Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   Anw / AOW
x
LJN:
x
AU9011
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 05-12-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Herziening Anw-uitkering in verband met gezamenlijke huishouding.
 
 
 

 

 
Uitspraak 04/1727 ANW en 05/500 AOW




U I T S P R A A K




in de gedingen tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN


Namens appellant heeft mr. D. Grégoire, advocaat te Sittard, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraken van de rechtbank Maastricht van 8 maart 2004, reg.nr. 03/1568 ANW en 19 januari 2005, reg.nr. 04/1416 AOW.

Gedaagde heeft in beide zaken een verweerschrift ingediend.

De gedingen zijn ter behandeling aan de orde ter zitting van 25 oktober 2005, waar partijen - met voorafgaand bericht - niet zijn verschenen.




II. MOTIVERING


Voor een overzicht van de in deze gedingen van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraken. Hij volstaat hier met het volgende.

Appellant ontving sedert 1 maart 1996 een pensioen ingevolge de Algemene Weduwen- en Wezenwet (AWW). Met ingang van 1 juli 1996 is de Algemene nabestaandenwet (Anw) in werking getreden en is het AWW-pensioen van appellant omgezet in een nabestaandenuitkering.

Na een melding dat appellant met [partner] (hierna: [partner]) samenwoont is door de sociale recherche van gedaagde een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende Anw-uitkering. In dat kader zijn onder meer inlichtingen ingewonnen bij Essent Energie en Waterleiding Maatschappij Limburg, zijn huisbezoeken afgelegd op de adressen [adres 1] en [adres 2] te [woonplaats], is een buurtonderzoek ingesteld en zijn appellant en [partner] gehoord.

Naar aanleiding van de onderzoeksbevindingen heeft gedaagde bij besluit van 16 mei 2003 de Anw-uitkering van appellant met ingang van 1 januari 1998 herzien, en nader vastgesteld op een bedrag dat overeenkomt met 30% van het minimumloon, op de grond dat appellant op 1 juli 1996 alsmede op 31 december 1997 een gezamenlijke huishouding voerde met [partner].

Bij besluit van 22 september 2003 (besluit 1) heeft gedaagde het tegen het besluit van 16 mei 2003 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Voorts heeft gedaagde bij besluit van 20 februari 2004 met ingang van 1 juli 2004 de Anw-uitkering van appellant ingetrokken en hem met ingang van dezelfde datum een ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) toegekend naar de norm voor een ongehuwde die een gezamenlijke huishouding voert met een AOW-pensioengerechtigd persoon van 65 jaar of ouder.

Het tegen het besluit van 20 februari 2004 gemaakte bezwaar is bij besluit van 18 augustus 2004 (besluit 2) ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft de tegen besluit 1 en 2 ingestelde beroepen bij de aangevallen uitspraken van 8 maart 2004 en 19 januari 2005 ongegrond verklaard.

In hoger beroep heeft appellant zich gemotiveerd tegen beide uitspraken gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.



Ten aanzien van de herziening van de Anw-uitkering (04/1727 ANW)

Ingevolge artikel 3, tweede lid, van de Anw wordt als gehuwd of als echtgenoot mede aangemerkt de ongehuwde meerderjarige die met een andere ongehuwde meerderjarige een gezamenlijke huishouding voert. Van een gezamenlijke huishouding is ingevolge artikel 3, derde lid, van de Anw sprake indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.

Ingevolge artikel 67, eerste en derde lid, van de Anw heeft de persoon die op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Anw recht had op een uitkering ingevolge de AWW, en op de dag van inwerkingtreding van de Anw een gezamenlijke huishouding voerde anders dan ten behoeve van de verzorging van een hulpbehoevende en deze gezamenlijke huishouding nog steeds voerde op 31 december 1997, met ingang van 1 januari 1998 recht op een uitkering tot een bedrag van 30% van het minimumloon.

De rechtbank heeft geoordeeld dat de onderzoeksbevindingen van de sociale recherche een toereikende grondslag bieden voor de conclusie dat appellant en [partner] ten tijde in geding hun hoofdverblijf in dezelfde woning hadden en dat tevens aan het criterium van de wederzijdse zorg was voldaan, zodat sprake was van een gezamenlijke huishouding. De Raad onderschrijft dat oordeel en de overwegingen waarop dat oordeel berust. Hetgeen appellant in hoger beroep op dat vlak heeft aangevoerd bevat geen wezenlijk nieuwe argumenten ten opzichte van hetgeen in eerste aanleg naar voren is gebracht.

