Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   Anw
x
LJN:
x
AU7757
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 09-12-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Mag bij het in mindering brengen van inkomsten op een Anw-uitkering onderscheid worden gemaakt tussen inkomsten uit en in verband met arbeid en andere inkomsten, zoals die uit vermogen?
 
 
 

 

 
Uitspraak 04/1692 ANW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2003 zijn de artikelen 3, 4 en 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen voorzover het betreft de Sociale verzekeringsbank, in werking getreden. Thans oefent gedaagde de taken en bevoegdheden uit die tot genoemde datum werden uitgeoefend door de Sociale Verzekeringsbank. In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan de Sociale Verzekeringsbank.

Appellant is op bij beroepschrift voorzien van bijlagen aangevoerde gronden in hoger beroep gekomen van de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 23 februari 2004, nr. SBR 03/429, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend, waarop door appellant is gereageerd.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 28 oktober 2005, waar appellant in persoon is verschenen, en waar voor gedaagde is verschenen E. Appeldoorn, werkzaam bij de Sociale verzekeringsbank.




II. MOTIVERING


Appellant, geboren [in] 1938, heeft bij formulier gedagtekend 7 oktober 2002 een pensioen ingevolge de Algemene nabestaandenwet (Anw) aangevraagd. Daarbij heeft hij aangegeven dat zijn echtgenote [echtgenote] [in] 2001 is overleden. Opgegeven is verder dat appellant een brutobedrag van € 3.405,62 per maand aan ouderdomspensioen geniet.

Bij besluit van 21 oktober 2002 heeft gedaagde appellant meegedeeld dat hij in aanmerking komt voor een nabestaandenpensioen. De hoogte van het pensioen is vastgesteld op nihil in verband met het inkomen van appellant. Appellants bezwaar is bij besluit van 9 januari 2003, hierna: het bestreden besluit, ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft voorop gesteld dat het geschil is beperkt tot de vraag of bij het in mindering brengen van inkomsten op een toegekende Anw-uitkering onderscheid mag worden gemaakt tussen inkomsten uit en in verband met arbeid en andere inkomsten, zoals die uit vermogen. Onder verwijzing naar de wetsgeschiedenis van de Anw en de uitspraak van de Raad van 29 augustus 2003, USZ 2003/312, heeft de rechtbank als haar oordeel gegeven dat er een voldoende rechtvaardiging is voor het bij de korting op grond van artikel 18 van de Anw maken van onderscheid tussen inkomsten uit of in verband met arbeid en andere vormen van inkomen, zoals inkomen uit vermogen anderzijds.
Van een verboden onderscheid in de zin van artikel 14 van het Europese Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele wijsheden (EVRM) of artikel 26 van het Internationale Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten is dan ook geen sprake.

In hoger beroep heeft appellant zijn grieven herhaald dat er bij de berekening van de hoogte van de Anw-uitkering een ongerechtvaardigd onderscheid wordt gemaakt tussen inkomsten uit en in verband met arbeid (wel leidend tot een korting) en inkomsten uit vermogen (niet leidend tot een korting) én dat er ongerechtvaardigd onderscheid wordt gemaakt tussen inkomsten uit en in verband met arbeid (wel leidend tot een korting) en nabestaandenpensioen (niet leidend tot een korting). Voorts heeft appellant aangevoerd dat hem volstrekt onduidelijk is waarom bij (aanvullende) nabestaandenvoorzieningen wel een gelijke behandeling plaatsvindt (in alle gevallen niet leidend tot een korting op de Anw-uitkering), maar niet bij ouderdoms- en invaliditeitsuitkeringen (wel leidend tot een korting, tenzij er geen band is met een individuele of collectieve arbeidsovereenkomst).

Namens gedaagde is onder meer opgemerkt dat op grond van artikel 5a, eerste lid, onder a, van het Inkomens- en samenloopbesluit Anw, onderscheid wordt gemaakt tussen enerzijds een particuliere ouderdoms- en invaliditeitsverzekering in het kader van een individuele of collectieve arbeidsovereenkomst en anderzijds aanvullende ouderdoms- en invaliditeitsverzekeringen zonder dat er sprake is van een eigen arbeidsovereenkomst. Hierdoor wordt geen direct onderscheid gemaakt tussen werknemers en zelfstandigen. Het onderscheid wordt veroorzaakt doordat verzekeringen op grond van een individuele of collectieve arbeidsovereenkomst voor zelfstandigen niet openstaan en zij dus per definitie zijn aangewezen op particuliere verzekeringen in de privé-sfeer. Dergelijke verzekeringen hebben geen connecties met arbeid en kunnen reeds om die reden niet onder het begrip inkomen uit of in verband met arbeid vallen. Dergelijke inkomsten dienen eerder als vermogensbestanddelen te worden aangemerkt, aldus gedaagde.
In reactie hierop is door appellant opgemerkt dat een aanvullend invaliditeitspensioen uitsluitend kan samenhangen met een verlies aan verdienvermogen en dus direct gerelateerd is aan arbeid, zowel bij een werknemer als bij een zelfstandige.

De Raad oordeelt als volgt.

In zijn uitspraak van 5 december 2003, LJN AO2554, heeft de Raad uitvoerig gemotiveerd dat het bij en krachtens de Anw gemaakte onderscheid tussen personen met inkomen uit of in verband met arbeid enerzijds en personen met een aanvullend nabestaandenpensioen of inkomen uit vermogen anderzijds, bezien vanuit de doelstelling van de Anw als bodemvoorziening voor het aanvullende nabestaandenpensioen, gerechtvaardigd is. Hetgeen in het onderhavige geding door appellant naar voren is gebracht heeft de Raad geen aanleiding gegeven over dit punt thans anders te oordelen.
Ten aanzien van appellants grief inzake het onderscheid tussen enerzijds particuliere ouderdoms- en invaliditeitsverzekeringen in het kader van een individuele of collectieve arbeidsovereenkomst en anderzijds (aanvullende) ouderdoms- en invaliditeitsverzekeringen zonder dat er sprake is van een eigen arbeidsovereenkomst, is de Raad, met gedaagde in het verweerschrift, van oordeel dat laatstgenoemde verzekeringen geen directe relatie hebben met het verrichten van arbeid en reeds om die reden niet onder het begrip inkomen uit of in verband met arbeid kunnen vallen. Het inkomen uit dergelijke verzekeringen heeft doorgaans wel enige relatie met verrichte arbeid, maar dient gelet op het vrijwillige karakter van de verzekering veeleer als inkomen uit vermogen te worden aangemerkt. De in de uitspraak van 5 december 2003 gegeven rechtvaardiging voor het gemaakte onderscheid geldt hier evenzeer.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht

Uit het voorgaande vloeit voort dat als volgt moet worden beslist.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. M.M. van der Kade als voorzitter en mr. T.L. de Vries en mr. H.J. Simon als leden, in tegenwoordigheid van J.J.B. van der Putten als griffier en uitgesproken in het openbaar op 9 december 2005.

(get.) M.M. van der Kade.

(get.) J.J.B. van der Putten.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Anw | Anw | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x