Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   Anw
x
LJN:
x
AU7537
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 25-11-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Is op goede gronden de Anw-uitkering herzien en teruggevorderd? Inkomen uit wachtgeld en FPU-uitkering. Is de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar tegen de aangekondigde terugvordering terecht?
 
 
 

 

 
Uitspraak 04/6531 ANW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2003 zijn de artikelen 3, 4 en 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, voorzover het betreft de Sociale verzekeringsbank in werking getreden. Thans oefent de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank de taken en bevoegdheden uit die tot genoemde datum werden uitgeoefend door de Sociale Verzekeringsbank. In deze uitspraak wordt onder gedaagde mede verstaan de Sociale Verzekeringsbank.

Appellante heeft op bij beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 13 oktober 2004, nr. 04/472 ANW, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 14 oktober 2005, waar voor appellante is verschenen haar zoon, [naam zoon], en waar namens gedaagde is verschenen A. van der Weerd, werkzaam bij de Sociale verzekeringsbank.




II. MOTIVERING


Appellante ontving een pensioen ingevolge de Algemene Weduwen en Wezenwet (AWW) van gedaagde, welk pensioen met ingang van 1 juli 1996 van rechtswege is omgezet in een nabestaandenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (Anw). Voor appellante, als ex AWW-gerechtigde, is de nabestaandenuitkering met ingang van 1 januari 1998 (deels) inkomensafhankelijk geworden.

Op 24 maart 2002 heeft appellante - die inkomsten uit twee wachtgelden genoot, te weten van het ABP en van het USZO - middels een wijzigingsformulier aan gedaagde medegedeeld dat met ingang van 1 juni 2001 haar wachtgelduitkering van de uitvoeringsinstelling USZO is omgezet in een FPU-uitkering en dat ingaande 1 januari 2002 die FPU-uitkering is verhoogd. Gedaagde heeft daarop bij besluit van 31 juli 2002 de Anw-uitkering per 1 juni 2001 aangepast en aan appellante een nabetaling gedaan van € 1.905,87 netto wegens te weinig ontvangen Anw-uitkering.

Naar aanleiding van het door appellante ingezonden inkomensopgaveformulier (met bijgevoegde uitkeringsspecificaties) gedagtekend 9 november 2002, heeft gedaagde bij besluit van 5 november 2003 appellantes uitkering per 1 juni 2001 herzien en nader vastgesteld.
Bovendien is bij brief van dezelfde datum aan appellante bericht dat gedaagde voornemens was het over de periode augustus 2002 tot en met oktober 2003 teveel ontvangen bedrag van € 7.234,06 van appellante terug te vorderen en dat, op grond van het rechtszekerheidsbeginsel, wordt afgezien van terugvordering over de periode juni 2001 tot en met juli 2002 ten bedrage van € 6.639,27.

Appellante heeft in bezwaar tegen de herziening en de aangekondigde terugvordering aangevoerd dat zij gedaagde altijd de juiste informatie heeft verschaft en dat het te veel betaalde niet kenbaar voor haar was. Zij verzoekt gedaagde de (eigen) beleidsregels toe te passen en (ook) af te zien van terugvordering over de periode augustus 2002 tot en met oktober 2003. Verder heeft appellante aangevoerd dat na een nader telefoongesprek en schriftelijke informatie het haar wel duidelijk is geworden dat haar uitkering onjuist was berekend.

Bij beslissing op bezwaar van 4 maart 2004 (hierna: het bestreden besluit) heeft gedaagde de bezwaren van appellante voor zover die gericht zijn tegen de aankondiging dat zal worden teruggevorderd niet-ontvankelijk verklaard en de bezwaren tegen het herzieningsbesluit ongegrond verklaard.

In beroep tegen het bestreden besluit heeft appellante aangevoerd dat zij zich niet bewust was dat zij teveel uitkering ontving en dat gedaagde fouten heeft gemaakt. Gedaagde zou, evenals ten aanzien van de periode juni 2001 tot en met juli 2002, ook van terugvordering moeten af zien over de periode augustus 2002 tot en met oktober 2003.