Ten aanzien van de stelling dat appellant als hulpbehoevende in de zin van de Anw dient te worden aangemerkt, zodat hij - ingevolge artikel 15, eerste lid, aanhef en onder d, van de Anw - ook vanaf 1 januari 1998 aanspraak kon blijven maken op een volledige Anw-uitkering, overweegt de Raad nog het volgende.

Voor het aannemen van een gezamenlijke huishouding die ten behoeve van de verzorging van een hulpbehoevende wordt gevoerd, is vereist dat de nabestaande die huishouding is gaan voeren met het doel de hulpbehoevende te gaan verzorgen dan wel door die ander te worden verzorgd (artikel 1, aanhef onder k, van de Anw).
Onder hulpbehoevende wordt ingevolge artikel 1, aanhef en onder j, van de Anw verstaan de persoon die vanwege ziekte of een of meer stoornissen van lichamelijke, verstandelijke of geestelijke aard blijvend niet in staat is een eigen huishouding te voeren daar hij dagelijks is aangewezen op intensieve zorg van anderen.

Naar het oordeel van de Raad was ten tijde in geding aan deze vereisten in dit geval niet voldaan. Weliswaar kan uit de overgelegde verklaringen van de huisarts De Ree en de cardioloog Van Daele worden afgeleid dat appellant hartklachten heeft en aan angstaanvallen lijdt en dat na een hartoperatie in 2002 nachtzorg door een derde zeer wenselijk is, maar feitelijk was appellant ten tijde in geding in staat om de activiteiten van het dagelijkse leven normaal, zelfstandig te verrichten. Niet is gebleken dat appellant destijds als gevolg van ziekte of gebreken was geïndiceerd voor opname in een AWBZ-instelling. De in hoger beroep overgelegde gegevens inzake een indicatiestelling van het Regionaal Indicatie Orgaan Westelijke Mijnstreek ten behoeve van appellant en het hem bij schrijven van 19 augustus 2005 gedane woningaanbod kunnen hier niet aan afdoen, reeds omdat deze zien op een tijdstip of periode na de in geding zijnde periode.

Ook de overgelegde parlementaire stukken (Kamerstukken II, 2004-2005, 17 050, nr. 302 en een brief van de CDA-Tweede Kamerfractie) kunnen de Raad niet tot een ander oordeel brengen, teminder nu dit (nog) niet kenbaar tot gewijzigde wet- of regelgeving heeft geleid.

De Raad is derhalve met de rechtbank van oordeel dat gedaagde de Anw-uitkering van appellant terecht en op juiste wijze met ingang van 1 januari 1998 heeft herzien.



De toekenning van het AOW-pensioen (05/500 AOW)

Artikel 1, vierde lid, van de AOW bepaalt dat van een gezamenlijke huishouding sprake is indien twee personen hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.

Niet gesteld of gebleken is dat de feitelijke situatie ten tijde in geding anders was dan tot 1 juli 2004. Daarin ligt besloten dat ook ten aanzien van de hier in geding zijnde periode vanaf 1 juli 2004 moet worden aangenomen dat sprake was van een gezamenlijke huishouding als bedoeld in artikel 1, vierde lid, van de AOW.
De Raad merkt in dit verband nog op dat de gestelde (mate van) hulpbehoevendheid aan de zijde van appellant voor de toepassing van de AOW - anders dan in het kader van de Anw - geen rol speelt en voorts dat de enkele intentie van (een van) de partners om weer afzonderlijk te gaan wonen onvoldoende is om niet langer het bestaan van een gezamenlijke huishouding aan te nemen.



Slotoverwegingen

Uit het voorgaande vloeit voort dat de hoger beroepen geen doel treffen, zodat de aangevallen uitspraken voor bevestiging in aanmerking komen.

De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraken.

Aldus gewezen door mr. C. van Viegen als voorzitter en mr. R.H.M. Roelofs en mr. W.I. Degeling als leden, in tegenwoordigheid van M. Pijper als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 5 december 2005.

(get.) C. van Viegen.

(get.) M. Pijper.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Anw | Anw | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x