Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   Anw
x
LJN:
x
AX8391
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 14-02-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: BeŽindiging Anw-uitkering wegens gezamenlijke huishouding.
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 05/589 ANW




U I T S P R A A K




In het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Namens appellant heeft mr. F.A. van den Berg, advocaat te Middelburg, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Middelburg van 30 december 2004, reg.nr. Awb 04/569.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 24 januari 2006 waar appellant - met voorafgaand bericht - niet is verschenen en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. E. Geubbels, werkzaam bij de Sociale verzekeringsbank.




II. MOTIVERING


Appellant ontving vanaf 1988 een pensioen ingevolge de Algemene Weduwen- en Wezenwet, welk pensioen met ingang van 1 juli 1996 is omgezet in een uitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet (Anw).

Op verzoek van de Rijksdienst voor Kinderbijslag voor Werknemers in Brussel (BelgiŽ) werd door het Bureau voor Belgische Zaken te Breda een onderzoek ingesteld naar de samenloop van kinderbijslagrechten van mevrouw[R.] (verder te noemen: [R.]) naar aanleiding van een door [R.] op 17 april 2004 ingevuld formulier ďBBZ BURGERLIJKE STAATĒ. In dat formulier deed zij onder meer de mededeling sedert 11 april 2002 in [woonplaats] samen te wonen met appellant.
Gedaagde is hiervan op 6 juni 2003 in kennis gesteld door het Bureau voor Belgische Zaken en heeft daarin aanleiding gezien om de betaling van de nabestaandenuitkering van appellant bij besluit van 14 juli 2003 met ingang van juni 2003 te schorsen. Gedaagde heeft vervolgens een nader onderzoek ingesteld en op grond van de bevindingen van dit onderzoek de nabestaandenuitkering van appellant bij besluit van 3 maart 2004 met ingang van 1 mei 2002 beŽindigd (lees: ingetrokken). De besluitvorming berust op de overweging dat appellant een gezamenlijke huishouding voert - anders dan ten behoeve van de verzorging van een hulpbehoevende - met [R.].

Bij besluit van 22 juli 2004 heeft gedaagde het tegen het besluit van 3 maart 2004 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 22 juli 2004 ongegrond verklaard.

Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Ingevolge artikel 16, eerste lid, aanhef en onder b, van de Anw - voorzover hier van belang - eindigt het recht op nabestaandenuitkering indien de nabestaande een gezamenlijke huishouding gaat voeren anders dan ten behoeve van de verzorging van een hulpbehoevende. Ingevolge artikel 3, derde lid, van de Anw is van een gezamenlijke huishouding sprake indien twee personen hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.

Naar vaste rechtspraak van de Raad dient de vraag of in een bepaald geval sprake is van een gezamenlijke huishouding te worden beantwoord aan de hand van objectieve criteria. Daarbij zijn omstandigheden die tot het voeren van een gezamenlijke huishouding hebben geleid, de motieven van betrokkenen en de aard van de onderlinge relatie niet van belang.

Het eerste criterium waaraan moet zijn voldaan, is dat betrokkenen hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning. De vraag waar iemand zijn hoofdverblijf heeft, moet naar vaste rechtspraak worden beoordeeld aan de hand van de concrete feiten en omstandigheden.

De Raad is van oordeel dat de gedingstukken een toereikende grondslag bieden voor het standpunt van gedaagde dat appellant en [R.] vanaf medio april 2002 hun hoofdverblijf hebben aan de [adres] te [woonplaats]. Appellant woont op dat adres en [R.] staat daar met ingang van 11 april 2002 ingeschreven. Bij het enige malen verstrekken van gegevens in 2003 en tevens bij gelegenheid van een door gedaagde bij appellant afgelegd huisbezoek op 12 april 2004 is zowel door hem als [R.] opgegeven, dan wel verklaard, dat zij samenwonen. Dat appellant bij het indienen van aanvullende gronden in de bezwaarschriftprocedure op 21 april 2004 er voor het eerst gewag van heeft gemaakt dat [R.] met haar dochter, [naam dochter], in de periode vanaf 11 april 2002 tot 1 mei 2003 zouden hebben verbleven in een caravan in de tuin van appellant en dat [R.] dan ook in die caravan haar hoofdverblijf had, acht de Raad niet aannemelijk. De Raad is van oordeel dat, zo dat wel het geval zou zijn geweest, appellant hiervan terstond mededeling aan gedaagde had behoren te doen hetgeen immers ligt besloten in de op appellant ingevolge artikel 35 van de Anw rustende inlichtingenverplichting. Hetzelfde geldt ook voor het door appellant gestelde verblijf van [R.] in de woning van appellant vanaf 1 mei 2003, waarvan evenmin mededeling aan gedaagde is gedaan.