De rechtbank heeft appellantes beroep ongegrond verklaard. Zij heeft in de aangevallen uitspraak als haar oordeel te kennen gegeven dat appellantes grieven zich uitsluitend richten tegen de aankondiging van gedaagde om tot terugvordering over te gaan, en heeft vervolgens (alleen) de vraag beoordeeld of gedaagde bij het bestreden besluit terecht appellantes bezwaar tegen de terugvordering niet-ontvankelijk heeft verklaard.

Appellante is opgekomen tegen dit oordeel van de rechtbank.

De Raad overweegt het volgende.

Vastgesteld moet worden dat de rechtbank haar beoordeling heeft beperkt tot de in het bestreden besluit vervatte niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar tegen de aangekondigde terugvordering, omdat de grieven van appellante zich uitsluitend daartegen zouden richten. De Raad kan dit standpunt niet onderschrijven, nu namens appellante in ieder geval ter zitting van de rechtbank een expliciet beroep is gedaan op het door gedaagde gehanteerde beleid ten aanzien van herziening van besluiten met terugwerkende kracht. Hoewel namens appellante ook in dit kader steeds wordt gesproken over de terugvordering kan deze verwijzing redelijkerwijs toch niet anders verstaan worden dan dat ook de - aan de terugvordering voorafgaande - herziening wordt bestreden.
De Raad is van oordeel dat de rechtbank dusdoende het bepaalde in artikel 8:69, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), inhoudende dat uitspraak wordt gedaan op de grondslag van het beroepschrift, de overgelegde stukken, het verhandelde tijdens het vooronderzoek en het onderzoek ter zitting, heeft miskend.

De aangevallen uitspraak dient derhalve in zoverre te worden vernietigd. De Raad zal met toepassing van artikel 27 van de Beroepswet de zaak echter niet terugwijzen, maar zelf afdoen, omdat de zaak naar zijn oordeel geen nadere behandeling door de rechtbank behoeft. De Raad zal, doende hetgeen de rechtbank had behoren te doen, alsnog herzieningsbesluit beoordelen.

De Raad stelt voorop dat tussen partijen niet in geschil is dat gedaagde de aanspraken van appellante op uitkering ingevolge de Anw vanaf juni 2001 tot en met oktober 2003 aanvankelijk onjuist heeft vastgesteld en dat gedaagde bij het bestreden besluit slechts de aanspraak op Anw-uitkering van appellante over het tijdvak van augustus 2002 tot en met oktober 2003 heeft herzien. De hoogte van de over dat tijdvak nader vastgestelde aanspraak op nabestaandenuitkering is door appellante niet betwist. Tussen partijen is in hoger beroep derhalve in geschil of gedaagde met recht de uitkering van appellante over laatstgenoemd tijdvak heeft herzien.
Met betrekking tot de herziening van het recht op Anw-uitkering merkt de Raad allereerst op dat uit artikel 34, eerste lid, van de Anw volgt dat indien de uitkering ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend, gedaagde gehouden is het desbetreffende besluit te herzien of in te trekken. Uitgangspunt van artikel 34 van de Anw is blijkens de Memorie van Toelichting dat in alle gevallen correctie van fouten moet plaatsvinden (TK, 1994-1995, 23 909, nr. 3). In de memorie van antwoord aan de Eerste Kamer is daaraan echter toegevoegd dat in het wetsvoorstel wordt aangesloten bij het rechtszekerheidsbeginsel uit de rechtspraak inhoudend dat herziening of intrekking van een uitkering niet is toegestaan tenzij betrokkene had kunnen begrijpen dat hij geen recht op uitkering had (EK, 1995-1996, 23 909, nr. 114b).

Gedaagde heeft een beleid ontwikkeld ten aanzien van het terugkomen van besluiten ten nadele van een betrokkene met terugwerkende kracht, waarbij rekening is gehouden met algemene rechtsbeginselen zoals het vertrouwens- en rechtszekerheidbeginsel. Uitgangspunt van dit beleid is dat gedaagde niet tot herziening of intrekking met volledige terugwerkende kracht overgaat als de betrokkene al zijn verplichtingen is nagekomen en hij voorts niet heeft kunnen onderkennen dat de uitkering ten onrechte werd verleend. De Raad heeft al eerder geoordeeld dat deze beleidsregels niet in strijd komen met enige geschreven of ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel, waaronder voornoemde wettelijke bepalingen, het beginsel van de rechtszekerheid en het vertrouwensbeginsel.

