Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   Anw
x
LJN:
x
AV1975
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 17-02-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: De inkomsten uit arbeid zijn in mindering gebracht op de Anw-uitkering. Er is geen sprake van strijd met het discriminatieverbod van artikel 26 van het IVBPR en artikel 14 van het EVRM.
 
 
 

 

 
Uitspraak 02/43 ANW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2003 zijn de artikelen 3, 4 en 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, voorzover het betreft de Sociale verzekeringsbank in werking getreden. Thans oefent gedaagde de taken en bevoegdheden uit die tot genoemde datum werden uitgeoefend door de Sociale Verzekeringsbank. In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan de Sociale Verzekeringsbank.

Namens appellante heeft mr. A.M. Vinjé, werkzaam bij Rechtshulp CNV, op daartoe bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 13 december 2001, nr. AWB 01-832, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad op 3 september 2003, waar partijen - met kennisgeving - niet zijn verschenen.

De Raad heeft vervolgens, op verzoek van appellante, het onderzoek in deze procedure heropend in verband met een soortgelijke procedure bij het Europese Hof voor de Rechten van de Mens te Straatsburg.

Bij brief van 2 november 2005 is namens appellante een beslissing van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens van 9 maart 2004 overgelegd.

Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad op 6 januari 2006, waar partijen - met kennisgeving - niet zijn verschenen.




II. MOTIVERING


Appellante, geboren [in] 1938, heeft in augustus 1998 bij gedaagde een nabestaandenuitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet (Anw) aangevraagd in verband met het overlijden van haar echtgenoot op 13 juli 1998. Bij besluit van
20 augustus 1998 heeft gedaagde vastgesteld dat appellante voldoet aan de voorwaarden voor het recht op een nabestaandenuitkering. Gedaagde heeft aan het hand van het Inkomens- en samenloopbesluit Anw bepaald dat appellante f 1.642,13 bruto per maand aan inkomen in verband met arbeid ontvangt. Dit inkomen heeft gedaagde in mindering gebracht op de Anw-uitkering van appellante, zodat aan appellante met ingang van 1 juli 1998 een uitkering van f 145,39 bruto per maand is toegekend.

Het door appellante tegen dit besluit ingestelde bezwaar heeft gedaagde bij beslissing op bezwaar van 18 mei 2001 (hierna: het bestreden besluit), onder verwijzing naar een uitspraak van de Raad van 24 januari 2001 (LJN AN6599), ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit, onder verwijzing naar een uitspraak van de Raad van 5 september 2001 (LJN AD4640), bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.

Tussen partijen is niet in geschil dat gedaagde de aanspraak van appellante op nabestaandenuitkering ingaande 1 juli 1998 overeenkomstig het bepaalde in de Anw heeft vastgesteld.

Namens appellante is in hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte het beroep op artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR) en artikel 14 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) heeft verworpen. Appellante is van mening dat zij in dezelfde omstandigheden verkeert als de groep voormalige AWW-gerechtigden, voor welke groep een overgangsregeling is getroffen in de Anw. Daarbij heeft zij erop gewezen dat bij vergelijking met nabestaanden die na de inwerkingtreding van de Anw per 1 juli 1996 zijn geconfronteerd met het overlijden van hun partner er een ontoelaatbaar verschil in gevolgen bestaat tussen enerzijds degenen die de mogelijkheid hebben gehad zich particulier bij te verzekeren en anderzijds degenen, waaronder appellante, die vanwege de ziekte van de partner niet de mogelijkheid hebben gehad een particuliere pensioenvoorziening te treffen. De echtgenoot van appellante was reeds vóór 1 juli 1996 ernstig ziek, waardoor hij zich toen op de particuliere markt niet heeft kunnen verzekeren voor het verschil tussen de oude en de nieuwe wetgeving.

De Raad overweegt het volgende.