De Raad voegt daar nog aan toe dat, zo er al gebruik zou zijn gemaakt van de caravan, er geen sprake kan zijn van het aldaar hebben van het hoofdverblijf van [R.] nu door appellant is verklaard dat [R.] was aangewezen op was-douchegelegenheid en nog enige andere voorzieningen hetgeen er op neerkomt dat de caravan zich in ieder geval niet leende voor zelfstandige bewoning. Ook werd bezoek van [R.] in de woning van appellant ontvangen. Vorenstaande brengt mee dat aan de in geding gebrachte getuigenverklaringen waaruit zou moeten worden geconcludeerd dat [R.] haar hoofdverblijf in de caravan zou hebben, dan ook niet die betekenis toekomt die appellant daaraan toegekend wenst te zien.

Het tweede criterium waaraan moet zijn voldaan, is dat van wederzijdse verzorging. Deze kan blijken uit een bepaalde financiŽle verstrengeling tussen de betrokkenen die verder gaat dan het uitsluitend delen van woonlasten en hiermee samenhangende lasten. Indien van een zodanige verstrengeling niet of slechts in geringe mate is gebleken, kunnen ook andere feiten en omstandigheden voldoende zijn om aan te nemen dat betrokkenen in elkaars verzorging voorzien. Een afweging van alle ten aanzien van betrokkene gebleken feiten en omstandigheden, die niet van subjectieve aard zijn, is bepalend voor het antwoord op de vraag of aan het verzorgingscriterium in een concreet geval is voldaan.

Naar het oordeel van de Raad is ook aan het tweede criterium voldaan. Appellant heeft [R.] onderdak geboden omdat zij door haar echtgenoot op straat was gezet. Door appellant is voorts een ziektekostenverzekering ten behoeve van [R.] afgesloten, zijn er schulden van haar door hem betaald en ook is door hem inmiddels een overlijdensverzekering afgesloten met [R.] als begunstigde.

Appellant heeft in het kader van het door gedaagde ingestelde onderzoek aangegeven dat hij met [R.] een kostgangersrelatie heeft.
Naar het oordeel van de Raad heeft appellant echter geenszins aannemelijk gemaakt dat sprake is van een door zakelijke verhoudingen beheerste kostgangersrelatie. Daarbij heeft de Raad onder meer van belang geacht dat ter zake van kost en inwoning geen schriftelijk contract is opgemaakt, dat geen betalingsbewijzen zijn overgelegd en dat de gestelde maandelijkse bijdrage van Ä 100,-- per maand vanaf maart 2003 niet als een reŽle zakelijke vergoeding kan worden beschouwd voor hetgeen aan onderdak en verzorging wordt geboden maar dat deze bijdrage veeleer moet worden gekwalificeerd als een bijdrage van [R.] in de kosten van de huishouding. Van een commerciŽle relatie is hoegenaamd geen sprake.

De Raad acht voorts van belang het feit dat zowel appellant als [R.] hebben aangegeven dat vanaf medio april 2002 sprake is van samenwonen. De Raad is van oordeel dat appellant en [R.], mede gelet op de overige gebleken feiten en omstandigheden, hiermee hebben aangegeven dat er sprake is van een situatie waaraan het wederzijds voorzien in elkaars verzorging onlosmakelijk is verbonden. Dat er volgens appellant eerst per 1 mei 2003 sprake zou zijn van een omslagpunt in zijn relatie met [R.] is door hem onvoldoende onderbouwd. Appellant heeft geen feiten en omstandigheden gesteld waaruit wijzigingen blijken met betrekking tot wederzijdse zorg op grond waarvan zou moeten worden geconcludeerd dat er eerst per die datum sprake zou zijn van het voeren van een gezamenlijke huishouding en niet eerder.

Gedaagde heeft onder de gegeven omstandigheden dan ook terecht aangenomen dat op en na 11 april 2002 sprake was van het voeren van een gezamenlijke huishouding als bedoeld in artikel 3, derde lid, van de Anw.

Gelet hierop eindigde ingevolge artikel 16, eerste lid, aanhef en onder b, en artikel 16, tweede lid van de Anw het recht van appellant op een nabestaandenuitkering met ingang van 1 mei 2002, zijnde de eerste dag van de maand volgend op die waarin hij een gezamenlijke huishouding is gaan voeren.

Gedaagde heeft de nabestaandenuitkering van appellant derhalve terecht, met toepassing van artikel 34, eerste lid van de Anw, met ingang van 1 mei 2002 ingetrokken. In hetgeen is aangevoerd, ziet de Raad geen dringende redenen, als bedoeld in artikel 34, tweede lid van de Anw, op grond waarvan gedaagde geheel of gedeeltelijk van intrekking kon afzien.

Uit het voorgaande vloeit voort dat het hoger beroep van appellant niet kan slagen. De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.

De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een vergoeding in de proceskosten.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gewezen door mr. Th. C. van Sloten, in tegenwoordigheid van mr. P.C. de Wit als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 14 februari 2006.

(get.) Th.C. Van Sloten.

(get.) P.C. de Wit.




Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (postbus 20303, 2500 EH ís-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Anw | Anw | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x