Voorts wordt op grond van de beleidsregels van gedaagde met toepassing van artikel 3:4 van de Awb geheel of gedeeltelijk van herziening afgezien als de bijzondere omstandigheden van het geval leiden tot het oordeel dat een volledige terugwerkende kracht kennelijk onredelijk is. Bij de beoordeling of er sprake is van kennelijke onredelijkheid hecht gedaagde belang aan:
- de mate waarin de belanghebbende een verwijt kan worden gemaakt;
- de mate waarin aan gedaagde een verwijt kan worden gemaakt;
- de mate waarin herziening met volledige terugwerkende kracht en de hiermee gepaard gaande terugvordering daadwerkelijk ingrijpend is in het dagelijks leven van belanghebbende.

Appellante had naar het oordeel van de Raad - in ieder geval met het besluit van 31 juli 2002, waarbij haar uitkering per juni 2001 tot en met juli 2002 werd herzien en haar een nabetaling van € 1.905,87 werd gedaan - redelijkerwijs kunnen onderkennen dat haar uitkering werd berekend naar een onjuiste grondslag. Derhalve is er geen sprake van een situatie waarin gedaagde op grond van het hiervoor genoemde beleid had moeten afzien van herziening van de Anw-uitkering van appellante.
Ingevolge het toepasselijke wettelijke regime was gedaagde dan ook gehouden tot herziening (en terugvordering) van de uitkering, tenzij dringende redenen daaraan in de weg stonden.
De Raad constateert dat uit het bestreden besluit en de daaraan ten grondslag liggende stukken naar voren komt dat gedaagde, na zijn beleidsuitgangspunten met betrekking tot de kennelijke onredelijkheid te hebben beoordeeld, heeft afgezien van herziening van de uitkering over de periode juni 2001 tot en met juli 2002, en daarmee dus ook van de terugvordering over die periode ten bedrage van € 6.639,27. Gedaagde heeft in overeenstemming met het beleid de terugwerkende kracht van de herziening beperkt tot (ongeveer) de helft. De Raad ziet niet dat sprake is van feiten of omstandigheden die voor gedaagde aanleiding hadden moeten zijn om tot een verdergaande beperking van de terugwerkende kracht tot meer dan de helft, over te gaan.

Ook op grond van de in artikel 34, tweede lid, van de Anw bestaat geen aanleiding tot een verdergaande beperking van de terugwerkende kracht.

Zoals de Raad reeds herhaaldelijk heeft overwogen kunnen dringende redenen als hier bedoeld slechts gelegen zijn in onaanvaardbare financiële of sociale consequenties van een herziening (of een hiermee samenhangende terugvordering) voor de betrokkene. Dergelijke bijzondere omstandigheden zijn niet gesteld en daarvan is de Raad ook niet gebleken.

De Raad is dan ook van oordeel dat gedaagde op goede gronden de nabestaandenuitkering van appellante heeft herzien met een terugwerkende kracht tot en met augustus 2002. Dit betekent dat het in eerste aanleg ingestelde beroep alsnog ongegrond dient te worden verklaard.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellante in hoger beroep, bestaande uit reiskosten voor het bijwonen van de zitting, nu appellante zelf niet ter zitting van de Raad is verschenen en zich heeft laten vertegenwoordigen door een niet-professionele gemachtigde. Deze kosten worden begroot op € 32,- . Van overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten is niet gebleken.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat dient te worden beslist als volgt.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voorzover aangevochten;
Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante in hoger beroep tot een bedrag groot € 32,- te betalen door de Sociale verzekeringsbank;
Bepaalt dat de Sociale verzekeringsbank aan appellante het gestorte griffierecht in hoger beroep van € 102,- vergoedt.

Aldus gegeven door mr. H. van Leeuwen als voorzitter en mr. T.L. de Vries en mr. H.J. Simon als leden, in tegenwoordigheid van J.P. Graus als griffier en uitgesproken in het openbaar op 25 november 2005.

(get.) H. van Leeuwen.

(get.) J.P. Graus.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Anw | Anw | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x