangstermijn van één maand en de (mogelijke) herleving van het recht op uitkering na afloop van de vrijheidsbeneming, niet op een toereikende wijze vorm gegeven aan de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit, waaraan een ontneming van de eigendom als bedoeld in artikel 1 van het Eerste Protocol moet voldoen. De Raad heeft in genoemde uitspraak tevens geoordeeld dat de hantering van een overgangstermijn van zes maanden vanaf de inwerkingtreding van de Wsg wel in overeenstemming zou kunnen worden geacht met artikel 1 van het Eerste Protocol.

De Raad merkt op dat de meeste van de namens appellant naar voren gebrachte grieven door de Raad (reeds) zijn verworpen in zijn uitspraak van 18 juni 2004. De Raad verwijst in zoverre naar genoemde uitspraak. Met betrekking tot de stelling van appellants gemachtigde dat de Wsg een ongerechtvaardigd onderscheid maakt tussen verschillende categorieën uitkeringsgerechtigden, waarbij hij erop heeft gewezen dat zij die in het genot zijn van een uitkering ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) hun uitkering niet verliezen, verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 12 november 2004, nummer 02/2882 + 04/6328 WAO (LJN AR6512), waarin hij deze grief heeft verworpen.

Nu gedaagde bij besluit 2, in overeenstemming met hetgeen de Raad heeft overwogen in voornoemde uitspraak van 18 juni 2004, appellants uitkering met inachtneming van een overgangstermijn van zes maanden heeft ingetrokken, is de Raad van oordeel dat het beroep dat geacht wordt te zijn ingesteld tegen besluit 2 niet kan slagen.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, te betalen door de Sociale verzekeringsbank aan de griffier van de Raad, nu aan appellant een toevoeging is verleend ingevolge de Wet op de rechtsbijstand.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
Verklaart het beroep dat geacht wordt te zijn ingesteld tegen besluit 2 ongegrond;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag groot € 644,- te betalen door de Sociale verzekeringsbank aan de griffier van de Raad;
Bepaalt dat de Sociale verzekeringsbank aan appellant het gestorte recht van € 87,- vergoedt.

Aldus gegeven door mr. T.L. de Vries en in tegenwoordigheid van mr. M.F. van Moorst als griffier en uitgesproken in het openbaar op 2 december 2005.

(get.) T.L. de Vries.

(get.) M.F. van Moorst.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Anw | Anw | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x