Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   Anw
x
LJN:
x
AU8520
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 09-12-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Weduwe in Marokko. Nabestaandenuitkering is geweigerd. De overleden echtgenoot is niet verzekerd. Internationaal recht.
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 05/502 ANW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], Nador, Marokko, appellante,

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2003 zijn de artikelen 3, 4 en 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, voorzover het betreft de Sociale verzekeringsbank in werking getreden. Thans oefent de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank de taken en bevoegdheden uit die tot genoemde datum werden uitgeoefend door de Sociale Verzekeringsbank. In deze uitspraak wordt onder gedaagde mede verstaan de Sociale Verzekeringsbank.

Appellante heeft op daartoe bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 30 december 2004, nr. 03/4554 ANW, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens heeft mr. C.A.J. de Roy van Zuydewijn, advocaat te Amsterdam, namens appellante een aanvullend beroepschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 16 september 2005, waar appellante zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. De Roy van Zuydewijn, voornoemd, en waar gedaagde is verschenen bij H. van der Most en mr. K.C.M. van Engelenhoven, beiden werkzaam bij de Sociale verzekeringsbank.




II. MOTIVERING


Appellante woont in Marokko en bezit de Marokkaanse nationaliteit. Wijlen haar echtgenoot, [naam echtgenoot], heeft vanaf de jaren zestig in Nederland gewerkt. Aansluitend heeft hij vanaf 6 december 1979 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) ontvangen. Hij is met behoud van die uitkering geremigreerd naar Marokko. Tot 1 januari 2000 is [naam echtgenoot] verzekerd geweest ingevolge de volksverzekeringen, laatstelijk op grond van artikel 26 van het Besluit uitbreiding en beperking kring der verzekerden volksverzekeringen 1999 (Stb. 1998, 746). Artikel 26 van KB 746 is per 1 januari 2000 vervallen. Op 1 januari 2002 is [naam echtgenoot] overleden.

Bij primair besluit van 2 december 2002 heeft gedaagde de aanvraag van appellante om een nabestaandenuitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet (Anw) afgewezen omdat [naam echtgenoot] ten tijde van zijn overlijden niet verzekerd was ingevolge de Anw. Gedaagde heeft dit besluit bij het bestreden besluit van 11 september 2003 gehandhaafd met de aanvullende motivering dat [naam echtgenoot] op de dag van zijn overlijden niet was aangemeld voor de vrijwillige verzekering ingevolge de Anw en dat hij evenmin verzekerd was krachtens de Marokkaanse wettelijke regelingen.

In eerste aanleg heeft appellante aangevoerd dat [naam echtgenoot] niet op de hoogte is gesteld van het einde van zijn verplichte verzekering krachtens de volksverzekeringen met ingang van 1 januari 2000 en van de mogelijkheid, zich vrijwillig te verzekeren.

De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard en daartoe onder andere overwogen dat deze klacht van appellante feitelijke grondslag mist.

In hoger beroep heeft de gemachtigde van appellante gesteld dat de beŽindiging van de verplichte verzekering van [naam echtgenoot] met ingang van 1 januari 2000 in strijd is met het vertrouwensbeginsel alsmede met artikel 26 van het Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, Trb. 1978, 177 (IVBPR), artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (Trb. 1951, 154; 1990, 156 (EVRM), met de Euro-Mediterrane overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun Lid-Staten, enerzijds, en het koninkrijk Marokko, anderzijds (hierna: de Associatieovereenkomst) in verbinding met verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen (hierna: verordening nr. 1408/71), verordening (EEG) nr. 1612/68 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 15 oktober 1968 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap (hierna: verordening nr. 1612/68) en artikel 5 van het Algemeen verdrag inzake sociale zekerheid tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Marokko (NMV; Trb. 1972, 34, gewijzigd bij verdrag van 30 september 1996, Trb. 1996, 298, bij verdrag van 22 juni 2000 (Trb. 2000, 197) en bij verdrag van 24 juni 2002 (Trb. 2003, 143). Appellante heeft daarbij met name aandacht gevraagd voor het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 7 juli 2005, nr. C-227/03, Van Pommeren-BourgondiŽn (verder: het arrest Van Pommeren-BourgondiŽn). Ter zitting heeft de gemachtigde van appellante te kennen gegeven [naam echtgenoot] postuum voor de vrijwillige verzekering te hebben aangemeld.

Gedaagde heeft zich op het standpunt gesteld dat op verschillende wijzen tegemoet kan worden gekomen aan de eisen die het communautaire recht blijkens het arrest Van Pommeren-BourgondiŽn stelt. Zijns inziens is het primair aan de wetgever om de gevolgen van dit arrest te bepalen. Naar het zich nu laat aanzien zal voor een bepaalde groep van personen over het tijdvak van 1 januari 2000 tot 1 januari 2006 een hernieuwde mogelijkheid tot vrijwillige verzekering worden gecreŽerd tegen voorwaarden die niet minder gunstig zijn dan de voorwaarden voor verplichte verzekering. Of ook [naam echtgenoot] postuum van deze regeling zal kunnen profiteren is nog niet duidelijk.
Naar het oordeel van gedaagde kan uit het arrest Van Pommeren-BourgondiŽn op zichzelf niet worden afgeleid dat de beŽindiging van de verplichte verzekering van in Marokko wonende uitkeringsgerechtigden met de Marokkaanse nationaliteit in strijd is met het communautaire recht. Op hen is het gedetailleerde stelsel van conflictregels van verordening nr. 1408/71 niet van toepassing. Voorts vallen deze personen niet onder de personele werkingssfeer van het EG-verdrag en hebben zij geen recht op vrij verkeer tussen Marokko en de lidstaten van de Europese Unie. Gedaagde heeft er voorts op gewezen dat postactieve werknemers niet uit eigen hoofde vallen onder de personele werkingssfeer van de Associatieovereenkomst. Ten slotte vormt de verzekering krachtens de volksverzekeringswetten volgens gedaagde geen eigendomsrecht dat wordt beschermd door artikel 1 van het Eerste Protocol.