In zijn hiervoor genoemde uitspraak van 5 september 2001 heeft de Raad reeds overwogen dat uit de parlementaire behandeling van de Anw kan worden afgeleid dat de wetgever zich ervan bewust is geweest dat bij een slechte gezondheidstoestand het treffen van een particuliere pensioenvoorziening moeilijk of niet mogelijk is. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de regering er voor heeft gekozen om de nabestaandenverzekering niet geheel op te heffen, gelet op de problemen van groepen met een ongunstige sterftekans gekoppeld aan een relatief lange potentiële uitkeringsduur om een overlijdensrisicoverzekering af te sluiten. Voorts heeft de wetgever om die reden voor de groep van nabestaanden, die onder de Algemene Weduwen- en Wezenwet (AWW) aanspraak kon maken op een nabestaandenpensioen, maar vanwege de leeftijdsgrens in de Anw niet in aanmerking kon komen voor een Anw-uitkering de specifieke overgangsregeling van artikel 66a van de Anw getroffen. De wetgever heeft geen reden gezien voor het treffen van een bijzondere regeling bij een voorzienbaar overlijden na 1 juli 1996 en een als gevolg daarvan onverzekerbaar risico voor het zogenaamde Anw-gat.

Vanuit een oogpunt van rechtszekerheid heeft de wetgever geoordeeld dat een tijdelijke en/of gedeeltelijke (in dit geval een tijdelijke volledige tot 1 januari 1998 en in aansluiting daarop een gedeeltelijke) eerbiediging van bestaande rechten geboden is. Deze eerbiediging geldt uitsluitend voor degenen die al een recht hadden verworven op een AWW-pensioen. De omstandigheid dat ten tijde van het indienen van het wetsontwerp Anw appellantes echtgenoot niet langer in staat was om een aanvullende overlijdensvoorziening te treffen, betekent niet dat sprake is van een bestaand recht dat eerbiediging behoeft. Overigens merkt de Raad op dat al geruime tijd voor het indienen van het ontwerp van de Anw bekend was dat de wetgever voornemens was om de AWW te vervangen en dat één van de belangrijkste veranderingen betrof de invoering van een inkomensafhankelijke nabestaandenuitkering.

De Raad kan evenmin het standpunt van appellante onderschrijven dat zij in dezelfde omstandigheden verkeert als de voormalige AWW-gerechtigden en dat het onderscheid tussen haar en die groep van gerechtigden in strijd is met het discriminatieverbod van artikel 26 van het IVBPR en artikel 14 van het EVRM. In dit verband wijst de Raad op zijn uitspraak van 21 oktober 1994, RSV 1995, 139 waarin hij heeft overwogen dat artikel 26 van het IVBPR er niet toe strekt personen te beschermen tegen de nadelige gevolgen van wijziging van wetgeving, waarbij noodzakelijkerwijs het toepasselijke wettelijke regime een relatie heeft met het tijdstip van de verzekerde gebeurtenis, in aanmerking genomen dat de gewijzigde wet op zichzelf geen discriminerend karakter heeft. De Raad is van oordeel dat ook artikel 14 van het EVRM daartoe niet strekt. Een essentieel verschil is daarbij nog dat appellante, anders dan de voormalige AWW-gerechtigden, geen aanspraak had op een te eerbiedigen recht op een nabestaandenuitkering. Het gegeven dat appellante in andere omstandigheden verkeert dan degene die na 1 juli 1996 nabestaande is geworden en waarvan de echtgenoot of echtgenote de gelegenheid heeft gehad om een aanvullende pensioenvoorziening te treffen, omdat particuliere verzekeringsmaatschappijen niet bereid zijn bij een hoog overlijdensrisico een levensverzekering af te sluiten, betekent niet dat de toepassing van de Anw in dat opzicht leidt tot een verboden onderscheid als bedoeld in artikel 26 van het IVBPR en artikel 14 van het EVRM.

In dit verband wijst de Raad er ten slotte nog op dat de door de weduwe die betrokken was bij de hiervoor genoemde uitspraak van de Raad van 5 september 2001 bij het Europese Hof voor de Rechten van Mens ingediende klacht - wegens schending van, onder meer, artikel 14 van het EVRM - bij de onder I genoemde beslissing niet-ontvankelijk is verklaard, omdat de overgelegde gegevens volgens dit Hof “did not disclose any appearance of a violation” van de rechten en vrijheden genoemd in het EVRM en de daarbij behorende Protocollen.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet kan slagen, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. T.L. de Vries als voorzitter en mr. H.J. Simon en mr. N.J. Haverkamp als leden, in tegenwoordigheid van S. Sweep als griffier en uitgesproken in het openbaar op 17 februari 2006.

(get.) T.L. de Vries.

(get.) S. Sweep.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Anw | Anw | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x