Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   Anw
x
LJN:
x
AW4392
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 21-04-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: De aanvraag voor een nabestaandenuitkering is afgewezen omdat betrokkene op de datum van zijn overlijden niet vrijwillig verzekerd was.
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 05/6306 ANW




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] Marokko (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 30 september 2005, 04/2078 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: de Svb).

Datum uitspraak: 21 april 2006.




I. PROCESVERLOOP


Met ingang van 1 januari 2003 zijn de artikelen 3, 4 en 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, voorzover het betreft de Sociale verzekeringsbank in werking getreden. Thans oefent de Svb de taken en bevoegdheden uit die tot genoemde datum werden uitgeoefend door de Sociale Verzekeringsbank. In deze uitspraak wordt onder de Svb mede verstaan de Sociale Verzekeringsbank.

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 24 maart 2006. Partijen zijn daar niet verschenen.




II. OVERWEGINGEN


Appellante woont in Marokko en bezit de Marokkaanse nationaliteit. Wijlen haar echtgenoot, [B. A.], heeft vanaf 1960 in Nederland gewerkt. Aansluitend heeft hij vanaf 6 december 1979 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) ontvangen. Hij is met behoud van die uitkering geremigreerd naar Marokko. Tot 1 januari 2000 is [A.] verzekerd geweest ingevolge de volksverzekeringen, laatstelijk op grond van artikel 26 van het Besluit uitbreiding en beperking kring der verzekerden volksverzekeringen 1999 (Stb. 1998, 746). Artikel 26 van KB 746 is per 1 januari 2000 vervallen. [In] 2003 is [A.] overleden.

Bij primair besluit van 11 februari 2004 heeft de Svb de aanvraag van appellante om een nabestaandenuitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet (Anw) afgewezen omdat [A.] ten tijde van zijn overlijden niet verzekerd was ingevolge de Anw en evenmin recht op een uitkering had op grond van internationale regelingen. De Svb heeft dit besluit bij het bestreden besluit van 13 april 2004 gehandhaafd met de aanvullende motivering dat [A.], hoewel hij tijdig was geÔnformeerd over het einde van zijn verplichte verzekering krachtens de volksverzekeringswetten en de mogelijkheid tot vrijwillige verzekering, op de dag van zijn overlijden niet was aangemeld voor de vrijwillige verzekering ingevolge de Anw.

In eerste aanleg heeft appellante aangevoerd dat [A.] niet door de Svb op de hoogte is gesteld van het einde van zijn verplichte verzekering en van de mogelijkheid, zich vrijwillig te verzekeren. [A.] zou hiervan ook niet op een andere manier op de hoogte zijn gesteld.
De Svb heeft laten weten dat [A.] staat vermeld op de lijst van personen aan wie destijds een mailing over dit onderwerp is verzonden.
De Svb heeft voorts het bezwaar van appellante tegen het bestreden besluit alsnog aangemerkt als een verzoek om postume toelating van [A.] tot de vrijwillige verzekering. Bij besluit van 25 maart 2005 heeft de Svb dit verzoek afgewezen.

De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

In hoger beroep hebben partijen in essentie hun stellingen herhaald.

De Raad overweegt als volgt.

Tussen partijen is niet in geschil dat [A.] op de dag van zijn overlijden niet verplicht verzekerd was ingevolge de Anw. Ook de Raad ziet geen aanleiding om deze vaststelling voor onjuist te houden of de beŽindiging van de verplichte verzekering van [A.] met ingang van 1 januari 2000 ongeoorloofd te achten. De Raad verwijst in dit verband naar zijn uitspraak van 9 december 2005, LJN AU8520.

De Raad stelt voorts vast dat [A.] op de datum van zijn overlijden niet verzekerd was krachtens een andere dan de Nederlandse wettelijke regeling. Appellante heeft dan ook geen recht op een nabestaandenuitkering met toepassing van een internationale regeling.

Met betrekking tot de grief van appellante dat [A.] bij het einde van de verplichte verzekering onvoldoende is geÔnformeerd, overweegt de Raad als volgt. De Svb heeft onder overlegging van een systeemprint verklaard dat [A.] voorkomt op een lijst van personen aan wie eind 1999 door GAK Nederland BV een mailing is verzonden inzake het einde van de verplichte verzekering krachtens de volksverzekeringen met ingang van 1 januari 2000. De Raad heeft geen reden om aan te nemen dat deze mailing niet aan [A.] is verzonden. De enkele stelling van appellante dat [A.] de mailing niet heeft ontvangen is onvoldoende reden om aan te nemen dat er onregelmatigheden zijn opgetreden bij de verzending. Overigens zou een zodanige onregelmatigheid slechts van belang kunnen zijn geweest bij de beoordeling van het verzoek om postume toelating van [A.] tot de vrijwillige verzekering. Nu de Svb dit verzoek bij besluit van 25 maart 2005 heeft afgewezen en niet is gebleken dat dit besluit de rechtsverhouding tussen partijen niet langer bepaalt, dient ervan te worden uitgegaan dat [A.] op de datum van zijn overlijden niet vrijwillig verzekerd was.

Gelet op het bovenstaande heeft de Svb de aanvraag van appellante om een nabestaandenuitkering op goede gronden afgewezen. De aangevallen uitspraak en het bestreden besluit komen derhalve voor bevestiging in aanmerking.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

Beslist wordt als volgt.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.J. Simon. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.F. van Moorst als griffier, uitgesproken in het openbaar op 21 april 2006.

(get.) H.J. Simon.

(get.) M.F. van Moorst.




Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (postbus 20303, 2500 EH ís-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip kring van verzekerden.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Anw | Anw | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x