Desgevraagd heeft gedaagde te kennen gegeven dat, als [naam echtgenoot] postuum tot de vrijwillige verzekering ingevolge de Anw zou worden toegelaten, met volledige terugwerkende kracht van het bestreden besluit zal worden teruggekomen.

De Raad overweegt als volgt.

Tussen partijen is niet in geschil dat [naam echtgenoot] op het moment van zijn overlijden niet verplicht of vrijwillig verzekerd was ingevolge de Anw of ingevolge de Marokkaanse wettelijke regelingen. De Raad stelt voorts vast dat de verordeningen nrs. 1408/71 en 1612/68 nimmer op [naam echtgenoot] van toepassing zijn geweest. Ter beantwoording ligt daarom slechts voor de vraag of artikel 26, zesde lid van het Besluit uitbreiding en beperking kring der verzekerden volksverzekeringen 1999 (Stb. 1998, 746), waarbij is bepaald dat artikel 26 van KB 746 met ingang van 1 januari 2000 komt te vervallen, wegens strijd met een direct werkende bepaling van een internationaal verdrag of een besluit van een volkenrechtelijke organisatie, dan wel wegens strijd met het vertrouwensbeginsel, buiten toepassing moet worden gelaten. Daarbij dient met name te worden getoetst aan artikel 26 van het IVBPR, artikel 1 van het Eerste Protocol, de artikelen 64 tot en met 68 van de Associatie- overeenkomst en artikel 5 van het NMV.

Met betrekking tot artikel 26 van het IVBPR en artikel 1 van het Eerste Protocol verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 24 december 2003, RSV 2004, 159, waarin hij heeft overwogen dat het streven van de regelgever om terug te gaan naar de oorspronkelijke bedoeling van de volksverzekeringen om alleen ingezetenen te verzekeren, als een gerechtvaardigd doel kan worden gekwalificeerd. Het daartoe door de regelgever gekozen middel, beŽindiging van de verzekeringsplicht van personen die een Nederlandse langlopende uitkering ontvangen, is geschikt en proportioneel. Van strijd met artikel 26 van het IVBPR is derhalve geen sprake.
Voorts zijn personen van wie de verplichte verzekering is geŽindigd, in de gelegenheid gesteld zich aansluitend vrijwillig te verzekeren tegen een premie die wordt berekend naar het daadwerkelijk genoten inkomen. Voorzover de verzekering ingevolge de Anw reeds kan worden gekwalificeerd als een eigendomsrecht, is voor het ontnemen hiervan op deze wijze een alleszins toereikende compensatie geboden, terwijl ook overigens is voldaan aan de in artikel 1 van het Eerste Protocol gestelde voorwaarden. Van een schending van artikel 1 van het Eerste Protocol is dan ook geen sprake.

De Associatieovereenkomst bevat geen bepalingen die de verzekeringsplicht van een Marokkaanse (gewezen) werknemer krachtens de socialeverzekeringswetgeving van de lidstaten regarderen. Evenmin roept de Associatieovereenkomst voor deze werknemers een recht op vrij verkeer tussen Marokko en elk van de lidstaten van de Europese Unie in het leven. De Raad ziet dan ook niet in dat de beŽindiging van de verzekeringsplicht van [naam echtgenoot] met ingang van 1 januari 2000 onder rechtstreekse of analoge toepassing van het arrest Van Pommeren-BourgondiŽn in strijd zou moeten worden geacht met de Associatieovereenkomst.

Artikel 5 van het NMV regelt niets over het (voort)bestaan van verzekering en is derhalve voor het onderhavige geding niet van belang.

Appellantes beroep op het vertrouwensbeginsel wordt verworpen nu [naam echtgenoot] tijdig op de hoogte is gesteld van het einde van zijn verplichte verzekering en daarbij op de hoogte is gesteld van de mogelijkheid van vrijwillige verzekering.

De Raad laat ten slotte in het midden of een regeling waarbij de voorgenomen mogelijkheid tot hernieuwde vrijwillige verzekering over het tijdvak van 1 januari 2000 tot 1 januari 2006 tegen gunstiger voorwaarden dan voorheen, afhankelijk wordt gesteld van de nationaliteit van de te verzekeren persoon, ís Raads toetsing aan bepalingen van internationaal en supranationaal recht zal kunnen doorstaan. Voorzover een dergelijke mogelijkheid zou worden geopend en [naam echtgenoot] hiervan uitsluitend op grond van zijn nationaliteit zou worden uitgesloten, zal appellante de rechtmatigheid van dit onderscheid in een separate procedure omtrent het betreffende besluit aan de orde kunnen stellen.

Gelet op al het bovenstaande komt de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb.

De Raad beslist als volgt.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. T.L. de Vries, in tegenwoordigheid van C.D.A. Bos als griffier en uitgesproken in het openbaar op 9 december 2005.

(get.) T.L. de Vries.

(get.) C.D.A. Bos.




Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (postbus 20303, 2500 EH ís-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip kring van verzekerden.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Anw | Anw | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x